This is a digital copy of a book that was preserved for generations on library shelves bef ore it was carefully scanned by Google as part of a project
to make the world's books discoverable online.
It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that 's often difficult to discover.
Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the
publisher to a library and finally to you.
Usage guidelines
Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying.
We also ask that you:
+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for
personal, non-commercial purposes.
+ Refrainfrom automated querying Do not send automated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the
use of public domain materials for these purposes and may be able to help.
+ Maintain attribution The Google "watermark" you see on each file is essential for informing people about this project and helping them find
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it.
+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can't offer guidance on whether any specific use of
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner
any where in the world. Copyright infringement liability can be quite severe.
About Google Book Search
Google's mission is to organize the world's Information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web
at |http : //books . google . com/
Over dit boek
Dit is een digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliotheekplanken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat
doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken.
Dit boek is zo oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke
domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteur srechttermijn is verlopen. Het kan per land
verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van
geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn.
Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de
lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u.
Richtlijnen voor gebruik
Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op
automatisch zoeken.
Verder vragen we u het volgende:
+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet-commerciële doeleinden.
+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe-
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien
hiermee van dienst zijn.
+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet.
+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is
voor gebruikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek rust, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng.
Informatie over Zoeken naar boeken met Google
Het doel van Google is om alle informatie wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken
op het web via http: //books .google . com
FROMTHE-LIBRARYOF-
-OTTO-BREMER-
f
LeaYet)scbe
Bijdt<aget)
OP HET GEBIED VAN DE
GERMAANSCHE PHILOLOGIE
EN IN 't bijzonder VAN DE
NEDERLANDSCHE DIALECTKUNDE
ONDER HET BESTUUR VAN
Ph. COLINET, L. GOEMANS & L. SCHARPÉ
Vilde JAARGANG. ^ EE^TË A^EVER^G,,
INHOUD. I
J. VAN GiNNF.KEN, S. J. : Grondbeginselen der Psycholo-
gische Taalwetenschap. Systematisch overzicht, tweede
deel : Vrije wil en Automatisme. Blz. i.
Boekennieuws : J. D. C. — A. De Cock, Spreekwoorden
en Zegswijzen, afkomstig van oude gebruiken en volks-
zeden. Blz. 321.
1906.
LIER, JOSEPH VAN IN & Cie
LEIPZIG, Otto HARR.'XSSOWITZ.
De Leuvensche Bijdragen verschijnen op onbepaalde tijd-
stippen; i5 tot 20 vel druks vormen een jaargang.
De inschrijvingsprijs per jaargang is 10 fr. (5.50 gulden,
9 mark).
Brieven, boeken ter bespreking (2 exemplaren) of ter ver-
melding (1 exemplaar), tijdschriften in ruiling, en alle andere
stukken voor de Leuvensche Bijdragen, in te zenden bij den
heer J. De Cock, Minderbroedersstraat, w 29, te Leuven.
Leuvensche Bijdragen
- 3 -
Hoe vaker wij die akte al gesteld hebben, hoe minder
wilskracht er noodig is om haar te herhalen.
En eindelijk kan het zoover komen, dat de een of
andere beweging zóó gewoon is geworden dat wij ze niet
alleen niet meer uitdrukkelijk behoeven te willen, maar
dat zij zelfs onbewust kan worden uitgevoerd, op de loutere
aanleiding van vroeger-er-dikwijls-mee-samengetroffen waar-
nemingen of bewegingen.
Tusschen deze twee theoretische polen : volstrekt vrij
en nieuw en heelemaal van-^elf en oud zweven nu onze
dagelijksche bewuste handelingen op en neer(i).
Bij het volwassen individu is geen enkele bewuste han-
deling heelemaal nieuw en geene enkele bewuste handeling
is ook heel en al oud. De nieuwe toch zijn aanpassingen
van oude aan nieuwe omstandigheden, en de oude zijn
altijd weer nieuw door het veranderde psychische milieu.
In elk onzer bewuste daden mengt zich het automatisme
dus met de vrijheid, en de vrijheid met het automatisme (2).
Toch spreekt praktisch eenieder en spreken wij hier in
het vervolg ook van vrije daden in tegenstelling tot au-
tomatische verrichtingen. En terecht, want dikwijls is een
der beide elementen overwegend en het andere van hoe-
genaamd geen belang. Maar het was nuttig hier al bij
*t begin de mogelijke overgangen tusschen beide naar
't midden van *t gezichtsveld te schuiven.
Zoo zullen verdere complicaties toch te gemakkelijker
en te juister worden begrepen en opgevat.
(i) ViCTOR PoucEL : La raison et les activités inférieures, essai de
psychologie tempérée, Études (Retaux-Paris) 93, 1902, blz. 671 vlgd.
(2) Pierre Janet : Cas d'aboulie et d' idees flxes. Revue philos. 3i,
1891, blz. 268 vlgd. Dit alles veel breeder uitgewerkt, en met tal
van voorbeelden toegelicht in zijn groote werk : Névroses et Idees
fixeSy I, Paris, 1898, passim.
— 4 •"
Want in de taal zullen wij wel op allerlei gevallen
hebben te wijzen. Van het Haast volstrekt-vrije taalscheppen
van den oorspronkelijksten en allersponstaansten dichter,
tot de laffe aangeleerde volzinnetjes van den amper -
menschelijken idioot strekt zich het gebied van dit hoofd-
stuk uit.
Toch zal het ons eigenlijk doel niet zijn deze uitersten
in alle bizonder heden na te gaan. Hier en daar ter illu-
stratie kan een voorbeeld uit de taal van dichters of uit
die der gedegenereerden zeker nuttig wezen, maar het
hoofdbelang is natuurlijk bij de dagelijksche taal van het
normale menschelijk individu. En hier zullen wij aan-
houdend vrijheid en automatisme zien samenwerken tot
de productie van die hooge, onschatbare gave : de men-
schelijke verstandhouding, on^e taai.
264. Maar na de constateering van de complicaties
der eeuwig-rijke werkelijkheid, nu ook" de scherpte van
verstandelijk begrip. Wat is een vrije, en wat is een
automatische handeling ?
Een vrije wilsakte ^ is een zelfbewust actief streven, dat
het een of ander geschiede door mijne bemoeiing (r).
En eene automatische handeling is een passief streven,
dat het een of ander geschiede, zonder dat mijne bemoeiing
er iets aan hoeft te helpen.
Bij de vrije wilsakten ben ik mij bewust van wat Maine
DE BiRAN : Ie sentiment de feffort noemde (2).
Bij de automatische verrichting ben ik mij die inspan-
(i) Th. Lipps : Vom Fühlen, Wollen und Denken, t. a. p., blz. ii5
vlgd.; Th. Lipps : Leitfaden der Psychologie, t. a. p., blz. 206 vlgd.,
239 vlgd.
(2) Zie eene degelijke waardeering en de hoofdgedachten van
dezen te weinig gekenden wijsgeer bij A. Lang : Maine de Biran
und die neuere Philosophie, Ein Beitrag zur Geschichte des Kausal-
problems, Köln, zonder jaartal (ca 1900).
— 5 —
ning volstrekt niet bewust ; dat het evenwel toch een streven
is, in dien wijden zin wel te verstaan, gelijk wij het
boven in n"" 204 hebben beschreven, zal blijken uit de
op te noemen gevallen.
266. Nu eerst het meest bekende taalgeval : de vrije
uiting.
Ik ben met iemand aan 't spreken, die nu juist het
buskruit niet heeft uitgevonden. Hij heeft het over een
zeer moeilijke kwestie, wier complicaties hij blijkbaar niet
bevroedt. Hij trekt nu conclusies naar alle kanten. En
ik, die dat allemaal aan moet hooren, voel me langza-
merhand de beaming bewust worden, dat het onzin is,
zijn gebazel.
Maar zeg ik het daarom al?
Neen, volstrekt nog niet. Wel wordt de dispositie van de
beaming naar de bewegingsvoorstelling « onzin » wakker.
Maar die is niet in alle omstandigheden bij machte hare
werking aanstonds te doen gelukken.
Ik denk nu na : Zou het beter zijn je alles te gaan
uitleggen ; of zou je het dan nog wel begrijpen ? Of zou
ik er heelemaal geen antwoord op geven? Maar nee, weet
je wat, ik zal het hem maar eens laten voelen, dat het niet
aangaat zoo lichtvaardig over die kwestie heen te ratelen.
En nu wil iky en nu zeg ik het ook uit : « onzin! »
266. Naast dit meestbekende geval, waarvan wij na-
derhand nog verschillende voorbeelden zullen ontmoeten,
staat nu een ander, dat in z'n uitwerking op het praktisch
taalgebruik minstens even voornaam mag genoemd wor-
den : het automatische.
Ook eerst een aanschouwelijk voorbeeldje ter inleiding.
M*n man van daar zoo even had zijn betoog geëindigd
met een dolle stelling en daarop laten volgen : Dat is zoo
zeker als tweemaal twee vier is. Ik neem hem nu even
onder handen, en doe ten slotte een beroep op z'n eer-
— 6 —
ijkheid : En dit meende jij zou even zeker zijn als twee-
maal-twee-vier? — « Nee, dat s[ei ik \oo maar, zoo bedoelde
ik het eigenlijk niet » — (i).
Nu daargelaten, dat zoo iets kan gezegd worden, ook
als men het wèl bedoeld heeft, de ondervinding van deze
vaak-terugkomende gevallen zal mijne lezers toch wel ge-
leerd hebben; dat deze verontschuldiging ook heel goed
oprecht it/aar kan zijn. Hij was eenvoudig onder den
invloed al zijner ideetjes, hij meende het tamelijk zeker
te weten, was een beetje opgewonden ; en nu, zonder dat
hij het eigenlijk precies gewild of bedoeld had, was in
eens dat stoute woord losgekomen : o Dat is zoo zeker als
tweemaal twee vier is ». Hij kon het heusch niet helpen.
Maar hoe komt dat dan? Waarom zei hij het dan?
En waarom zei hij dan dèt juist? Dergelijke vragen zijn
er hier nog vele te stellen. En wij zullen trachten op
alle een antwoord te geven. Daartoe moeten we het evenwel
van wat hooger ophalen. Wij volgen hierbij in hoofd-
zaak het magistrale boek van Pierre Janet ; Lautomatisme
psychologique. Paris 1889(2).
(i) Vgl. E. Martinak : Psychologische Untersuchungen :{ur Bedeu-
tungslehre, Leipzig, 1901, blz. 86, « es war nur so gesprochen », « es kam
eben nur so heraus », « ich woUte es eben nur sagen a enz. Zie aldaar.
Ik voeg hier uit de verschillende talen nog eenige uitdrukkingen
bij, die eigenlijk niets anders beteekenen dan een verontschuldiging,
dat men een automatisch woordenreeksjc gebruikt in plaats van de
juiste waarheid uit te zeggen, waarvoor men een nieuwen vrij-gewilden
zin zou moeten bouwen : gr. (Jx; etto? eiTteïv, w; diirXö)? Eiireïv, a-^eSóv
elirEiv, lat. ut ita dicam, it. per dire, fra. pour ainsi dire, hd. um
so zu sagen, engl. so to speak, nl. zoo te zeggen, om het zoo maar
eens te zeggen, enz.
(2) Er zijn nog twee latere edities, maar daarin is niets veranderd.
Voor hen, die zich tot dergelijke studie minder getrokken gevoelen,
verwijs ik naar een populaire en toch zeer juiste uiteenzetting van
J. Grasset : Le psychisme inférieur. Revue des deux mondes, igoS,
II, blz. 314-47.
— 7 -
De vier iundamenteele wetten van het psycholog:isch
automatisme.
257. Het Isic beginsel en de grondslag zoowel van
het psychologisch automatisme als van den vrijen wil,
in zoover die zich in lichaamsbewegingen uiten is de
zoogenaamde ideodynamische wet.
Als we deze tot haar ons-aan belangende gevallen be-
perken, kan ze als volgt geformuleerd worden : Elke
voorstelling van de eene of andere lichaamsbenfeging
streeft er naar die beweging actueel te verwezenlijken.
Hoe dit reeds aan Aristoteles en de Middeleeuwsche
Scholastieken met name aan Thomas van Aquine bekend
was, heeft Eugène Portalié(i) bewezen. Toch is zij pas
in onzen tijd tot breedere toepa*ing gekomen.
Mijns-inziens afdoende bewijzen kan men vinden bij
de hieronder aangehaalde schrijvers (2).
Een taalvoorbeeld moge volstaan, voor hen wien dit
zoo misschien nog niet aanschouwelijk genoeg voor den
geest mocht komen.
Zeer dikwijls heb ik zelf ondervonden, dat ik bij *t
schrijven van éénen zin dacht aan den volgenden, en dat
dan ponder dat ik het wilde, en hoewel de zin of soms
het woord zelfs, dat ik schreef, nog niet af was, toch
(i) E. PoRTALiÉ : Lhypnotisme au moyen age. Études (Retaux-
Paris), 55, 1892, blz. 481 vlgd , 677 vlgd.
(2) A. Bain : The Senses and the Intellect^, London, 1868, blz. 336-48;
Ch. Féré : Sensaiion et mouvement. Paris 1887, Chap. III ; P. Janet :
V automatisme psychologiquG, t. a. p, passim, vooral Chap. I ; W. James :
Psychology, t. a. p , II, blz. 522 vlgd. ; F. Hansen — A. Lehmann :
Ueber unwillkürliches Flüstern, Philosophische Studiën, XI, 1895,
blz. 496 vlgd.; Th. Lipps : Vom Fühlen, Wollen und Denken, t. a. p.,
blz. 74 vlgd.; Idem : Leit/aden, t. a. p., blz. i63 vlgd. 218 vlgd.
en passim.
— 8 —
plotseling een der woorden van dien geanticipeerden zin
mij uit de pen vloeide.
Het schrijven moet dunkt me voor allen een gunstig
observatie veld in deze richting zijn. Onwillekeurig denken
we toch dikwijls niet aan hetgeen we juist schrijven maar
aan het volgende ; en als allen nu eens toekeken op hunne
verschrijvingen (natuurlijk merken wij het meestal reeds
na een paar letters) en zich bij komende gelegenheid
aanstonds afvroegen : hé, wat schrijf ik daar? dan geloof
ik dat het antwoord zoo goed als altijd luiden zal : O
ja, dat dacht ik ook juist.
Deze anticipatie nu, bij het schrijven om bizondere
redenen dikwijls naar de volgende gedachte gericht, wendt
zich in het spreken ook dikwijls naar de meer energieke
klanken van hetzelfde woord, de uitingsdeelen van dezelfde
gedachte.
Want, gelijk wij verder zullen zien wordt elk woord
en elke constructie, niet klank voor klank, maar in eens,
gelijktijdig gewild. Heeft nu één der klankvoorstellingen
een relatief grootere energie (i), dan is het zeer begrijpe-
lijk dat deze, terwijl er een minder energieke vooraf-
gaande klankvoorstelling aan de beurt was, zich plotseling
in reëelen klank naar de lippen dringt.
Vandaar allerlei versprekingen (2).
268. Het n^« beginsel van het psychologisch automa-
tisme is de wet der inertie — in het psychische volkomen
met de physieke grondwet parallel — : Een psychische
dispositie kan \elf haar bewegingstoestand niet veranderen^
is \ij in rust dan blijft \ij in rust, tot dat een vreemde
inwerking haar wekt^ is \ij in beweging dan blijft \ij
in beweging totdat \ij (vergelijk de wrijving in het phy-
(i) Meringer — Mayer : Versprachen itnd Verlesen, Stuttg^art, iSgS,
blz. 159 vlgd.
'(2) Ibidem, blz. 28 vlgd. en passim.
— 9 —
sieke) aan de andere disposities in 7 rond hare energie
heeft afgestaan.
Zij komt het duidelijkst uit in de totale catalepsie (i),
en hier zijn we zelfs in 't voordeel tegenover de physica,
die nooit alle wrijving kan keeren, daar in dezen toe-
stand de meeste psychische disposities volstrekt geïsoleerd
zijn. Geven we nu aan den arm van zulk een patiënt
een periodieke beweging of krachtvorderende houding, hij
blijft in die beweging, die houding, zoolang de catalepsie
voortduurt.
Ik behoef hier de realiteit dezer inertiewerking in nor-
malen toestand niet te bewijzen. Anderen (2) hebben dat
reeds vóór mij gedaan. Ik wijs er slechts op, wat ik later
in den breede zal uitwerken, dat de Secundarfunction
(zoo noemt O. Gross die onwillekeurige nawerking)
zich natuurlijk te krachtiger zal toonen naarmate de pri-
maire functie meer psychische energie bezat. Maar een
taalyoorbeeld geef ik toch altijd graag.
De anaesthetische arm van eene hysterische schrijft
voortdurend dezelfde letter of zelfs hetzelfde woord, dat
de experimentator met hare hand in de zijne heeft • aan
den gang gemaakt Denzelfden uitslag verkreeg Binet (3)
bij een normaal jong meisje, zij trok rustig haakjes door,
tot 80 toe, toen merkte zij het pas, en hield op natuurlijk.
Wie heeft nooit eens een m met vier halen geschreven ?
Alle stotteren is natuurlijk een abnormale ontwikkeling
der Secundarfunction.
(i) A. Binet — Ch. Féré : Recherches expérimentales sur la phy-
siologie des mouvements che!{ les hystériques. Archives de physiologie
normale et pathologique, 1887, 2<^e semester, blz. 332 vlgd; Pierre
Janet : L' automatisme psychologique, t. a. p., passim o. a. blz. 228 vlgd.
(2) O. Gross : Die cerebrale Sekundarfunction, Leipzig, 1902.
Th. Lipps : Leitfaden der Psychologie, t. a. p., blz. 5o-5i.
(3) La Suggestibilité. Paris, 1900. Ik heb de plaats niet kunnen
naslaan.
— 12 —
evenzoo; juist als met de aanschouwelijke en onaan-
schou welij ke voorstelling .
Of in 't algemeen gesproken : de meer gewone beaming
is in de samenvlechting met een minder gewone « ein zu
diesem Hinzukommendes, ihm Anhaftendes, Dienendes.
Es ist für meine Betrachtung ein mehr oder minder um
des Uebergeordneten willen Vorhandenes » (i).
I En (2) zoo is het al wederom met het gevoel.
Lust en pijn kunnen zóó samenge vlochten worden, dat
de pijn geen pijn meer is, maar alleen in de lust een
eigenaardigen tint van bedwelmende bekoorlijkheid ach-
terlaat (3). Men denke slechts aan het gevoel voor het
tragische.
Het gevoel van streven en tegenstreven samen, wij zagen
het vroeger reeds (deel I, n^ 224 vlgd.), wordt dikwijls tot
een louter streven : tegenstreven is er niet meer, slechts
zijdelings wordt het streven versterkt, door iets wat oor-
spronkelijk tegenstreven geweest is.
Het gevoel van bevredigende identiteit gaat soms (Ibidem,
n^ 199) zoodanig in het gevoel der teleurstellende ver-
scheidenheid verloren, dat vele woorden die dat samen-
gestelde gevoel beteekenen (ter-nauwer-nood enz.) volstrekt
geen bevrediging meer zouden doen raden. I
Kortom : als meerdere psychische verrichtingen tegelijk
verwekt worden, maakt het zich onze psyche zoo gemak-
kelijk mogelijk.
Welnu, gemakkelijk is een werking, die bij haar specifieke
(i) Th. Lipps : Aesthetik, t. a. p., blz. 43.
(2) Ik voorzie dat deze laatste toepassing op het gevoel, het begrip
der wet bij vele mijner lezers niet zal verduidelijken. Toch meende
ik ze, om wille der volledigheid niet te kunnen missen. Maar men
kan al het volgende even goed begrijpen, als men ze overslaat.
(3) Th. Lipps : Der Streii über die Tragödie, Hamburg- Leipzig,
1891 ; Idem : Komik und Humor. Hamburg-Lcipzig, 1898.
— i3 —
verrichting nog al onze andere krachten en vermogens ge-
lijkmatig verdeelden arbeid biedt.
En zoo berust dus de wet .der difFerencieerende subor-
dinatie ten slotte op het algemeener beginsel der besparing
van kracht.
Dit ziet men ten slotte het duidelijkst als het heer-
scbende element meer en meer het overwicht krijgt, zoodat
het eindelijk de onderschikte elementen geheel en al in
zich opneemt, en uit overmaat van heerschzucht bij ge-
brek aan onderdanen zelf ophoudt heerscher te zijn (i).
En wil men nu eindelijk nog één taal voorbeeldje in
anticipatie op de zeer vele, die nog komen zullen?
Overal en altijd streeft er de taal naar om klinkers en
medeklinkers, openingen en sluitingen van het mondkanaal
elkander in regelmatige afwisseling te doen volgen, in elke
primaire of secundaire taaleenheid, hoe groot of hoe klein
ze dan ook mag zijn.
Deze afwisseling zien wij o. a, zeer duidelijk in het
gebruik dat het, oudst-benaderbare Indo-Germaansch, van
zijne sonanten (y, w, r, 1, m, n) maakt. Tusschen twee
klinkers zijn zij medeklinker, tusschen twee medeklinkers
zijn zij klinker (2).
260. Het IV« beginsel is de associatie-wet : Zijn ttt^ee
psychische disposities eens of meer malen gelijktijdig in
werking geweest, dan hebben ^ij het streven om elkander
te verwekken m. a. w. hunne energie aan elkander over
te doen. Denken wij hierbij dat deze psychische dispo-
sities niet die van heele voorstellingen maar van voor-
(i) Lipps : Leit/aden, t. a. p.. blz. 98-99.
(2) A. Meillbt : Introduction a Vétude comparative des langues
indo-européennes. Paris, 1903, blz. 126. Over de verdere lotgevallen
der sonanten, die evenwel altijd hetzelfde beginsel illustreeren. zie
aldaar : blz. 77 vlgd., blz. io5 vlgd.
— 14 —
stellingselementen plegen te zijn (i), dan verklaren zich
hieruit alle associaties. Zoowel de ervaringsassociatie simul-
taan en successief, als de gelijkenis-associatie.
Bij de successieve ervaringsassociatie behoeft men maar
te bedenken, dat de eerste werking niet plotseling ophoudt,
maar nog een tijdje nawerkt (II<** beginsel) terwijl de tweede
opleeft — en zoo zijn ze tóch nog gelijktijdig; en voor de
gelijkenis-associatie herinnere men zich, dat deze alleen
werkt tusschen complex- voorstellingen die elementen gelijk
hebben, welke elementen hunne energie dan ook op de
niet onmiddellijk gewekte elementen der voorstelling over-
dragen. Maar wat voor voorstellingen waar is, geldt ook
voor bewegingsvoorstellingen, en dus volgens de ideo-
dynamische wet ook voor de bewegingen.
Bewijzen in overvloed (2). Hier alleen weer een normaal
taalgevalletje(3). « Zoo. Hoe maak-je het? — Goed, dank-je,
en jij? — O best, en hoe maken ze 't huis? — O goed ...
of nee, wat zeg ik? goedl o en dan volgt het verhaal hoe
een of ander het dan toch minder goed maakt
Ieder onzer is in zoo'n gesprek wel eens eerste of tweede
persoon geweest. Op het hooren van de vraag : hoe maak
je 't? of hoe maken ze 't? hadden wij al zoo dikwijls
het antwoord goed laten volgen, dat deze bewegingsvoor-
(i) W. WuNDT : Grund:{üge der physiologischen Psychologie^,
t. a. p., III, blz. 558 vlgd.
(a) P. Janet : L' automatisme psychologique, t. a. p., passim, vooral
blz. 18-21, blz. 169, enz.
(3) Pathologische gevallen bij : Ghorge Robertson : Reflex or
automatic Speech, Journ. of mental science, 34, 1888, blz. 43 vlgd,
P. Janet : L' automatisme psychologique, t. a. p., blz. 263 vlgd
J Séglas : Des troubles du langage. Paris, 1892, blz. 70; Ch. Féré
Le langage réflexe. Revue philosophique, 41, 1896, blz. 39 vlgd.
G. Saint-Paul : Le langage intén'eur. Paris, 1904, blz. 26-33.
— i5 —
stelling nu ook weer onmiddellijk gewekt werd, en zelfs
met zooveel energie, dat het woord eruit kwam, eer we
nog den tijd hadden gehad om over de vraag na te
denken.
De praktische samenwerkins: van automatisme
en vrijen wil.
261. Zóó ingeoefend zijn echter de meeste taai-auto-
matismen of woordverbindingen niet. Hoe dan wel?
Dan is het dienstig eerst de zoo even aangewezen parallel
van associaties en automatische bewegingen nog wat nauw-
keuriger te beschouwen.
I® Het eigenaardige van geassocieerde voorstellingen
is dat na één voorstelling (hoe dan ook in het bewustzijn
gekomen) zich ongewild en ongezocht een heele rij van
nieuwe voorstellingen aan óns opdoen min of meer met
de eerste verwant.
Eveneens komen de automatische bewegingen in nor-
malen toestand vooral vóór in aansluiting bij een andere
beweging van den zelfden aard.
2^ Juist gelijk wij behalve in droom of droomerij, ons
bij het denken volstrekt niet aan onze associaties over-
geven, maar voortdurend willekeurig de rijen verbreten,
zoo kunnen wij ook met bewustheid sommige termen in
een reeks van automatische bewegingen veranderen en aan-
passen aan de omstandigheden, wat evenwel niet wegneemt,
dat het automatisme in de overige termen doende blijft (i)
30 Gelijk een klis van geassocieerde voorstellingen zich
dikwijls (als voorstellingen in potentia natuurlijk) voortzet
in het onbewuste; zoo ook de automatische bewegings-
(i) PissRE Janbt : L automatisme psxchologique, t. a. p., Chap. III
en IV, o. a. blz. 202 vlgd.
— i6 —
rijen : We doen allen dagelijks vele, zeer vele dingen
onbewust (i).
Bij i^ maken we nu al aanstonds de taaitoepassing, dat
we schrijvende een invallende gedachte gaan schrijven,
waarvan wij al een voorbeeld bijbrachten. Sprekend met
een ander zullen wij een plotseling energisch optredende
voorstelling willen uitzeggen. Maar stil studeerende zullen
wij, ook al treedt een voorstelling even plotseling met
dezelfde energie op, heelemaal niets zeggen of schrijven,
maar eenvoudig een oogenblik verstrooid zijn.
Nr 2 is nog belangrijker. Vele zullen uit het voorgaande
of vroeger al begrepen hebben dat onze vaste woordschik-
kingen loutere automatismen zijn, en voor de anderen zal
ik dat verderop tot in bizonderheden bewijzen. Maar dat
neemt niet weg, dat wij met voorbedachten rade hierin
een rhetorische wending kunnen aanbrengen zoodoende
dat een gedeelte der woordschikking vrijgekozen is, maar
de rest toch weer automatisch afloopt, hoewel meestal
bewust.
Bij 3® sluit aan, dat we echter ook veel automatisch
zeggen heel en al onbewust. Dit geval treedt duidelijk
op, als we aanstonds na iets gezegd te hebben, alleen
meer weten wat we bedoeld, maar volstrekt niet meer,
hoe wij het gezegd hebben; wat aanhoudend voorkomt (2).
Dit gaat zelfs soms zoover, dat — om een persoonlijke
herinnering aan te halen — één mijner vrienden, overigens
volstrekt niet onnadenkend, ééns in alle oprechtheid staande
hield een gewraakte uitdrukking niet gebruikt te hebben,
die we toch allen geen 5 seconden te voren met kracht
en nadruk uit zijn mond hadden gehoord.
(i) VicTOR PoucEL : La raison et les activités inférieures, t, a. p,,
blz, 374 vlgd.
(2) O. DiTTRicH : Die Sprachwissenschaftliche Definition der Be-
griffe « Satz » und « Syntax ». Philos. Studiën, 19, 1902, blz. 95.
• 17 —
In tegenstelling met het dolle antwoord : Goedl wat
we boven aanhaalden zijn al deze taaiautomatismen dus
wel degelijk de uiting van een beaming. Die uiting was
schriftelijk of mondeling naar de omstandigheden maar
niet gewild in de gevallen van n^ i. Sub 2<> was de ui-
ting wel gewild, maar niet de manier-waarop der auto-
matische woorden zelf, die evenwel nog bewust waren,
anders hadden wij er geen bewuste verandering in kun-
nen aanbrengen. In n*" 3 is ook weer de uiting gewild,
maar niet de automatische woorden, die zelfs heel en al
onbewust blijven,
262. Wij onderscheiden dus in den spreker vier soorten
van automatisme.
I® Er is geen beaming of gevoel (althans geen die iets
met de uiting te maken heeft), maar onwillekeurig komen
er één of meer woorden los, waarin wij anders een be-
paalde beaming of gevoelstoon plegen te uiten,
2* Er is n^el een beaming of een gevoel, maar wij
milden ^e niet uiten toch laten zich onwillekeurig eenige
klanken hooren of letters neerschrijven, waarin wij ze
zouden hebben geuit, als we gewild hadden
Z^ Er is n^el een beaming of een gevoel, en wij wilden
ie ook uiten, maar de manier-waarop : de woorden elk
voor zich en in hun opvolging en grammatisch verband,
:{ijn niet uitdrukkelijk gewild; onwillekeurig maar bewust ^
loopt er een risje woorden af, dat onze beaming of ons
gevoel beduidt (i),
40 Er is wel een beaming of een gevoel, en wij willen
^e ook uiten, wederom is de manier- waar op niet uit-
(i) «De daad (van spreken) is ons bewust, het « hoe » verbor-
gen ». Zoo luidt de titel van Victor Henry's laatste hoofdstuk in
zijne A niinomies linguistiques. De 16 gevallen, waarvoor hij dit bewijst
omvatten zeker het meeste, van wat tot nog toe in een Historische
2
1
— i8 —
drukkelijk gewild, maar ze wordt ons tijdens of na het
spreken hier zelfs niet bewust; dus zonder dat we de
woorden elk voor zich of hun volgorde of grammatische
verbinding weten of willen, loopt er toch een risje woor-
den af, dat, gelijk we wilden, onze beaming of gevoels-
toon doet kennen.
Laten wij nu deze gevallen in hunne psychologische
oorzaken beschouwen.
263. Daartoe is het eerst noodig een vrije wilsakt
dieper te doorgronden.
De vrije wilsakt berust op beginsel I. In de totale
catalepsie zet zich onmiddellijk elke bewegingsvoorstelling
in beweging om. Waarom? Zij is altijd alleen en heeft
dus alle psychische energie tot hare beschikking. In het
normale leven echter moeten altijd vele verschillende voor-
stellingen de beschikbare energie onder elkander verdeelen.
En alleen dié niet-al-te-gewone bewegingsvoorstelling zet
zich feitelijk in beweging om, die één oogenblik alle of
bijna alle andere uit het middelpunt van het bewustzijn
kan verdringen.
Grammatica werd gevonden. Mocht hij echter bedoeld hebben, dat
wij ons werkelijk bij het spreken het « hoe » nimmer bewust zijn,
dan moet deze uitspraak een schromelijke overdrijving heeten. Neem
maar een dichter b. v. DU is in elk geval zeker dat Victor Henry
bij 't schrijven van zijn boekje de hier gegeven distincties niet
duidelijk voor den geest heeft gehad. (Zie de Hollandsche ver-
taling van D. C. Hesseling en J. J. Salverda de Grave : Tegen-
strijdig heden in de taalkunde. Leiden 1898, passim). Ook is zijne
Conclusie in hare absolute algemeenheid : dat aiie historische taai-
verschijnselen zonder bewustzijn verklaard moeten worden, voor mij
onaannemelijk (*). Zooals wij verder zullen begrijpen is o. a. de
onnatuurlijke ontwikkeling van de Indische Sandhi een gevolg van
den vrijen wil, dus zeker bewust. Zijn verder in het Fransch b. v.
de meeste mots savants niet gewild, dus bewust geweest?
(•) Zie R. DB LA Grassbrib : Essai de phonétiquc dynamique^ Paris, 1891, p. 164-
Ï77 ; J' Vbndryes. Aféhifiges Mei liet. Paria, 1902, bU. xi6 vlgd.
— 19 -
In het verdringen dus van allerlei storende of tegen-
werkende voorstellingen uit het bewustzijn; in het con-
centreeren van ^oo mogelijk alle oplettendheid rond de^e
bewegingsvoorstelling; in de nieuwe synthese al de\er om-
standigheden hier en nu met en onder de opperhoogheid
van de\e bewegingsvoorstelling : bestaat de vrije wilsakte;
en de beweging zelf volgt onmiddellijk krachtens de ideo-
dynamische wet (i).
(i) Wat wij in de algemeene beteekenis dus vrije wilsakte noemen
bestaat uit twee verrichtingen : de beslissing (de hiërarchische een-
heidsbeaming of synthese) : de eigenlijke akt, én de uitvoering (de
werking der ideodynamische wét) : het middel.
Meestal vindt men ten bewijze dezer stelling niets dan voorbeelden
van de ideodynamische wet uit het dagelijksch leven. Zie de literatuur
opgegeven bij 't eerste beginsel. Het ware bewijs echter is pas door
PiERKE Janet gegeven. Ik zou het zoo willen samenvatten :
lo Als wij uit de sensaties, bewegingen en verminderde verstan-
delijke vermogens bemerken, dat er geen hiërarchische beamings-
eenheid van de bewegings- en de omstandigheidsvoorstellingen meer
mogelijk is, dan klagen de zieken ook volstrekt niet meer te kunnen
w^illen. Omgekeerd vindt men bij alle willoozen dezelfde onregelma-
tigheid van sensaties en bewegingen. Zien wij bij hunne langzame
genezing hun vermogen van synthese toenemen, dan verklaren zij
ook beter te kunnen willen. Hoe meer te beter, hoe minder des te
slechter. Zie Revue philos., 1891, t. a. p. Pierre Janet : Étude sur
un cas daboulie et d idees fixes.
20 Het eenige middel om willoozen weer te leeren willen is : hen
kunstmatig eene synthese te doen opnemen. Wat doet een redenaar,
een predikant anders dan al de bekende oude ideeën en voornemens
weer opnieuw bijeenbrengen in een hiërarchische synthese — 't een
dient als betoogend argument, 't ander als aanlokkelijk gevolg enz. —
en zoo ff/w wil, dat is jf(;n synthese overstorten in de geesten zijner
toehoorders? Dit banale feit spreekt nu met onmiskenbare klaar-
blijkelijkheid uit de verschijnselen der genezende aboulie. Zie F. Janet :
Névroses et idees fixes. Paris, 1898, 1, blz. 467-80.
3® Maar als dus de hiërarchische beamingseenheid, m. a. w. de
verstandelijke synthese de eigenlijke faktor is van de wilsakten, dan
— 20 —
264. Toegepast op het boven (nr 255) aangehaalde
voorbeeld : on^in!^ had ik dus eerst de beaming : 't is
nonsens. Deze beaming verwekte door hare dispositie het
woordbeeld : onpn ! Dit woordbeeld deelde toen echter
mijne psychische energie met de overige bewustheden : alles
uitleggen, '/ is \oo'n stommerik, geen antwoord geven.
Na een oogenblik van beraadslaging verwierp ik al die
storende of tegenwerkende bijgedachten ; het woordbeeld
on\in! behield het veld alleen, en oogenblikkelijk kwam
het heusche woord eruit.
Dit was dus een vrije akt.
En toch — ik heb het wel gezegd — blijft ook hier nog
een gedeelte automatisch. Want mijn woordbeeld omvat
niet één, maar twee bewegingsvoorstellingen : die van
spreken en schrijven. Waarom heb ik onpn! gezégd en
niet geschreven? Als de vrind mij zijn redeneering per
brief had thuisgestuurd en ik om hem te antwoorden na
een inleidende phrase « Wat je redeneering betreft, die
is.... « met den penhouder tegen de lippen dezelfde psy-
chische verwikkeling had beleefd dan zou 't effect niet
het spreken, maar 't afmaken van mijn geschreven zin
met het woord on^in! geweest zijn.
Maar nog eens : Waarom? Wel, ik gaf vrij de benoo-
digde energie aan het woordbeeld. Welke van de twee
bewegingsvoorstellingen zou zich die toeëigenen? Die op
dat oogenblik al de meeste energie had natuurlijk; maar
óf ik was aan het spreken, en dan had de spreekvoor-
stelling, óf ik was aan het schrijven, en dan had de
moet dien faktor nog een bizonder middel ten dienste staan om
zijn werk te verrichten. Dat middel moet aan allerlei vreemdsoor-
tige condities voldoen. Welnu, zoo'n middel kennen we, en het
voldoet juist aan al die condities : namelijk de ideo*d3mamische wet.
Zie de literatuur boven opgegeven bij 't I«te beginsel.
— 21 —
schrijfvoorstelling door associatie de meeste energie, en
dienovereenkomstig viel hier dus deze laatste beslissing :
ponder uitdrukkelijken wil^ maar 't feit van schrijven of
spreken zelf was niettemin :{eer bewust.
Dicht hierbij staat nu natuurlijk soort 3. Caesar begint
zijn Commentaar De bello Gallico.
Hij krijgt de beaming van de drie gedeelten van Gallië
en nog verschillende andere gedachten, waar hij ook mee
zou kunnen beginnen. O. a. staat dus ook het complexe
woordbeeld : Gallia omnis divisa est in tres partes al klaar.
Na eenige aarzeling beslist hij voor de eerstgenoemde be-
aming. Maar nu :{egt hij die woorden niet. Het was-
tafel tje en de stift geven aan de schrijfvoorstelling veel
meer energie. Hij schrijft dus Gallia,.., omnis.... divisa..,.
est..., in...., nee zegt hij, die zin klinkt niet, en boven-
dien je kunt er niet op doorgaan op tres partes, Nee,
niet tres partes, maar partes tres. Het laatste gedeelte
van de automatische reeks wordt dus uit het bewuste
veld verwezen. De omzetting ervan houdt het rijk alleen.
£n nu maakt Caesars stift onmiddellijk den begonnen
zin af in.... partes,.,. tres.
De heele uiting is natuurlijk gewild. De manier-waarop
van het eerste gedeelte was : automatisch, maar bewust,
van het laatste gedeelte : gewild en bewust beide.
Soort 4 is nu ook vanzelf duidelijk. Als Cabsar's aan-
dacht b. V, juist nadat hij al de andere gedachten uit
zijn hoofd gezet had, plotseling door het bezoek van
Labienus was afgeleid; dan had hij waarschijnlijk den
heelen automatischen zin Gallia omnis divisa est in tres
partes in de gauwigheid nog neergekrabd. En toen Labienus
nu weg was, zou hij dan opnieuw zn tafeltje hebben op-
genomen.... en gelezen, a Bah, wat een zin, heb ik dien
geschreven ? » Tableau ! Dat is soort 4.
Soort 2 begrijpen we nu ook gemakkelijk. Ik schrijf
— 22 —
van een gewilde uiting automatisch de woorden neer, maar
ik denk al aan het volgende. Op een gegeven oogenblik
krijgt nu (dikwijls door de versterkende gelijkenis met
het juist geschreven woord) een der woordbeelden, die
beantwoorden aan onze gedachte plotseling meer energie
dan al het overige en.... de voorstelling wordt beweging:
wij schrijven het neer, ongewild maar niet lang onbewust^
spoedig merken wij die insubordinatie, en de wil her-
neemt weer zijn gezag.
Soort I heeft verder ook niets meer om het lijf. Aan
de rij klankvoorstellingen : Hoe maak je het? of Hoe
maken ^e het thuis? enz. is door ervaringsassociatie een
energieke spreek voorstelling Goed! geassocieerd (i). En die
energieke voorstelling zet zich nu onmiddellijk in effec-
tieve beweging om.
266. Al onze bewegingen dus, die wij althans ooit
met bewustzijn hebben uitgevoerd berusten op het l^ be-
ginsel. Zoowel de vrije als de automatische.
Hierin verschillen echter de vrije akten van de automa-
tische, dat voor de eerste altijd eene nieuwe bewuste synthese
gevorderd wordt. Bij een nieuwe akt toch moeten wij aller-
lei elementen van nieuwe omstandigheden en oude bewe-
gingsvoorstellingen bijeenschikken tot dit nieuwe complex.
En dat doen wij natuurlijk in de gelijktijdige maar hiër-
archische beaming dier voorstellingselementen (2). Voor de
beweging zelf zorgt dan de ideo-dynamische wet.
Bij de automatische handelingen echter wordt de bewuste
(i) Op de verschillende energie die aan dezelfde voorstelling in
de verschillende associatieve reeksen toekomt, is nog veel te weinig
gelet.
(2) Dat dit gedeeltelijk een realiteitsbeaming (van de nieuwe om-
standigheden) gedeeltelijk eene potentialiteitsbeaming (van de gewilde
beweging) is, begrijpt de aandachtige lezer van ons derde hoofdstuk
wel van zelf.
— 23 —
en bemoeiing-kostende synthese door al-of-niet- bewuste
maar in elk geval zonder-onze-bemoeiing-werkende associatie
vervangen.
Wat aanvankelijk de synthese deed, vermag nu de uit de
synthese geboren associatie, krachtens ons III<1« beginsel (i).
De secundaire taaleenheden.
266. Welnu in onze twee vorige hoofdstukken behan-
delden wij uitingen, spreekbewegingen, die, willekeurig
als ze aanvankelijk allemaal geweest zijn, dus behalve van
de beaming en het gevoel ook nog het gevolg waren van
zoo'n nieuwe bewuste synthese.
En dat waren ze niet alleen aanvankelijk^ maar dat zijn ze
nog TJ&ex dikwijls : Één gevoel of beaming, één wilsakt, één
woord (b. V. on^inl in het boven aangehaalde voorbeeld).
En toch zoo zijn de meeste der woorden, die wij dage-
lijks gebruiken, niet.
Want een kind begint zeker ook met zin woorden, maar
weldra neemt het ook een toestand of scène waar, waarvan
het twee deelen afzonderlijk kan benoemen, en die het zich
toch heelemaal in eens bewust is.
En dan komen er twee woorden los voor één (2).
Of ook het neemt iets waar, dat het kan benoemen,
en er werkt een gelijkenisassociatie met een andere waar-
neming gewekt. Één gelijktijdige beaming en toch.... Er
komen wederom twee woorden los voor één (3).
(i) Hoe krachtens het Ildc beginsel ook de loutere inertie iets
dergelijks vermag zullen wij later in talrijke voorbeelden zien.
(3) B. V. : huta-ass. baby-man, Papa-hut, zie Meumann : Die
Sprache des Kindes, t. a. p. resp. blz. 62, 64, 68. Vergelijk ook
boven n'« 25 en 26.
(3) B. V. : mama-bè, Ilda-bé, baby-dollar. Ibidem, blz. 64-63.
Ik weet niet of Dittrich, die deze verdeeling eigenlijk voor de
— 24 -
Bij ons, ontwikkelde volwassenen, zien wij hetzelfde, maar
in veel gecompliceerder wijze. Hoe dit zoo gekomen is?
Door onze vier beginselen. De bizonderheden van dezen
ontwikkelingsgang, die over eeuwen loopt — want in onze
taal leven de producten van eeuwen geestes-arbeid — tot
in fijnigheden na te gaan is niet het eerst-noodzakelijke
werk.
Vóór alles moeten we nauwkeurig toezien, waartoe wij
gekomen zijn, hoe het op 't oogenblik is, of liever hoe
het is en was in al de taalperioden, die liggen binnen
het bereik van ons arbeidsveld.
Het is toch mijns inziens het groote desideratum der
taali^etenscliap : voor alle talen ^ en voor elke periode
van elk dier talen te weten welke aanvankelijk-afion-
derlijke beamingen en gevoelens tot een éénheid :(ijn ge-
worden in het bewustzijn van het volwassen normale
individu (i).
Want, hebben wij in ons 3<*« en 4<i« Hoofdstuk gezien,
dat de enkelvoudige beaming en het enkelvoudig gevoel
de oorzaak waren van : wat wij kortweg, de verschijn-
selen der primaire taalperiode noemen willen — elk woord
is dan een beaming of een gevoel en wordt afzonderlijk
als zoodanig gewild en verstaan — in dit hoofdstuk zullen
wij bewijzen : dat de secundaire eenheden uit aanvankelijk
afzonderlijke beamingen en gevoelens, vooral door ons
in<le beginsel voortgekomen, naast de primaire eenheden,
die min oj meer blijven, de alles-afdoende psychologische
oorzaken worden der secundaire taalperiode — niet alle
composita alleen bedoelde (Zeitschr. f. Romanische Philologie, 22,
1898, blz. 441) zelf ook al gemerkt heeft, dat al de tweeledige zinnen
der kindertaal zich gemakkelijk in zijne kategorieën van Wahrneh-
mungs- en Erinnerungscomposita laten onderbrengen.
(i) J. RiES : Wast ist Syntax ? Ein kritischer Versuch, Mar-
burg, 1894, blz. i38.
— 25 —
woorden beteekenen dan nog iets op zich zelve, niet alle
woorden worden dan nog in hun afzonderlijke functie
gewild en verstaan, men uit zich en begrijpt elkaar veel
meer door woordcomplexen — .
267. Wat zijn nu die woordcomplexen in onze talen?
Sommigen meenen : de \in. Maar wat is dan toch een
zin? Een zin (in de beteekenis van het alledaagsche spraak-
gebruik) is eene opvolging van woorden, die min of meer
volkomen door leesteekens wordt ingesloten. Dat is de
éénige definitie, die steek houdt en alle gevallen billijkt,
waarin iedereen dagelijks het woord gebruikt.
Welnu, deze \%n is niet de secundaire taaleenheid, waar-
naar wij zoeken.
Anderen meenen : de samenstelling. Maar wat is dan
toch een samenstelling? Een samenstelling (in de betee-
kenis van het algemeen spraakgebruik) is een opeenvol-
ging van woorden die in ons letterschrift aaneengeschreven
worden. Dat is de éénige definitie, die steek houdt en
alle gevallen billijkt waarin dit woord overal wordt gebruikt.
Welnu ook deze samenstelling is de secundaire taal-
eenheid, waarnaar wij zoeken, niet.
Wij meenen ten slotte : de constructie (i). Maar wat is
een constructie? Een constructie (in de beteekenis van het
gemeen talig spraakgebruik) is een groep van woorden, die
al of niet op elkander volgen, al of niet worden aan-
eengeschreven en al of niet door leesteekens zijn gescheiden,
maar die toch bij elkander hooren, en dit door weder-
keerigen invloed van vorm of beteekenis allerduidelijkst
(i) RiES gebruikt den nieuwen Duitschen naam « Wortgefüge ».
Ten eetste heeft constructie oudere brieven en verstaat het zelfs elke
schooljongen, ten tweede is het een woord dat in allerlei moderne
talen gangbaar is. In wetenschappelijke zaken van algemeene strek-
king is het toch een plicht daarnaar te streven, en taalzuivering uit
den booze.
- 26 -
toonen. Dit is on^e voorloopige definitie, en als ik mij
niet vergis, de eerste wetenschappelijke poging om dit
begrip nader te verklaren ; ik heb er althans nergens eene
bepaling van gevonden.
Welnu, deze constructie is de secundaire taaleenheid
waarnaar wij zoeken weL
268 De mannen van de phonetiek, b v. Sweet en
SiEVERS (i) hadden ook buiten het woord en den zin reeds
een taaleenheid gevonden, die zij Stress-group of Sprech-
takt noemden en Sievers gaf daarvan reeds eene bepaling
die psychologisch gegrond mag heeten (2) : « Eine solche
Gruppe ist gewissermassen eine zusammengesetzte rhyth-
mische Figur, nach deren Ablauf, ganz wie beim Tanz,
eine neue &hnliche oder gleiche Figur sich anschliessen
kann. Jede neue Figur set^ft mit einem eigenen Willens-
impuls ein, der sich au f die Gesammtgruppe erstreckt,
und dieser neue Einsatz macht sich in einem deutlicheren
Einschnitt in der Exspiration geitend ». Men ziet de onder-
streepte woorden beantwoorden wonderwel aan de secun-
daire eenheid die wij zoeken.
De voorbeelden echter, waarin deze leer wordt toege-
licht zijn er niet op gekozen haar nu juist veel aanhangers
te bezorgen. In het afdeelen toch der groepen blijkt alles
subjectief te zijn, en de groote moeilijkheid hierin schuilend
geeft Sievers dan ook in § 616 onomwonden toe.
269. HiRT nam in zijn boek over het accent (3) den
Sieverschen Sprechtakt weer op, en hoewel hij er geen
nieuwe definitie van geeft, maar zich eenvoudig op de
behandeling bij Sievers beroept, ligt er toch in zijne
opvatting een besliste vooruitgang.
(i) Eduard Sievers : Grundi^üge der Phonetik*, Leipzig, 1893.
§ 584 vlgd.
(2) Ibidem, g 585.
(3) Herman Hirt : Der Indogermanische Aks^ent, Strassburg, 1895.
blz. 392.
— 27 —
Terwijl Sievers toch behalve het essentieel psycholo-
gische kenmerk van den nieuwen wils-impuls niets on-
derscheidends aangaf dan een merkbare markeering van
het expiratorisch accent, die gelijk wij zagen nu niet zoo
heel duidelijk blijkt, geeft Hirt ons eenige vaste groepen,
die in het Indogermaansch zulke eenheden vormden (i).
10 Verbum (of iets dergelijks) + vocatief.
2° Prae- en postposities of negaties -|- verbum of nomen
of pronomen.
3^ Verbum + subject, object of bepaling.
40 Gecoördineerde substantieven, telwoorden, praepo-
sities.
5® Gesubordineerde groepen b. v. adjectief of casus
obliquus + substantief.
6* Demonstrativa + nomen.
70 *t Eerste woord van den zin -|- partikel (2).
Zijn heele verhandeling over het « Satz-akzent » (3) gaat
over de plaats van het accent in deze groepen. Over het
accent van den ^in vindt men er, gelijk hij zelf erkent (4),
eenvoudig niets. Maar waarom dan de titel « Satz-akzent » ?
Men vindt dezelfde inconsequentie bij alle latere Indo-
germanisten terug. Om zeer begrijpelijke reden trouwens,
wij wilden dit hier alleen aanstippen, en komen er nog
op terug.
Alleen dit zij ook nog opgemerkt en diene ons tot
overgang : Hirt rangschikt, gelijk hij op blz. 168-69
uitdrukkelijk en terecht verklaart ook de samenstellingen
onder deze groepen, en behandelt ze onder het Sat^-
ak:{ent. Maar is een samenstelling dan een zin ? 't Is weer
(i) Henry Sweet : A new English Grammar, Oxford, 1892, I,
blz. 286 vlgd., had dat ook al voor het Engelsch gedaan, maar
zeer onvolledig.
(2) Later zullen wij zien, dat dit laatste geval in een geheel ander
kader hoort.
(3) Hirt, t. a. p., blz. 290-326.
(4) Ibidem, blz. 392-93.
— 28 —
maar een vraag net als boven. Geen aanmerking op Hirt,
maar een aanloopje voor ons betoog net als in n»" 266
die noot over Dittrich.
270. Over de samenstellingen is in de laatste jaren
heel wat te doen geweest. Om nu van het vrij -onschuldig
dispuut tusschen Brugmann (i) en Paul (2) maar te zwij-
gen — immers, wie van beiden het moge gewonnen hebben,
we komen er geen stap verder mee, en zoo gauw we een
stap verder zijn, zullen we merken, meen ik, dat zoowel
beiden als geen van beiden gelijk hadden — hieromtrent
is door WuNDT eene gedachte ontwikkeld, die aller aan-
dacht ten volle verdient en dan ook bijna overal terecht
met instemming aanvaard is.
WuNDT namelijk komt in verzet tegen de grondwet der
samenstellingen : a dat de beide leden aan elkander moeten
geschreven worden, en vlak op elkander moeten volgen ».
Termen of geen termen, — zegt hij naar aanleiding der
scheidbare werkwoorden — aan het Jeit dat zulke verba in
den vollen zin des woords samenstellingen zijn. kan het
feit dat ze in den zin kunnen uiteenvallen, niets ver-
anderen (3).
Tot deze dagheldere maar radikale conclusie was hij,
behalve door het taalgevoel, dat hier zelf ook duidelijk
spreekt, gekomen door een consequente toepassing zijner
definitie van samenstellingen, die niets anders vraagt dan
dat de beamingen der samenstellende deelen in ééne
beaming worden samengevat (4), dus identiek met onze
(x) Karl Brugmann : Ueber das Wesen der sogenanten Wort-
!^usammensetJ(ung, Eine Sprachpsychologische Studie, Berichte ü. d.
Verhandl. d. Sachs. Ges. d. Wissenschaften, Philol. Hist. KI. End.
52, 1900, blz. 359 vlgd.
(2) H. Paul : Das Wesen der Wort:^usammenset^ung, IF. 14, 1903,
blz. 25i vlgd. Vgl. nog Brugmann : Xwr^e vergl. Grammatik, blz.
288-89, noot.
(3) Die Sprache, I, blz. 6i3.
(4) Ibidem, I, blz. 611.
— 29 -
secundaire eenheid. Zoo zijn, om alvast een paar voor-
beelden te geven, het lat. ne.... quidem en fra. ne.... pas
even goed een psychologische eenheid als het lat. neuter
(uit ne -|- uter) en het nl. geen (uit nech -|- een).
Zoo ligt dus de meening van Sievers betreffende den
Sprechtakt, die uit moet zijn, eer dat er een nieuwe be-
gint, hopeloos verloren,
271. Maar ook het psychologische deel zijner definitie,
dat wij zoo volmondig beaamden, schijnt gevaar te loopen.
Hoe kunnen wij toch met één wilsakt twee dingen
willen, die soms tamelijk lang na elkander komen en
tusschen welke weer nieuwe wilsakten worden verwekt en
uitgevoerd ?
En toch dit is zeer goed mogelijk. Nemen wij een een-
voudig voorbeeld, dat wij allen dagelijks meermalen kunnen
ondervinden. De schrijfbeweging van de letter i bestaat
uit twee afzonderlijke verrichtingen : de haal i en de punt
er boven op. Komt nu zoo*n letter / in het begin van
een tamelijk groot woord, dan hebben de meesten niet
de gewoonte het woord af te breken, maar schrijven het
eerst heelemaal uit, en komen dan even met de pen terug
om de punt op de / te zetten. Aanvankelijk zijn dat zeker
twee wilsakten, maar bij menschen die veel schrijven is
dat weldra geen tweeledig werk meer. Ze willen niet apart
den haal en een eindje daarna apart de punt, maar ze
willen eenvoudig die i schrijven. Nu schrijven ze op *t
oogenblik der wilsakt den haal, gaan dan verder en wil-
len letter voor letter het heele woord af, en daarna volgt
vanzelf de punt op de z. M. a. w. Wij hebben in ééns
gewild, 't een nu aanstonds, en *t ander op een termijn.
En zoodra zich eene leegte als geschikte gelegenheid aan-
bood werd de toch heusch een oogenblik van te voren
gewilde handeling nu onbewust dus ook nu niet uitdruk-
kelijk gewild, volbracht.
— 3o ^
Het willen op een termijn is geen uitvindig van mij,
al is er nog weinig op gewezen. Tal van pathologische
feiten hebt>en deze eigenaardigheid in het helderste licht
geplaatst. Zoo b. v. bij Pibrrb Janet : V automatisme
psychologique, t. a. p., blz. 249 vlgd. en passim.
Al hebben wij dus van Wundt geleerd, dat onze een-
heden uit meer woorden kunnen bestaan die in den zin
soms tamelijk ver uiteen vallen, wij mogen nog gerust
de definitie van Sievers handhaven, dat ze alle met één
eigen wils-impuls worden ingezet, die in eens de heele
groep omvat.
272. Maar Wundt brengt ons ook schijnbaar in tegen-
spraak met hetgeen wij van Hirts betoog meenden te
kunnen gebruiken. Wij namen toch van hem aan, dat
zijne groepen aan de definitie van Sievbrs beantwoordden
en dus behalve de ééne ongedeelde wilsakt, ook nog de
eenheid van accent tot kenmerk hadden. Maar nu zegt
hij zelf op blz. 3o8, dat deze eenheid van accent « na-
tuurlijk alleen mogelijk is, als het eene lid aan het andere
onmiddellijk voorafgaat». Dus in geen geval groepen met
intei-vallen.
En toch ook deze verwikkeling is weer in der minne
te schikken. Op die blz. 3o8 is bij voorkeur weer spraak
van praepositioneele verba, o. a oind. épagacchati, lat.
conficio (uit cón-facio). Nu moeten we Hirt zeker toe-
geven, dat zóó'n accent verzwakking als hier /acib vlak na
het hoofdaccent trof, zeker bij scheiding niet zou zijn
voorgekomen als blijkt uit
ób-vos-sacro naast óbsecro vos
süb-vos-plêico » süpplico vos
trdnsque-dató » traditóque
maar dat het werkwoord hier evenwel lager of minder
betoond was dan de praepositie, en er dus tóch een
accentueele eenheid mee vormt blijkt uit
— 3i -
I en hij valt af
oind. Apa-ca-ti§tï^ati
got. ab-uh-standip (i)
volkomen parallel met transque-dato, en
oind. sém-ma-tapanti zij kwellen mij
oind. üpa-nö-yahi komt tot ons
oier. fu-m-rése (uit fo-riuth) hij zal mij helpen
Ut. pa-mi-rodik laat mij zien
got. ga-u-hwa-sêhwi of hij iets zag (2)
overeenkomend met ob-vös-sacro.
Trouwens onze eigen Nederlandsche ondervinding leert
het ons : In uitvinden is dé enclise van vinden het sterkst,
al zwakker in uitgevonden, nóg zwakker maar toch nog
duidelijk voelbaar in : (Wié) vond (de boekdrukkunst) uit?
Er mag dus tusschenstaan wat wil, dat geeft, gelijk wij
verder zullen zien, natuurlijk complicaties, maar geen
tegenspraak met het gevonden kenmerk : de eenheid van
accent. En dit is zoo niet alleen in het NI. maar in alle
talen, waar nog scheidbare werkwoorden voorkomen. Voor
het Indisch moge hier een citaat uit het juist aangehaalde
artikel van Windisch volstaan : lm Rgveda kann zwischen
der Praposition und der Verbalform nicht nur das pro-
nominale Objekt sondern auch Attribute desselben, ein
Vokativ, das Subjekt u. A. m. zwischenstehen, so dass
bisweilen der gan\e Sat\ in einem solchen Kompositum
beschlossen is.
Dit is een zin die te denken geeft.
(i) Fr. Klugk : Zur altgermanischen Sprachgeschichte, KZ.,
i883, 26, blz. 80. In dit artikel staan nog vele andere feiten, die
door onze constructie-leer hunne oorzakelijke verklaring vinden,
meen ik.
(2) E. Windisch : Pronomen infixum im Altirischen und im Rgveda,
IF. 14, 1903, blz. 420 vlgd.; H. d'ARBois de J ubainville ; L'inflxation
du substantif et du pronotn. MSL , X, 1898, blz. 283.
— 32 —
278. Want Jacobi heeft toch in zijn boek, dat reeds
meermalen door ons gebruikt is, voldoende bewezen,
dat vele composita uit bijzinnen zijn ontstaan. Wat mag
daarvan de reden zijn? Isoleering ? ( r ) maar elke bijzin is
al geïsoleerd ; verandering van beteekenis ? (2) maar daar
is in de tallooze voorbeelden niets van te bespeuren en
Jacobi verklaart het uitdrukkelijk (blz. io6) : « Das Com-
positum sagt nichts weiter aus, als was durch die beiden
Bestandteile, nachdem sie mit den Endungen bekleidet
sind, ausgedrückt wird.. . Wenn das Compositum einen
anderen begrifflichen Inhalt hat als bei seiner Auflösung,
so hSngt das nicht von der Composition sondern davon
ab, dass das Compositum wie jedes andere Wort seine
individuelle Bedeutungsentwickelung ha ben kann. »
Maar daar moet toch de een of andere reden zijn,
waarom nu juist bijzinnen zoo gemakkelijk tot composita
worden. Om deze reden gemakkelijker te achterhalen moe-
ten wij er ook aanstonds aan toevoegen, dat tusschen-
zinnen en de allereenvoudigste hoofdzinnen denzelfden
trek gemeen hebben (3), tusschenzinnen waren aanvanke-
lijk toch : nl. misschien (mag schien), hd. weisgott, mhd.
neizwaz, theist, engl. a would-be gentleman, fr. peut-être,
(i) De meening van Paul in 't boven aangehaalde dispuut.
(2) Dito dito van Brugmann.
(3) Reeds Wundt [Die Sprache, I, blz. 620) wees ook op over-
eenkomsten tusschen zin en samenstelling, trouwens zijne definities
van beide gelijken bedenkelijk op elkander. O. Dittrich heeft deze
moeilijkheid goed gezien en haar trachten uit den weg te ruimen
door in plaats van Gesammtvorstellung in de zindeünitie Thatbestand
en in de Compositum definitie Thatbestandstheil te zetten. En de
bijzinnen dan? Trouwens dit heele artikel is niets dan een talentvol
jurare in verba magistri. Philos. Studiën, XIX, 1902, blz. 93 vlgd. :
Die Sprachwissenschaftliche Definition der Begriffe « Satz » und
« Syntax ». De bedoelde plaats op blz. i23.
— 33 —
lat. vidëlicet, nudiustertius, quamvis, enz. (i). Eenvoudige
hoofdzinnen zijn de persoonsvormen van het ww. die
zeker niet alle, maar toch even zeker ook in grooten ge-
tale door samenstelling uit den verbaalstam en het pronomen
zijn ontstaan.
Welnu, wat is de reden hiervan? Men voorziet mijn
antwoord reeds, 't zijn alle voorbeelden van de secundaire
eenheid, die wij zoeken.
274. Zoo kom ik echter op het terrein van den vol-
zin, en gelijk we bij den Sprechtakt en de composita
deden, moeten wij nu ook hier zien met de theorieën
der laatste jaren ons voordeel te doen.
De nieuwe leer van den volzin, gelijk die door Wundt
en Morris onafhankelijk van elkander gevonden is, gaat
in den grond der zaak terug op William James.
Bij diens behandeling toch der Feelings of Tendency,
vinden wij het volgende (2) :
What is that first instantaneous glimpse of some one's
meaning which we have, when in vulgar phrase we say
we (( twig j) it? Surely an altogether specific affection of
our mind. And has the reader never asked him self what
kind of a mental fact is his intention of saying a thing
before he has said it? It is an entirely definite inten-
tion, distinct from all other intentions, an absolutely
distinct state of consciousness,.... Linger, and the words
and things come into the mind; the anticipatory inten-
tion is there no more. But as the words that replace it
arrive, it welcomes them successively and calls them right,
if they agree with it, it rejects them and calls them wrong
(i) Cf. Paul : Pnnf zp/en 3, blz. 3o3.
Voor het fra. zie men een systematische bijeenstelling met talrijke
bewijsplaatsen bij Lars Lindberg : Les locuiions verbales figées,
Upsala, 1898.
(2) William ]amss: Psychology^ t. a. p., I, blz. 253 vlgd.
8
- 34 -
if they do not. It has therefore a nature of its own of
the most positive sort, and yet what can we say about
it without using words that belong to the later mental
facts that replace it? The intention tO'Say-so-and'SO is
the only name it can receive.
We hebben hier niets dan fijne zelfobsei*vatie . Bijna
alles wat de « Gesammtvorstellung » van Wundt en het
germ-concept van Morris (i) aan nuttigs voor de taal-
wetenschap bevatten is hier reeds duidelijk gezegd.
275. Maar Wundt was zelfs de eerste niet, die deze
waarheid als definitie van den volzin invoerde. Georg von
DER Gabelentz gaf toch reeds in 1891. Die Sprachwis-
senschaft\ blz. 481 van de eenvoudige praedicatie deze
karakteristiek : Der Geist zerlegt die Gesammtvorstellung
in ihre Theile und baut sie daraus wieder auf. Seien
dieser noch so viele, seien die Vorstellungen noch so
abstract, handle es sich urn das Gewirr einer Strassenscene
oder um einen wissenschaftlichen Lehrsatz : immer ist es
ein einheitliches Bild, das dem Geiste vorschwebt, das er
zergliedern muss, ehe er es in sprachlicher Synthese nach-
bilden kann.
Veel minder juist en scherp dan de analyse van James,
nadert deze uiteenzetting al zeer dicht bij Wundt zonder
evenwel in dezelfde overdrijving te vervallen (2).
276. Wundt heeft in elk geval de verdienste deze
gedachte te hebben doorgedacht, en al heeft hij ze te ver
doorgedacht, dit was waarschijnlijk het eenige middel om
tot de waarheid te komen.
(i) E. P. Morris: On Principles and Meihods in Latin Syntax ^
New-York, 1901, blz. 39.
(2) Zie de uitzondering die v. d. Gabelentz maakt : Die Sprach-
wissenschaft^^ blz. 32i, (waarschijnlijk ook reeds in zijne eerste editie,
omtrent blz. 3oo, die ik naderhand niet meer na kon slaan).
— 35 —
Nemen wij eerst ook {ifn analyse over : (i) In dem
Moment, wo ich einen Satz beginne, steht das Ganze
desselben bereits als eine Gesammtvorstellung in meinem
Bewusstein. Dabei pflegt diese aber nur in ihren Haupt-
umrissen einigermassen fester geformt zu sein; alle ihre
Bestandtheile sind zunUchst noch dunkel und heben sich
erst in dem Masse, als sie sich zu klaren Vorstellungen
verdichten, als Einzelworte ab. Der Vorgang gleicht un-
gefiahr dem bei der plötzlichen Erleuchtung eines zusam-
mengesetzten Bildes, wo man zuerst nur einen ungeföhren
Eindruck vom Ganzen hat, dann aber successiv die ein-
zelnen Theile, immer in ihrer Beziehung zum Ganzen,
ins Auge fasst.
277. De aandachtige lezer heeft waarschijnlijk het diep-
ingrijpend verschil tusschen James* en Wundt's analyse
al in het vage gevoeld.
Tegenover de « enürely definite intention tO'Say-so-and-
$0 » van James staat « nur ein ungefdhrer Eindruck^ der
nur in seinen Hauptumrissen^nigermassen fester geformt
lu sein pflegt » van Wundt.
En terwijl bij James « the intention » duidelijk genoeg
den heelen zin beheerscht om de komende woorden goed
of slecht te heeten ; wordt de a Eindruck » van Wundt
juist omgekeerd pas bij de a Einzelworte » klaar.
En toch, wij werden het bij 't indenken in beider ont-
leding gewaar : Beiden hebben gelijk van hun standpunt.
Maar dan moet noodwendig het standpunt verschillend
zijn. En dat blijkt nu ook duidelijk :
Wundt analyseert ^ijn geestestoestand vóór het neer-
schrijven of uitspreken van ^ijn eigen Duitsche dooreen-
geslingerde perioden,
James heeft ^ich \elf bespied vóór het neerwerpen of
(i) Die Sprache, I, blz. 563.
— 36 —
eruit-springen van zijn korte gevleugelde kinnetjes, die,
ook al vereenigen zij zich soms tot een soort hoogere
eenheid, toch vooral door zich zelf blijven spreken, uit
de kordate individualiteit van hun Amerikaanschen geest.
Wat is dus de Gesammtvorstellung bij Wündt? Het ge-
voel, dat er verschillende beamingen op komst zijn.
Wat is dus de intention bij James? Één effectieve be-
aming die gewoonlijk meer dan één woord noodig heeft.
En wat is dus onze conclusie?
Dat niet de vol^in^ de periode, die Wundt definieert;
maar dat de allereenvoudigste ^innetjes, die James op het
oog heeft, wederom de secundaire eenheden zijn, die wij
zoeken.
278. Dit komt trouwens uitstekend overeen, met het-
geen wij van Jacobi bij de samenstellingen aangaande de
bijzinnen en eenvoudige hoofdzinnen leerden, daar James
de aangehaalde analyse bezigt, om de beteekenis der
voegwoorden te verduidelijken, die toch gewoonlijk slechts
eenvoudige hoofd- en bijzinnen verbinden.
Verder heeft ook Wündt zelf op tal van plaatsen ge-
voeld, dat hij met van het woord in eens op ^ijne periode
over te springen, eene taaleenheid oversloeg. Dit zien wij
vooral in Band II, blz Sog volgende, waar de evidentie
hem zelfs een onderscheid afdwingt tusschen zijne « ge-
schlossene und offene Wortverbindungen ». Het volstrekte
gemis aan positieve resultaten in de 200 bladzijden over
Satzfügung moge hier ten slotte als afdoend bewijs zijner
misvatting volstaan.
Morris (i) is niet in hetzelfde euvel vervallen Hij maakte
uitdrukkelijk onderscheid tusschen zinnen en zinnen In
tusschenzinnen en bijzinnen is de éénheid van beaming
en wilsakt zeer duidelijk, zegt hij, maar in de grootere
(i) E. P. Morris : Onprinciples attdmcthods, t a. p., blz, i83, 191, enz.
- 37 -
hoofdzinnen vindt hij alles veel vager, en durft hij niets
met beslistheid zeggen.
Wunderlich(i) tastte beter door en zette het diepgaand
verschil, althans voor bijzin en hoofdzin-met-bijzinnen
kort en duidelijk uiteen : Am Hauptsatz ar beiten Bewusst-
sein und Sprache fast gleichzeitig, beim Nebensatz geht
das erstere der zweiten vorher, d. h. der Hauptsatz baut
sich in einzelnen Momenten vor dem Hörer (2) auf, der
Nebensatz schiebt, seiner Grundlage nach, abgeschlossene
Vorstellungsreihen dazwischen, mit denen der Hauptsatz
als mit einer Einheit operiert. Schon hieraus ergiebt sich
die veranderte RoUe, die das Verbum im Haupt- und im
Nebensatze spielt : für den Hauptsatz ist es im grossen
und ganzen ein Moment wie andere auch, das je nach
den Umstanden in der Stellung mit den anderen wech-
selt; im Nebensatze aber ist es der Trager des Einheits-
gedankens, die Unterlage aller Bestimmungen, die schon
deshalb nach einem deutschen Gesetz, das wir auch sonst-
wie belegen können, die Reihe schliesst.
279. De zin, gelijk Wundt hem definieert is dus niety
gelijk hij meent, de primaire taaleenheid. Verrevandaar.
Maar een tertiaire gevoels-samenvatting van secundaire
eenheden, waarop wij later nog even terugkomen.
Wij echter hebben uit den chaos van meeningen over
Sprechtakt, samenstelling en zin, een overal terugkeerende
eigenaardigheid gevonden : onze secundaire éénheid van
beaming, die wij nu vollediger dan boven kunnen defi-
nieeren en beschrijven.
(i) Herman Wunderlich ; Der deutsche Sat^bau^, Stuttgart, 190 1,
I, blz. 404.
(2) Hoe hier de Hörer plotseling in het veld gevoerd wordt,
verklaar ik evenwel niet te begrijpen. Zoowel in hoofd- als bijzin
loopt bij den verstaander toch het begrijpen met het hooren parallel.
Alles wat hier gezegd wordt geldt zoo klaarblijkelijk den spreker
alleen, dat ik aan een kleine onachtzaamheid ben gaan denken.
— 38 —
Onze definitieve definitie van de secundaire taaleenheid
of constructie omvat dus vier bepalingen :
van SiEVERS hielden wij het kenmerk aan : één wilsakte,
van HiRT : de éénheid van accent,
van WuNDT : de mogelijkheid van Kontakt- en Distanzstellung,
van James, Morris en Wunderlich : de éénheid van beaming.
280. Ziet er dit resultaat aanvankelijk wat poover uit,
bij nadere overweging zal men bemerken, dat er in deze
vier gevallen genoeg kenmerken liggen opgesloten, om in
elke taal, die wij eenigszins volledig kennen, al de woord-
complexen op te zoeken, die aan zoo'n secundaire psy-
chische eenheid beantwoorden. En om de proef op de
som te hebben, heb ik mij zelf langen tijd in dit onder-
zoek verdiept. Evenwel de resultaten hiervan passen niet
in deze « Grondbeginselen », zij verschillen voor elke
periode. Maar wat blijft en algemeen bleek, is deze fun-
damenteele wet :
Alle ongewilde historische taalveranderingen, zoo*
^rel klankverschuivingen in den algemeensten zin,
zoo^wel beteekenis- en ftinctieontwikkelingen zoo ruim
mogeiyk opgevat, als ten slotte alle wisselingen van
groepeering en ^roordschikking, vertoonen zich alleen
en uitsluitend in deze zoo gedefinieerde constructies,
daar al die veranderingen niets dan gevolgen zQn van
onze vier vooropgestelde wetten van psychologisch
automatisme.
En ddt zullen wij ter dege bewijzen.
Daarbij komen natuurlijk de onderzoekingen naar de
bestaande constructies in de verschillende talen ons uit-
stekend te pas, en bijwijlen zullen wij daar met eenigen
nadruk bij moeten stilstaan.
Meestal echter spreekt de eenheid der constructie van-
zelf, en kunnen we dus volstaan met te toonen, hoe al de
historische veranderingen uit onze automatismen voortkomen.
- 39 -
281. Ik kon hierbij drie indeelingen kiezen.
Ten eerste : volgens de vier kenmerken onzer construc-
tie; en deze had ik natuurlijk ook gevolgd in het onder-
zoek naar de constructies in de verschillende talen. Hier
echter kon van deze indeeling geen sprake zijn, daar het
eerste kenmerk : éénheid pan wilsakte alle mogelijke geval-
len omvat ; immers juist in het feit : a dat wij elke nieuwe
constructie uitdrukkelijk en vrij willen, maar de afzon-
derlijke constructiedeelen overlaten aan het automatisme »,
ligt' de psychologische reden onzer juist geformuleerde
algemeene wet.
Ten tweede kon ik achtereenvolgens de vier beginselen
van psychologisch automatisme in al hurme gevolgen be-
handelen; en zoo was ik aanvankelijk begonnen. Maar
de tallooze herhalingen en verwijzingen naar voren en
naar achteren, maakten reeds de gemakkelijkste gedeelten
tot een doolhof voor het intellekt.
Ten slotte heb ik tot de meest uiterlijke en minst diepe
indeeling besloten, omdat alles zoo het gemakkelijkst te
volgen is. Ik behandel dan achtereenvolgens :
1 de vormveranderingen der constructiedeelen, of de
algemeene historische klankleer.
II de beteekenis- en functieveranderingen der construc-
tiedeelen, of de algemeene semasiologie.
III de groepeerings-veranderingen der constructiedeelen,
of de algemeene leer van de woordschikking (\).
In elk dezer drie afdeelingen komen achtereenvolgens
de vier wetten van het psychologisch automatisme in be-
handeling; verder komt bij de klankleer vooral de eenheid
van accent, bij de semasiologie de eenheid van beaming,
en bij de woordschikking ten slotte de mogelijkheid van
Kontakt- en Distanzstellung ter sprake.
. Zoo komt alles, meen ik, het best tot zijn recht.
(i) Men ziet het, de scheiding tusschen I en II mag zoo diep
zijn, als ze wil, III onderscheidt zich alleen uiterlijk van I. .
— 40
I. ALGEMEENE HISTORISCHE KLANKLEER.
Over het accent in het als:emeen.
282. Onder accent versta ik veel meer, dan men ge-
woonlijk met dit woord pleegt aan te duiden.
De rechtvaardiging dezer samenvatting van vele dingen,
die tot-nog-toe voor uiteenloopend werden gehouden, zal
natuurlijk moeten bestaan in het bewijs hunner eenzelvig-
heid, m. a. w. hunner gelijkende eigenaardigheden of
onderlinge overeenkomst.
Welnu, een spraakklank kan spraakklank blijven en toch
in minstens (i) vijf verschillende opzichten verschillen :
in klemtoon of intensiteit, in muzikaal accent of toon-
hoogte, in kwantiteit of toonduur, in de samenstelling
zijner muzikale nevenelementen of toonkleur, in het com-
plex van stemtrilling mond- en neusopening of de articulatie.
Anders gezegd : de eenvoudige spraakklank in het alge-
meen heeft vijf accidentia : intensiteit, toonhoogte, kwanti-
teit, toonkleur en articulatie.
288. Accent noem ik nu de meerdere psychische ener-
gie, die één klank boven een of meer andere heeft, en
die zich naar buiten toont door een dezer vijf Icwaliteiten
sterker te doen uitkomen.
In zake intensiteit onderscheiden zich zwak-hoorbare
van krachtig-uitgesproken klanken. De laatste hebben meer
psychische energie, en in casu, het intensiteits-accent.
Ten opzichte van den muzikalen toon, maken wij na-
tuurlijk verschil tusschen hooge en lage noten. Hooge
tonen hebben meer psychische energie, en in casu, het
muzikaal accent.
(i) Verderop zullen wij zien dat er onder deze vijf nog meerdere
zijn, die weer twee of meer duidelijk onderscheiden groepen vormen.
— 4ï -
In de beschouwing van de kwantiteit letten wij op korte
en lange klinkers of medeklinkers. Langere hebben meer
psychische energie, en in casu het kwantiteitsaccent.
Uit 't oogpunt van toonkleur, onderscheiden wij naar
de hoogte der vaste karakteristieke neventonen van Helm-
holz-König (i). Klinkers met hoogere vaste karakteristieke
neventonen hebben meer psychische energie, en in casu
het kleuraccent.
In de articulatie onderscheiden wij vooral naar de vol-
komenheid en de kracht van de mondsluiting, naar het
al of niet meetrillen der stembanden, naar de breedte van
het luchtkanaal : mond of neus. Mondklanken, stemlooze
klanken, en klanken met volkomen krachtige sluiting heb-
ben meer psychische energie, en in casu, het articulatie-
accent boven neusklanken, stemhebbende klanken, en zwak
of onvolkomen gesloten klanken.
Het woord accent zelf bewaren wij voor het algemeen
begrip : « psychische energie, die zich in de uitspraak
toont », dat alle vijf de soorten omvat.
En als wij dus over de eenheid van accent spreken,
dan bedoelen wij daarmee eene groep van spraakklanken,
die onderling in één of meer der genoemde accent-soorten
aanmerkelijk verschillen, en wel zóó verschillen, dat zij
samen eene golvende groep vormen met één hoogsten top.
284. Nu zijn die vijf soorten van accent evenwel niet
altijd even gemakkelijk te onderscheiden, daar om alvast
maar eenige mogelijkheden te noemen, de klemtoon meestal
toonhoogte medebrengt, en hoogte omgekeerd dikwijls in
(i) Of deze theorie wel strikt juist mag heeten, heeft voor onze
redeneerisg geen verder belang :
De volgorde is u, o, a, e, i ;
ongeveer : bes,, bes 5, bes 4, bes,, bes,.
Ééns vooral herinner ik er aan, dat ik met m, niet de Neder-
landsche « = « maar de hd. u = fra. ou = nl. oe bedoel.
— 4» —
nadruk overgaat. Zoo is dan ook b. v. een kwantiteits-
accent, louter en alleen ontstaan ter oorzake van inten-
siteits-accent secundair of mechanisch. Een spontaan op-
komend kleur-accent b. v. als in zig-zag is primair of
dynamisch. Alleen de primaire gevallen hebben natuurlijk
waarde in het onderzoek naar de diepere natuur en de
psychologische oorzaken van elk der vijf soorten.
286. Maar hoe zullen wij nu in al de bizondere ge-
vallen primaire van secundaire gevallen onderscheiden?
In het algemeen gezegd : Door juist dat materiaal te
gebruiken, dat tot nog toe bij alle mechanische verkla-
ringspogingen onverklaard is gebleven.
Dit moeten wij evenwel vooraf nog voor elk onzer vijf
accent-soorten wat nader toelichten.
286. Op de eerste plaats voor den nadruk of het
intensiteits-accent.
De talen, waar langzamerhand het muzikaal accent, op
dezelfde lettergrepen blijvend, in nadruk is overgegaan, val-
len natuurlijk onder sterke verdenking in hun nadruk meest
secundaire gevallen te vertoonen. Daarom moeten wij hier
b.v. het nieuw-Grieksch zeker mistrouwen. De talen daaren-
tegen, waar onafhankelijk van het oude muzikaal accent
een geheel nieuw intensiteits-accent optreedt, leveren in
dezen welkom materiaal, zoo b. v. het Germaansch.
Verder is de kwantiteit er uit haar natuur toe beschikt
om het intensiteits-accent tot zich te trekken (i). Langere
silben zullen wij dus minder betrouwen dan korte.
Eindelijk is ook het kleur-accent voor den nadruk niet
onverschillig. Jespersen heeft toch aan zeer sprekende
voorbeelden getoond dat de sonore vocalen (2) veel aan-
(i) Denk b. v. aan hd. lebéndig, en vergelijk Jespersen-Davidsen :
Lehrbuch der Phonetik, Leipzig-Berlin, 1904, § 225.
(2) Jespersen t a. p. § 225, § 192 vlgd. Vgl. Axel Kock : Die Alt-
und Neuschwedische Accentuierung, Strassburg, 1901, § 219-222.
- 43 -
trekkelijkheid voor den nadruk aan den dag leggen (i).
Zooveel het mogelijk is zullen wij dus het intensiteits-
accent van de minder sonore vocalen op den voorgrond
stellen; of ons althans nooit met sonore vocalen alleen
tevreden stellen.
Ten slotte hebben de stemlooze mondklanken eene
praedispositie tot exspiratorisch accent. (Dit zal men later
beter begrijpen.) Zelfde conclusie natuurlijk.
287. Op de tweede plaats voor den toon of het mu-
zikaal accent.
Dat de intensiteit al heel gemakkelijk den toon meetrekt,
ondervinden wij dagelijks (2). Voor de nieuwere talen
zullen wij dus in dezen vooral lettergrepen gebruiken met
muzikaal accent maar zonder nadruk.
Dat de kwantiteit in sommige gevallen het muzikaal accent
op zich aftrekt (3), of anders dichter naar ' zich toehaalt,
blijkt duidelijk uit de drie-silben-wet (in het Latijn) (4) en
Grieksch en uit Wheelers dactylen-wet. Wij zullen ons dus
te wachten hebben om conclusies te trekken uit het mu-
zikaal accent bij- of óp lange silben, als wij geen spre-
kende parallellen van korte silben in precies dezelfde om-
standigheden kunnen bijbrengen.
Eindelijk moeten wij ook hier weer met het kleur-accent
rekenen, daar de sonore vocalen niet alleen den nadruk,
maar ook den toon naar zich toe blijken te trekken.
(i) Zoo b. V. ohd. éo = nhd. je. lat. filiolu(m) : rom. filiólu, enz.
Zie nofy vele n-gri. voorbeelden bij Thumb. IF. 7, blz. 29 vlgd.
(2) Jespersen t. a. p. § 71, 232 en 247.
(3) Ook met deze mogelijkheid had men natuurlijk in de Idg. Ab-
lautstheorieën rekening moeten houden.
(4) Dat ook de Latijnsche drie-silben-wet nog in den tijd van het
muzikaal accent is opgekomen, lijkt mij volstrekt niet zeker, maar
toch wel te verdedigen. Zie J. Vendryes : Recherches sur Vinten-
sité initiale en latin. Paris, 1902, passim.
44
Want volkomen parallel met de boven aangehaalde over-
gangen van êo : je, en io tot ió, zijn oud-indische
mitriyas : mitryas, süvar : svar ; apsü-antér : ^B. dpsv-antar,
ogr. xapSi'a : lesb. xflipïa, enz. (i). Ook hier zullen wij
dus het muzikaal accent van minder-sonore vokalen op
den voorgrond stellen en waar wij de meer-sonore voka-
len niet kunnen missen telkens de mogelijkheid moeten
overwegen en uitsluiten, dat een uitgevallen of nog aan-
wezige minder-sonore vokaal op dat muzikale accent eigen-
lijk de oudste aanspraak had (2).
Ten slotte heeft het articulatie-accent de eigenaardig-
heid den muzikalen toon zoover mogelijk naar beneden
te drukken. Eene media b. v, heeft altijd een veel lager
muzikalen toon, dan de omgevende klinkers, terwijl de
nasalen in niets van den toon der omgeving afwijken (3).
Wij mogen dus niet te veel nadruk leggen op den lagen
toon der explosivae, maar daar is heel weinig gevaar voor,
daar de meesten tot nu toe niet aan den muzikalen toon
der medeklinkers gedacht hebben, en het experimenteel
onderzoek in dezen nog beginnen moet.
288. Op de derde plaats voor den toonduur of het
kwan titeitsaccen t .
(i) Brugmann, Grundriss I*, § 82, Anm. § 1047,3. Vergl. E. Leu-
MANN, KZ. 3i, blz. 24.
(21 Zoo zijn voorbeelden als SspxEjOai : opaxéTv, Xeiiretv : Xnceiv,
cpeuyeiv : (puyeiv, volstrekt niet geschikt om alleen den invloed van
den muzikalen toon op de Ablaut-stufe der silbe te bewijzen. Im-
mers een Idg. dfk-e, lipe-. bhüge- zou zeer gemakkelijk tot
drké-, lipé-, bhugé- kunnen worden.
Nog veel minder bewijzen fAo; : epaXiiv. Immers Idg. bjö
moest noodzakelijk in blé overgaan, daar hier geen andere klank
tusschen beide instond.
(3) G. Kallstenius : Vdrmldndska bdrgslagsmaletsljudldra, Up-
sala, 1902. Zie La Parole, 1903, blz. 336-38 Vergelijk trouwens
reeds Rousselot : Les modifications phonétiques du langage, t. a. p.
blz. 2o5, en A. Korlén : La Parole, 1902, blz. i2-i3.
- 45 -
Dat de nadruk bijna overal in open silben Irwantiteit
teweegbrengt hebben wij al meermalen herdacht. Om de
kwantiteit dus in hare primaire gevallen te onderzoeken,
mogen wij niet uitsluitend open lange silben met nadruk
gebruiken.
Verder heeft ook de toon, of het muzikaal accent de
bekende neiging om zich ten koste der vorige of volgende
silben een langere kwantiteit te verzekeren (i). Wij zullen
het hier dus voornamelijk weer bij onbetoonde lange silben
moeten zoeken, en waar wij betoonde lange willen bezi-
gen, telkens de mogelijkheid te overwegen hebben, of de
kwantiteit zich niet secundair ten koste van eene andere
silbe kan hebben ontwikkeld.
Ook is kwantiteit afhankelijk van het kleur-accent. Ernst
A. Meyer heeft toch door experimenteel-phonetische proe-
ven bewezen, dat de vocalen met hooge tongstelling (2)
ceteris paribus altijd korter zijn dan die met lage tong-
stelling (2), zóó zelfs dat b. v. de korte ce meestal langer
is dan de lange i (3). Wij zullen dus voorzichtig moeten
zijn met het kwantiteitsaccent als er b. v. een korte ce en
lange i in ééne toongroep staan, of in 't algemeen, als
wij klinkers van verschillende tongstelling in kwantiteit
met elkander zullen moeten vergelijken.
En ten slotte is het articulatie-accent de kwantiteit vol-
strekt niet gunstig, daar de tenues en mediae zelf altijd
korter duren dan spiranten (4) Als wij dus over de kwan-
titeit der medeklinkers spreken, moeten wij trachten al-
thans ook voorbeelden van lange tenues en mediae bij
(i) RoussELOT : Les modifications phonétiques du langage, t. a. p.,
blz, 207.
(2) i en u hebben de hoogste, a heeft de laagste tongstelling.
(3) E. A. Meyer : Englische Lautdauer, Upsala-Leipzig, 1903,
blz. 47.
(4) R0US8ELOT : Les modifications phonétiques du langage, t. a. p.»
blz. 145; Meyer : t. a. p., blz. 22.
- 46 -
te brengen, wat inderdaad zal blijken niet moeilijk te
zijn.
289. Op de vierde plaats voor de kleur of het kleur-
accent.
En wel vooreerst weer is de vocaalkleur afhankelijk van
den nadruk. Vooral de negatieve invloed is hier sterk :
de jongere Germaansche talen hebben de kleur van al hun
onbetoonde klinkers tot een neutrale 9 vervaagd, (i) Nu
is hier in 't algemeen wel weinig gevaar voor verwarring
met oorspronkelijken Ablaut, maar in het Litauwsch b. v.
wordt toch in sommige dialecten een ongeaccentueerde o
tot a, en een geaccentueerde a tot ö, om de eenvoudige
reden, dat zij geen korte o of lange a hebben. Dit en
dergelijke gevallen moeten wij dus bij ons primair on-
derzoek wederom zorgvuldig vermijden.
Verder is ook de toonkleur secundair afhankelijk van
de toonhoogte. Want al stem ik, om later te vermelden
redenen, niet in met Finck's toepassing der Flüsterstimme
op de Vóór-Idg. verzwakkingen (2), toch leeren wij uit
de moderne talen duidelijk genoeg, dat vooral de lage
silben dikwijls in fluistering overgaan, en dan alleen nog
als a, I of u kunnen worden waargenomen. Ook deze
overgangen kunnen ons dus niet dienen (wel den weg
wijzen misschien) om de primaire psychische oorzaken
van het kleur-accent of de kleur- variatie te achterhalen.
Ook van de kwantiteit. Want het is een algemeen er-
kend feit, dat lange klinkers meer gesloten worden, dus
(i) «Vergrijsd» zou hier nog juister uitdrukking zijn. Deze 9 toch
houdt zoowel het midden tusschen de helle en dofife b. v. e en o,
als tusschen de open en gesloten klinkers b. v. a en f, u. Dit is
een zeer opmerkelijk feit, waaxbij wij later nog moeten stilstaan.
(2) Franz Nikolaus Finck : Ueber das verhaltnis des baltisch-
slavischen nominalaccents jum urindogermanischen, Marburg, 1895,
blz. 28 vlgd.
— 47 —
f- of 2<-kleur aannemen (i). Alleen op lange klinkers mo-
gen we dus in dezen niet bouwen.
En niet minder ten slotte van de articulatie. Nasalen
toch kunnen den voorgaanden klinker nasaliseeren, en
daaruit volgt dan gewoonlijk wederom i- of «-kleur (2).
Voor eene theorie der vocaal-kleur alleen steunend op de
nasalen zullen wij ons dus ook hebben te wachten.
290. Op de vijfde plaats voor het articulatie-accent.
Hierop is ten eerste weer van invloed het intensiteits-
accent. Spoedig zullen wij toch zien dat het intensiteits-
accent der consonanten dikwijls bijna uitsluitend exspira-
torisch is. Welnu, dat een sterkere aandrang der lucht,
de zelfs energiek aangelegde tenuis tot een aspiraat kan
reduceeren is physisch zoo begrijpelijk mogelijk, en kun-
nen wij allen dagelijks ondervinden Geen articulatie-
theorie dus, alleen steunend op consonanten met exspi-
ratorisch accent.
Ten tweede is ook de toonhoogte hier weer van be-
lang, en wel voor het al-of-niet-stemhebbend-zijn der
consonanten. Voor het Grieksch zijn toch eenige gevallen
van stemlooze r bekend onmiddellijk na het muzikale
hoofdaccent, waar in andere omgeving eene stemhebbende
optreedt. Eveneens in het Iraansch, waarvoor wij toch
ook in den oudsten tijd gerust muzikaal accent mogen
aannemen (3).
(i) Denk slechts aan de Grieksche a : Attisch t) later i ; de
Grieksche co s= ao : thess. 00 later u. I-ange e en o vinden wij als
ei en ou. Kelt. B : i. Idg. ë en o : Arm. i en u.
(2) Lit. g, ^ : Oostl. dial. J, ^ : i, u. Idg. en. on : Arm. in, un.
Nperz. on, öm : ün, üm. Germ. an : WGerm. ö. Zie voor deze
twee gevallen van klinkersluiting : A. Meillet : D'un effet de V accent
de rintenstté; MSL. XI, 1900, blz. 170 vlgd,
(3) RoBERT Gauthiot : La lot de Vertier, MSL. XI, 1900,
bid. 193 vlgd. die hiermee, gelijk de titel al aangeeft, vooral de
- 48 -
Dus letten op de liquidae en aspiraten in consonant-
groepen en het muzikaal accent bij het-al-of-niet-stem-
hebben.
Ten derde kan ook de kwantiteit hier zijn invloed doen
gelden. Wij zullen toch zien, dat zoogenaamde dubbele
medeklinkers niets zijn dan medeklinkers met het kwan-
titeitsaccent, die echter door het verder uiteenvallen van
implosie en explosie, toch ook inderdaad twee medeklin-
kers mogen, genoemd worden Nu vertoonen dergelijke
dubbele medeklinkers dikwijls eene differentiatie (denk
maar Idg. tt : st of ts). Deze differentiatie zullen wij
echter dus dan alleen met zekerheid aan het articulatie-
accent mogen wijten, als er parallelle gevallen zijn, waar
twee niet-homorgane medeklinkers hetzelfde verschijnsel
vertoonen.
Ten slotte kan zich hier weer het kleuraccent doen
gevoelen. Het is toch een feit dat lichte klinkers de
voorafgaande gutturale tenuis tot een tsje-klank kunnen
verweeken, en tsje-klanken hebben, gelijk Rousselot be-
wees (i), slechts eene halve mondsluiting. Ook dergelijke
verweekingen mogen wij dus niet als een natuurlijke ver-
mindering van articulatie-accent in rekening brengen (2).
Is dus zoo mijn materiaal hinderend beperkt geworden,
onbetwistbaar heeft het daartegenover het voordeel van
streng wetenschappelijk geschift en zeer sprekend te zijn.
Bovendien is die beperking slechts voorloopig en van
Germaansche grammatische wisseling wil verklaren. Ten onrechte,
naar ik meen, vooral hierom, dat de r in het Grieksch en Iraansch
(en de eventueele Grieksche aspiraten) uitsluitend in consonant-^ro^cn
voorkomen, wat natuurlijk niet toevallig kan zijn.
(i) Rousselot : Principes de phonétique expérimeniale, t. a. p., II,
Wz. 582 vlgd.
(2) Met opzet heb ik deze critische prolegomena tot een syste-
matisch geheel verwerkt, omdat deze vele mogelijkheden maar al
te dikwijls worden verwaarloosd.
— 49 --
korten duur. Want hebben wij eenmaal uit die weinige
primaire gevallen de innige gesteldheid en de psycholo-
gische oorzaak van elk onzer accentsoorten afzonderlijk
ontwikkeld, dan staat het iedereen vrij die vijf elemen-
taire krachten te verbinden tot al de historisch-nawijsbare
combinaties, om uit hunne onderlinge samenwerking nu
eindelijk óók in de onbeperkte veelheid van feiten, de klaar-
blijkende resultanten te zien.
Zelf zullen wij daartoe een eerste bijdrage leveren. En
voor de waarheid onzer stellingen zal dit laatste betoog
meen ik, nog krachtiger pleiten dan het eerste.
Wij zullen onze behandeling zoo inrichten, dat wij bij
elk soort van accent, na een korte inleiding tot fixeering
van termen en begrippen, eerst de verschijnselen behan-
delen die zij alle onderling gemeen hebben, en die wij
telkens met A, B, C, enz. zullen merken, om daarna pas
te beschouwen de typische eigenaardigheden waarin zij
van elkander verschillen en die dus hun karakteristieke
functie uitmaken.
Het intensiteits-accent.
292. Voor klemtoon gebruik ik bij voorkeur de in-
ternationale benaming : intensiteits-accent; maar ik vermijd
met opzet althans in denzelfden beteekenisomvang den
meer gebruikelijken term : exspiratorisch accent. Waarom?
Omdat het alles behalve zeker is, dat de klemtoon van een
silbe uitsluitend aan de grootere kracht of het grooter voluum
van de exspiratie is te wijten. Integendeel heeft mij eigen
ervaring de reeds bijna zekere overtuiging opgedrongen,
dat wij hier scherp moeten onderscheiden tusschen den
klemtoon op klinkers oi medeklinkers.
4
— 5o ~
Zeker Rousselot heeft in zijn eerste groote werk (i)
met onloochenbare gewisheid nagewezen dat het voluum
en de kracht der uitstroomende lucht grooter zijn in
sommige lettergrepen mèt klemtoon, dan in eenige andere
zónder klemtoon. Zoo b. v. in papé.
De aanvankelijk zeer gebrekkige experimenteering is
naderhand op allerlei wijze verbeterd door Roudet, Rous-
selot zelf, Ernst A. Meyer, Eyckman en Zwaardemaker (2).
Doch het hoofdfeit, door Rousselot geconstateerd werd
telkens opnieuw bevestigd.
293. Maar nu heeft de Deensche doofstommen -leeraar
en uitstekende phoneticus Forchhammer reeds in 1896 met
aandrang op een heel nieuwe verklaring van den klem-
toon gewezen (3). Volgens hem is klemtoon niets anders
dan een vernauwing der stemspleet. Laten wij zelf de
proef nemen : sluit de stemspleet, zet nu de stem aan
en verwijd langzamerhand de spleet. Resultaat is, dat de
stem het sterkst klinkt als de spleet het smalst is, en bij
het verwijden, met de verzwakking der stem het lucht-
verbruik al langer hoe grooter wordt. Zoo krijgen wij
dus groot luchtvoluum bij zwakke stem en omgekeerd.
Steek nu een kaars aan, en spreek met den mond voor
(i) L'Abbé Rousselot : Les modifications phonétiques du langage.
Revue des Patois gallo-romans, IV, V, VI, no 14, i5, 19, 20, 21,
1891-93. Ik citeer naar de pagineering- der Revue. Voor de aparte
uitgave moet men van mijne cijfers altijd 64 aftrekken. De hier
bedoelde proeven vindt men op blz. 134 vlgd.
(2) H. Zwaardemaker : Ueber den Accent nach graphischer Dar-
stellung; Medizinisch-padagogische Monatschrift, X, 1900, Heft. 9-10.
Separat-Abdruck blz. 21, waar men een overzicht vindt. Vergl. evenwel
ook nog : Roudet en Rousselot. La Parole, II, 1900, blz. 599-612,
IV, 1902, blz. 67-70.
(3) Artikulationsloere-, Tidskrift för döfstumskolan, 1896. Ik ken
het alleen uit Jespersen-Davidsen : Lehrbuch der Phonetik. Leipzig
und Berlin, 1904, § 108.
— 5i —
de vlam en zooveel nadruk als ge wilt de open o, en
de vlam zal nauwelij ks bewegen ; maar fluister nu met
half open. stembanden een zwakken onbetoonden klinker
b. v. 9, en ge moet oppassen, of de kaars is uit, eer ge
het weet. Ook met den rug der hand voor den mond
te houden kan men het verschil reeds duidelijk waar-
nemen (i).
(i) Dat onbetoonde lettergrepen bijna of geheelenal met fluister-
stem, dus met half-open stemspleet worden uitgesproken was reeds
meermalen opgemerkt : Zoo door Harless bij C. L. Merkel :
Anatomie und Physiologie des menschlichen Stimm- und Sprachorgans
(Anthropophonik). Leipzig, i856, blz. 66. H. Sweet : AHandbook of
Phonetics. Oxford, 1877, blz. 211» die 't behalve voor 't Engelsch
ook voor het Malgachisch als zeer opvallend aangeeft. J. Storm :
Englische Philologie, I. Heilbronn, 1881, blz. 82. P. Passy : Étude
sur les changements phonétiques. Paris, 1890, blz. 96, die het behalve
voor het Fransch ook naar Haldemann voor sommige Amerikaan-
sche talen constateert. Zie vooral nog : Dr Rosapelly : Le róle du
larynx dans les consonnes sourdes et sonores. MSL., IX, 1896, blz.
497 vlgd. vooral blz. 498-99. En verder alle nieuwe phonetica's, die
evenwel de fluisterstem als iets accidenteels bij sommige laagtonige
lettergrepen zonder nadruk beschouwen, en niet hebben ingezien, dat
alle lettergrepen zonder nadruk min of meer gefluisterd worden, ja
dat' hunne accentloosheid in de opening der stemspleet bestaat.
Verder is het bekend dat de fluisterstem door Passy {Change-
ments Phonétiques t blz. 1 14-1 17) en vooral door Franz Nikolaus
FiNCK : Ueber das verhdltnis des baltisch-slavischen nominalaccents
:(um urindogermanischen. Marburg, 1895. blz. 28 vlgd, voor het
Indogermaansch is in beslag genomen, wat naderhand door Herman
HiRT : IF. 8, blz. 139, Idg. Ablaut, blz. 21 en Holger Pedersen :
KZ. 38, blz. 403, 415, KZ. 39, blz. 233-34 werd aanvaard. Men
besefife evenwel dat dit vooral gebeurde, om voor het Indogermaansch
toch maar geen intensiteits-accent te behoeven aan te nemen. Nu even-*
wel blijkt, dat juist de fluisterstem essentieel is aan het systeem van
het intensiteits-accent, hebben zij te kiezen : óf intensiteits-accent
in het Indogermaansch, óf ook geen fluisterstem. Verderop daarover
meer.
- 52 —
Wij kunnen dus op twee wijzen een zwakken stem-
klank voortbrengen, óf met open stembanden en veel
lucht, óf met zeer zwakken aderadrang uit de borst en
met nauwe stemspleet. Deze laatste manier is echter al-
leen bij den zang in gebruik, daar wij hier piano-noten
dikwijls lang moeten aanhouden, wat bij het overmatig
luchtverbruik der eerste methode gladweg onmogelijk is.
Maar de groote moeilijkheid van dit piano-leer en-zingen,
waarvan elke geoefende zanger nog levendige herinnering
heeft, is wel het beste bewijs, dat wij deze tweede methode
in onzen dagelij kschen omgang niet kennen.
De physieke verklaring van de sterkere stem bij nau-
were spleet is ook zeer begrijpelijk. De toontrillingen
ontstaan toch door de differentie van den luchtdruk onder
en boven de stembanden. Nu is naar de wetten der
physica de druk het sterkst aan de beide zijden der spleet,
en is op de een of andere plaats de stempleet heelenal
gesloten, dan concentreert zich de luchtdruk op dit punt.
Hoe smaller dus de spleet wordt, hoe grooter verschil
er is van luchtdruk boven en onder, en hoe sterker dus
ook de stemtroontrillingen zullen zijn.
294*. De twee meeningen van Rousselot en Forch-
H AM MER staan dus lijnrecht tegenover elkander :
Rousselot zegt : hoe meer lucht hoe meer nadruk;
FoRCHHAMMER meent : hoe meer lucht, hoe minder
nadruk.
En voor beide pleiten onloochenbare feiten.
Jespersen (die evenwel Forchhammer geheel en al ge-
lijk geeft) doet mij de bemiddeling aan de hand (i) :
« De duidelijkste gewaarwording van de fluisterstem
zegt hij, kiijgt men bij twee gelijke onmiddellijk-op-el-
kander volgende vocalen waarvan de eerste zwak en de
(i) Jespersen-Davidsen : Lehrbuch, t. a. p., blz. 117.
— 53 —
tweede sterk is, gelijk in het Deensch u war du üde? »
Engelsch a the Éast », Nederlandsch (op een vraag : Heb
je er twee?) « Nee éen ».
Dit is zeer waar. Bij « Nee éen » merkt men tegen
den rug der hand of met den mond voor een kaars-
vlam, bij de eerste lettergreep grooter luchtvoluum (i);
maar bij het voorbeeld van Rousselot : pap^, juist an-
dersom.
Maar dan is de reden ook tevens duidelijk. Beiden heb-
ben gelijk, maar Forchhammer alleen voor vocalen en
Rousselot voor consonanten. In lettergrepen met vocalen
èn consonanten hebben wij twee vormen van intensiteits-
accent te onderscheiden :
Het exspiratorisch accent der consonanten (2) en
Het stemspleet-accent der vocalen (3).
295. Deze twee vormen gaan nu wel praktisch bijna
altijd samen, zoodat wij ze verderop meestal als één ge-
compliceerd feit zullen beschouwen; maar toch mag op
sommige punten dit onderscheid niet worden verwaar-
loosd. Zoo kan men, om al aanstonds een voorbeeld te
geven zich voor de verschillende talen afvragen, of mis-
schien een van beide en zoo ja welke van beide vormen
zich meer op den voorgrond dringt. En dan zou men
(i) Vooral wanneer men de' n van éen niet uit laat klinken, maar
plotseling voor den nasaal stokt.
(2) Dat het intensiteits-accent in teekenend contrast met het mu-
zikaal accent, óók « en zelfs voornamelijk » (dit laatste neem ik
niet voor mijn rekening) op de medeklinkers valt, was reeds op-
gemerkt door R. DE LA Grassbrie : Essai de phonétique dynamique
OU historique comparée. Paris, 1891, blz. 122-123.
(3) Mag ik er in het voorbijgaan op wijzen hoe juist dus de
Nederlandsche naam klemtoon gekozen, en hoe nauwkeurig hier de
spraakmakende gemeente weer blijkt te hebben waargenomen. Het
Duitsch en Engelsch met hun Druck en Stress wijzen meer naar
't exspiratorische.
- 54 -
voor 't Fransch — ten minste in eenige gevallen —
moeten antwoorden : het exspiratorische.
Nyrop-Philipot toch constateeren eerst met Passy (i),
dat in het Fransch vele woorden met habitueelen ge-
voelstoon, hun intensiteits-accent naar voren werpen. Hierbij
maken zij (2) evenwel attent op het opmerkelijke feit, dat
woorden, die met een medeklinker beginnen het accent
altijd op de eerste maar die met een klinker beginnen
het meestal op de tweede lettergreep hebben. Zoo beau-
coup, maar absólument^ enz. Hieruit blijkt dat de ac-
centueering eene silbe met anlautenden consonant zocht,
dus voornamelijk exspiratorisch is.
Het omgekeerde vinden wij in het Deensch. Hier heeft
zich toch bij de vanouds éénsilbige woorden en nog vele
andere met sterk intensiteits-accent, de zoogenaamde « stoot d
(the glottal catch) ontwikkeld (3). Deze stoot nu, die den
indruk maakt van een kleine hoest, bestaat in het plot-
seling heel-en-al-sluiten der stembanden, om ze in het
volgend oogenblik weer te openen. Nu begrijpt eenieder
hoe dit het noodwendig gevolg is van een geforceerd
stemspleet-accent. En het feit, dat deze stoot óók bij
stemhebbende consonanten (nooit bij stemlooze) kan voor-
komen wijst er ons op, hoe het stemspleet-accent het
exspiratorische zelfs uit het eigen gebied gedeeltelijk ver-
dringen kan (4).
(i) P. Passy : Les sons du frarifais^. Paris, 1899, blz. 5i.
(2) Nyrop-Philipot : Manuel phonétique du francais parlé. Co-
penhague, 1902. blz. 108.
(3) Voor de tegenwoordige gevallen, zie J. C. Poestion : Lehr-
buch der Ddnischen Sprache^. Wien, 1897, § 52-58; voor de histo-
rische ontwikkeling : Axbl Kock : Die Alt- und Neuschwedische
A ccentuierung unter berücksichtigung der andern nordischcn Sprachen.
Strassburg, 1901, § 62-71, § 255-257, § 367-370 en § 404.
(4) Ook meen ik dat het onderscheid tusschen a stark und schwach
geschnittenen Silbenaccent » in 't Duitsch althans voor gesloten
— 55 —
Maar uit deze tegenstelling tusschen Fransch en Deensch
begrijpen wij nu ook psychologisch de tegenstelling en
wederzij dsche overdrijving van de Franschen : Rousselot(i)
en Roudet(?) en van de Denen : Forchhammer en Jespersbn.
Het intensiteits accent of de klemtoon of nadjuk is dus
voor ons de grootere tril- en geruischarbeid van een let-
tergreep, teweeggebracht : in de klinkers door het ver-
engen der stemspleet, in de stemlooze medeklinkers door
volumineuzer en sneller exspiratie, in de stemhebbende
medeklinkers door een van beide of beide. Dit laatste
moet nog door verdere proeven worden onderzocht.
Waarschijnlijk is menigeen verwonderd, dat wij hier het
articulatie-accent der consonanten buiten rekening laten.
Uit ons overzicht (n' 252 vlgd.) heeft men echter reeds
kunnen zien, dat dit later afzonderlijk ter' sprake komt.
De reden van deze scheiding zal dan ook vanzelf wel
duidelijk worden.
Zien wij nu op dit intensiteits accent de werking van
ons automatisme. En wel ten eerste van de wet der
subordinatie.
296. A. RoussELOT sprak ponder uitdrukkelijk klem-
toon te willen geven een groote reeks van woordjes als
de volgende in zijn apparaat : dada, tata, papa, kakaka,
tatatata, papapapapapa, enz. En wat bleek nu? Dat het
lettergrepen op den eventueelen voorrang van het exspiratorisch
accent van den slotmedeklinker of het stemspleet accent van den
klinker berust. Zie Ed. Sievers : Grundxüge der Phonetik*, Leipzig,
1893, § 555-563; Otto Brkmer : Deutsche Phonetik, Leipzig, 1893,
§ i83; Jespersen-Davidsen : Lehrbuch, t. a. p., § 2o5-2io.
(i) Alleen in de eenvoudigste kunstmatige proeven van Rous-
SELOT met papa, baba, tata, dada, enz. zijn de resultaten te ge-
bruiken, daar hier telkens dezelfde min-of-meer luchtvolle vocaal
een sterk exspiratorischen consonant voorafging en beider vereenigde
druk de bewegelijke stift naar boven dreef.
^ 56 —
apparaat toch klemtoon registreerde, en dat hij dus on-
willekeurig tóch met klemtoon gesproken had (i) :
Voor tweesilbige groepen vond hij i25 van de i55 malen
nadruk op de tweede (2). Bovendien bleek de nadruk
op de eerste in de 3o overige gevallen, aan bepaalde
omstandigheden, vooral vermoeienis te wijten.
Bij driesilbige groepen viel er nadruk 5i van de 5 7
keeren op de eerste en derde; en in de helft der ge-
vallen was de nadruk op de eerste het sterkst.
Bij viersilbige groepen 16 van de 18 keeren alleen
nadruk op de vierde.
Bij vijfsilbige groepen 14 van de i5 maal de eerste
en 'de laatste met klem, de drie middelste 11 keer on-
derling gelijk.
Men ziet hieruit, dat het met ons intensiteits-accent
gaat, als met allerlei andere' bewegingen. De subordina-
tiewet werkt ook hier. Ik behoef alleen nog op te mer-
ken, dat deze groepen een psychologische eenheid vorm-
den, en dus uiting waren van één wilsakt, want vóór
elke proef stelde Rousselot zich natuurlijk voor den
geest, nu ditmaal zus of zooveel lettergrepen te uiten.
297. Maar wat voor die kunstmatige groepen geldt,
zien wij nu ook her en der in de levende taal.
En wel ten eerste in het woordaccent :
Zoo hebben, om nu voorloopig maar bij het Germaansch
te blijven alle tweelettergrepige woorden aanvankelijk op
een van beide silben den klemtoon, en, naar algemeen
Germaansche wet meest op de eerste.
In een driesilbig woord is meest een hoofdaccent op
(i) Rousselot ; Les modifications phonétiqucs, t. a. p., blz i35.
(2) Bij een Germaan zou deze verhouding (en trouwens nog
menige andere) juist omgekeerd uitgevallen zijn. Het gaat hier even-
wel nog niet over de absolute plaats van den klemtooft, maar slechts
over zijn relatieve differentiatie naast de andere.
- 57 -
de eerste en een bijaccent op de derde. Zoo : nl. Indische,
de. F^zflelsè, Tidendè, hd. Vórurtèil naast Urteil, Gróss-
herzóg naast Hérzog, Einleitung naast Léitung, of om-
gekeerd : Phantasie naast Phantést, Bandagist naast Ban-
dAge.
Een viersilbig woord heeft meest het hoofdaccent op de
eerste, en een bijaccent op de derde. Dit komt weer juist als
boven vooral goed uit in samenstellingen en afleidingen, wier
accentueering aldus in tegenstelling geraakt met de sim-
plicia. Zoo : hd. vóUstandig maar ünvoUstandig, Arbeiten
maar H^ndarbèiten, of omgekeerd in bèlancieren naast
Balance.
Voor meersilbige woorden is geen absolute regel meer
te geven; maar de relatieve wet die nog des te sterker
spreekt, luidt : zoo goed als altijd valt het Ibij accent op
de tweede silbe soms op de derde vóór of achter het
hoofdaccent. Er is dus duidelijk een streven naar jam-
bisch, trochaeisch, anapaestisch of dactylisch rhythme.
(Deze termen goed verstaan!) : Engl. Obligatory; hd.
Érdoberflache maar Oberflache, Landgerichtsdirèctor, Real-
schulóberlèhrer ; nl. onnadenkendheid maar nddenken ,
enz., enz.
Vooral in de Skandinavische talen is dit rhythmisch
beginsel sprekend gebleven tot op den huidigen dag.
298. Maar ten tweede ook in de secundaire gevoels-
en beamingseenheden, m. a. w. in het accent der con-
structie :
In tweesilbige constructies : NL, óp me, in hem, maar
op strdat, in béd, enz.
In driesilbige : hd. Gótt sei Ddnk, das weiss Gótt;
engl. quite upright, só dóing; fra. dónnez-voüs, voüs
donnéz, enz.
In vier- en meersilbige : fr. Ie rói Theodorós naast
leroi Jedn; engl. püblic-house-line, Modern Hi^h Gérman,
— 58 -
a yóung fellów; hd. lébendè Geschwister; nl. Duizend
en een nicht.
In het Zweedsch en Deensch is er zelfs een heele
reeks tweesilbige woorden, die alleenstaande den klem-
toon hebben op de laatste, maar in de constructie voor
een silbe met klem, alleen een bijaccent op de eerste
overhouden Deensch b. v. dusin, maar düsin ^sters,
Emil maar Èmil Hdnsen ; Zweedsch : kusin maar kusin
Anna (i), enz.
299. De subordinatie, gelijk we boven gezien hebben,
gaat echter altijd verder. En zoo hebben wij in de sil-
ben zonder klemtoon dus nog radikaler vermindering van
intensiteit te vei-wachten. En zoo vinden wij ook.
Want wat is het noodzakelijk gevolg als die vocalen
zonder klemtoon, allanger hoe voller geruischlucht, al-
(i) H. Paul : Deutsche Metrik, Grundriss, 11^, blz. 903-909.
W. ViETOR : Elemente der Phonetik*. Leipzig. 1898, blz. 281-82,
286-88 en het daar geciteerde van Lloyd en Miss Soames. Jespersen-
Davidsen : Lehrbuch. t. a. p., § 226-231. Axel Kock : Sprakhistoriska
undersökningar om svensk akcent. Liind, 1879, blz. 67-72. Idem :
Alt- und Neuschwedische accentuierung, t. a. p.,J§ i55, 526. Vooreen
interessante overeenstemming van het Bantoe zie P. Passy : Change-
ments phonétiques, t. a. p., § 263. Geprononceerd rhythmisch is verder
ook het Oud- Arabische, waarschijnlijk Oer-Semietische intensiteits-
accent : nooit kunnen twee op elkander volgende silben den klem-
toon hebben; een bij toon mag nooit naast een hoofdklemtoon staan;
een bij toon vindt men altijd op lange eindsilben, die minstens door
één ongeaccentueerde silbe van den hoofdtoon zijn gescheiden; een
bijtoon vóór den hoofdtoon heeft elke lange silbe die er door één,
en elke korte silbe die er door twee onbetoonde lettergrepen van
gescheiden is. H. Grimme : Grundjüge der Hebrdischen Aks^ent- und
Vokallehre. Freiburg- Schweiz, 1896, blz. 16 vlgd. En het merk-
waardigst ten slotte is de rhythmische dwang in het Afrikaansche
Vaï, waarvan Steinthal melding maakt in a Die Mande- Neger-
Sprachen, psychologisch und phonetisch betrachtet », Berlin, i867,
§ 35.37.
- 59 -
langer hoe typischer gefluisterd worden? Dat zij natuur-
lijk niet meer worden verstaan; eerst de meest sonore
vocalen : a en e worden niet meer onderscheiden van i,
o wordt niet meer onderscheiden van u, ; maar als de
subordinatie nóg verder gaat, en de stembanden dus nog
wijder vaneengaan, dan kent men ook / en u niet meer
uit elkander : alle klinkers zonder klem worden tot a (i).
Welnu, al deze overgangen kunnen wij in de middel-
eeuwsche geschiedenis der germaansche talen met besliste
zekerheid constateeren, en niet ééns, maar herhaaldelijk,
in alle dialekten verschillend naar de omstandigheden,
maar juist in die verscheidenheid te kleurrijker illustree-
rend, en te vaster bewijzend, het overal ten gronde lig-
gend beginsel (2).
300. Maar wij zagen ook dat de monarchische over-
heersching van een der leden zich in een secundaire
(i) Paul Passy : Étude sur les changements phonétiques, t. a. p.,
blz. 116. Raoul de la Grasserie : Essai de phonétique dynamiqne,
t. a. p., blz. 120. Zie vooral bij Rousselot : Principes de phonétique
expérimentale. Vol. II. Paris 1901, blz. 471 vlgd. : hoe weinig de
gefluisterde en gesproken i en u en hoe typisch daarentegen de
gefluisterde en gesproken a, e en o verschillen. Vgl. ten slotte bij
RouDET : La Parole, 1900, blz. 229 vlgd. het experimenteele bewijs
dat i en u, bij gelijke intensiteit voor het gehoor veel voller zijn
van lucht dan de open klinkers; waartegen de tegenstrijdige resul-
taten van Rousselot (La Parole, 1902, blz. 67-70) om het onnatuur-
lijke dezer laatste proefnemingen (met een kunstmatifjen larynxl)
niets vermogen.
(2) Ook buiten het Germaansch tal van voorbeelden. Zie o. a.
A. Meillet. MSL. XI, blz. 166. Zoo : ogr. ^aipexat, ngr. ^afpixi;
ogr. iotxo^, ngr. dtoxou^; buig. gord, dial. buig. gurd; buig. vlno,
dial. buig. vinu; buig. tébe, dial. buig. tébi, enz., enz. Om der
voUedigheidswille vermeld ik hier nog, dat die onduidelijke vocaaltjes
natuurlijk dikwijls hun zweempje stemkleur aan hun omgeving ont-
leenden.
— 6o —
psychische eenheid zoodanig kan ontwikkelen, dat de ge-
subordineerde deelen geheel en al in hun monarch op-
gaan, zoodat deze bij gebrek aan onderdanen eigenlijk
ophoudt monarch te zijn.
Welnu ook dit zien wij in de taal : waar alle andere
Germaansche en Romaansche talen nog min of meer hun
onbetoonde uitgangen behielden; is vooral in de talrijke
Engelsche en Fransche monosyllaben (i), alle subordinatie
in ongedeelde eenheid opgegaan.
Juist omdat er van de Latijnsche woorden in het Fransch
bijna niets dan de geaccentueerde lettergreep is overge-
bleven, is hier het intensiteits-accent zoo aanmerkelijk
verzwakt, dat men zich ooit met recht heeft afgevraagd
of het Fraftsch nog wel een intensiteits-accent bezat. En
was het niet, dat gelijk wij al zagen, de consonanten
hier hun accent beter hadden bewaard, dan zou men
die vraag zoo maar niet aanstonds durven ontkennen.
301 Voor de consonanten nu en hun exspiratorisch
accent gelden natuurlijk alle bovenstaande redeneeringen
over de toeneming der subordinatie tot één-wordens-toe
in dezelfde mate.
Ook hier treedt verzwakking op in de silben zonder
klemtoon; maar deze verraadt zich door vermindering
van exspiratie. Ook hiervan is natuurlijk het eerste ge-
volg dat zij niet meer onderscheiden worden. Consonanten
met rijker exspiratie gaan klinken juist als die met armer
exspiratie plegen te worden geuit. Welnu Rousselot leert
ons, dat de zachte spiranten slechts 2/3 van de lucht
noodig hebben voor scherpe spiranten gevorderd (2).
Vandaar in het Nederlandsch geef maar gé-ven, reis
maar rei-^^erif dach maar da-gen.
(i) De e-muet bestaat alleen meer in de schrijftaal.
(2) Changentents phonétiques, t. a. p. blz. i3o.
— 6i -
Een overblijfsel van p : d nog in Sing. t : Plur. d,
mont : monden, enz. Op 't einde der m.engl. periode* werd
de stemlooze th stemhebbend in alle procliticae en encliticae
als the, thee, thine, that, though, enz. Dus hetzelfde weer
in dè constructies.
Juist eender vinden wij meer of minder in allerlei
Geimaansche dialekten terug.
De Gotische wisseling tusschen p en d, f en b, 5 en ^f,
is alleen door Axel Kock Zfda. 25, blz. 226 vlgd., KZ.
36, blz. 571 vlgd. goed opgevat. Hij .heeft toch opge-
merkt dat de zachte eiwflfspiranten bijna uitsluitend voor-
komen in meersilbige woorden, dus in onbetoonde let-
tergrepen. De overige gevallen vertoonen op een paar
uitzonderingen na : diphthongen of oorspronkelijk drie-
morige vocalen, waarvoor wij in aansluiting bij allerlei
andere Germaansche verschijnselen gerust een a schwach
geschnittenen Silbenaccent » mogen veronderstellen. En
hiermee is alles uit vermindering van exspiratie verklaard.
302. Verder leeren wij van Rousselot, dat de dub-
belgeschreven consonanten meer lucht en exspiratiekracljt
vragen dan de enkele (i).
Welnu zoowel in het ohd., on als ags. werden de
dubbelgeschreven consonanten in silben zonder klemtoon
tot enkele ; d. w. z. zij kregen minder lucht, zoo ohd.
doufenne : doufene; on. ékke : eke; ags. atoUic : atelic,
enz. (Hetzelfde zien wij in het Latijn ómmitto : omitto).
303. .Maar ook deze verzwakking kan verder gaan,
zoodat wij van de oorspronkelijke consonanten niets meer
overhouden.
Ten eerste is dit vooral in -het Fransch en Engelsch
gebeurd, waar gelijk wij zagen de geheele silbe zonder
klemtoon verviel.
Maar ten tweede — en dan is het verschijnsel veel
(i) Zie de tracés : Principes de Phonétique, blz. 35o vlgd.
— 62 —
sprekender — vinden wij ook den klinker bewaard en
alleen den medeklinker vervallen. Zoo b. v. zeer duide-
lijk in het Nederlandsch, waar in de beschaafde taal
alle sluit-«'5 na onbetoonde a zijn uitgevallen.
Verder — en dit vinden wij weer in zeer vele Ger-
maansche dialekten terug — de suffixen der conjugatie :
Je vlaste. Jullie leefde, enz,
304. Maar naast deze ontwikkelingen, die wij in al
hare phasen historisch kunnen nagaan, dringen zich nu
ook andere aan ons op van ouderen datum en reikend in
het praehistorische, ik bedoel : de veranderingen, die werk-
ten in de Oer-germaansche periode : de wet van Verner
en de Auslautgesetze.
Dat het Idg. accent, waarop de wet van Verner be-
rust in het Oer-germaansch zich als intensiteits-accent
deed gevoelen zullen wij verderop pas bewijzen (i). Wij
laten het hiervoor dus voorloopig bij de aanduiding der
mogelijkheid.
Maar met de Auslautgesetze behoeven wij, meen ik,
niet zoo terughoudend te zijn. Wij weten toch met ze-
kerheid uit de Oud-Germaansche allitteratie- verzen, dat
er minstens in het later Oer-germaansch een intensiteits-
accent is geweest, dat op de eerste silbe viel (2).
(i) Alleen wil ik er hier reeds op wijzen, dat deze verklarinfi^
niet noodzakelijk eene silbenscheiding brÓp-ar en fad-dr veronder-
stelt. Een « stark geschnittener Accent » dat dus het sterkst is juist
bij den overgang naar de volgende lettergreep, zou ook in brÓ-par
en fa-deir alles begrijpelijk maken. Welnu, een accent van dien
aard, meent reeds Walde (blz. i3i), althans bij gestooten lange slot-
lettergrepen, te moeten aanvaarden om het behoud der s te verklaren.
(2) Dat dit intensiteits-accent geprononceerd exspiratorisch was,
en dus voornamelijk op de medeklinkers viel; m. a. w. dat het
stemspleetaccent der klinkers nog slechts zeer zwak ontwikkeld
was, blijkt overduidelijk uit het feit, dat alle klinkers met elkander
— ,63 —
Als wij dus voor *bérïp béri vinden, dat evenals
bdndi>*b^ndï op *bén als tusschentrap wijst, mogen wij
gerust aannemen, dat hier de verdergaande subordinatie
met het afvallen der dentalen is begonnen.
Langer hielden zich de nasalen. Toonden toch -ïp en
-i verder volkomen dezelfde ontwikkeling, zoo is het b. v.
met ö en ön niet. Later dus maar toch nog Oer-ger-
maansch bezweken ook deze.
Verder vielen de korte klinkers der laatste silbe uit en
werden de lange met een more verkort als zij ten minste
niet door een dubbelen medeklinker werden behoed.
Hierop komen evenwel uitzonderingen voor, waarvan
mijns inziens de ware reden nog slechts ten deele is
bijgebracht (i)
En toch, als wij ons streng aan onze gegevens houden,
en niet verder willen concludeeren dan onze praemissen
reiken, dan zullen wij zien, dat deze uitzonderingen juist
de wet bevestigen, wel te verstaan : de psychologieche
wet der voortgaande subordinatie.
Want niet elk woord heeft in het Oud-germaansch een
intensiteits-accent. Althans een hoofd-accent. Elke con-
structie wel. Dat zien wij hieruit dat verschillende zin-
ja zelfs met de half-vocalen ji^ en yi konden allittereeren. Het was
dus misschien veel verstandiger om in plaats van voortdurend met
stark en schwach geschnittenem Accente te werken, het Oer-ger-
maansch accent eenvoudig op de medeklinkers te zetten. Maar dan
zouden wij soms twee accenten op één lettergreep krijgen, een in
Anlaut en een in Auslaut, wat toch ook weer een onjuisten indruk
geven zou.
(i) Alleen bij de verklaring van ohd. upari e. a. was (in navol-
ging van Joh Schmidt, KZ. 26, blz. 20 vlgd.) Walde : Die ger-
manischen Auslautgeset^e, Halle a. S., 1900, blz. 124, op den goe-
den weg. Dit is evenwel blijkens Franck, Anz. f. deutsch. Alt.
28, blz. 52 en v. Helten, PBB. 2S, blz. 553, niet het helderste
voorbeeld. Ook leze men nog eens de methodisch- voortreffelijke uit-
eenzetting van Eduakd Sievers (PBB. V., blz. zoi-104).
- 64 -
deelen in bepaald verband nooit of nimmer kunnen al-
littereeren (i).
Eerst moeten wij ons nu overtuigen — en tot bewijs
hiervan dient eigenlijk dit heele tweede deel — dat alle
historische taalveranderingen niet werken in den zin (ge-
lijk wij dien gewoonlijk opvatten) noch in het enkele
woord van den zin, maar alleen in de constructie of het
zin woord.
Ten tweede moeten wij in casu de psychologische oor-
(i) Men begrijpt dat al deze groepen heerlijke voorbeelden zijn
voor onze secundaire psychische-eenheden, bewezen door de eenheid
van accent. Daar ik hierover echter niets nieuws heb mede te dee-
len kan ik volstaan met de verwijzing naar Ed. Sievers : Altger-
manische Metrik, § 24 vlgd Minder toegankelijk is misschien voor
velen de toch zeer loonende vergelijking der Hebreeuwsche inten-
siteits-accent-eenhcden. Als Hebreeuwsche Sprechtakte vind ik toch
bij HuBERT Grimme : Grund:(üge der HebrAischen Ak^ent- und
Vokallehre, Freiburg-Schweiz, 1896, blz 27 :
1. Prapositionen, Konjunktionen und Adverbien in Verbindung
mit einem darauflfolgenden Worte : lö* 'ïra*, ik zal niet vreezen;
wc *è(.l mo Sicho, en tegen zijn gezalfde.
2. Nomina in Status- constructus-verbindung : 'ërëk S^ppSjïm,
traag in toorn; köl kökebë *Ör, al de sterren van het licht.
3. Nomen mit einer durch eine Praposition verbundenen Er-
ganzung : chösïm bö, die op hem vertrouwen; mis®gab li, een
toevlucht voor mij.
4. Nomen mit Attribut oder Apposition : bën chakam, de wijze
zoon; 'ërës sïjjah, de drooge aarde,
5. Pradikat mit folgenden Subjekt : jismach mëlek, de koning
zal zich verheugen.
6. Verbum mit naherem oder entfernterem Objekt und umgekehrt :
jasad 'ërës. hij heeft de aarde gegrondvest.
7. Verbum mit folgendem adverbiale : nös^du jachSd, zij over-
legden samen.
8. Wort mit folgendem Vokativ : S«mèL* jehowSh, luister Jehovah!
9. Zwei koordinierte gleichartige Satztheile : hön wS.' öSër,
bezitting en rijkdom.
— 65 —
zaak van de Auslaut-verzwakking leeren zien in de sub-
ordineerende kracht van het rhythme in zoo*n constructie,
en dan wordt de doolhof der Auslautgesetze een lustpark
waar geen verdwalen meer mogelijk is.
Dezelfde methode moet ook gevolgd wórden bij het
onderzoek der Germaansche en Latijnsche syncope.
Als lijnen van onderzoek geef ik twee regels, die hier
onmiddellijk uit voortvloeien. De subordinatie werkt krach-
tiger :
lo als een lettergreep tevens nadaling van een voorgaande
en oprijzing vóór eene volgende sterke silbe is, m. a. w.
als ééne lettergreep tusschen hoofd- en bijaccent in staat.
Tallooze voorbeelden vooral in de constructie (i).
2° als eene lettergreep ver van het hoofdaccent, vlak
naast of tusschen één of meer bij accenten staat Hiervan
één illustratie :
Zoo is het toch zeker geen toeval, dat al de zwakke
Praeterita met gesyncopeerden bindvocaal in het Oer-ger-
maansch óf hulpwerkwoorden óf geprononceerd-transitieve
werkwoorden zijn. En dit is ook zeer begrijpelijk. De groep
Icxx b. V. in gaggida (Luc. lo, 12) had natuurlijk veel min-
der neiging" om de korte i over te springen dan de groepen
±xx±{X)x en ixx(X)x b. v. in frijana brahta (Rom. 8, 2)
en wairpans brahta (2 Cor. 3, 6) enz.
Deze laatste voorbeelden vormen een geleidelijken over-
gang van de differencieerende subordinatie der afzonderlijke
silben, tot die der gelijke silbengroepen. Deze laatste is
hier wel niet van zooveel belang' als bij de andere accent-
SQorten, maar ik mag de gelegenheid toch niet laten voor-
(i) Voor Romaansche en Middelindische parallellen zie H. Jacobi
ZDMG. 47, 1893. blz. 577, § 2. (Deze paragraaf is door Pischel KZ.
34, 1897, blz. 568-76 niet afdoende weerlegd. Vgl. nog KZ. 35, blz.
140 vlgd., 578 vlgd. ZDMG. 49, blz. 395 vlgd.) Voor de Latijnsche
syncope zie Vendryes : Recherches sur Vintensité initiale en latin ,
Paris, 1902, blz. i65-254.
5
- 66 —
bijgaan om, althans terloops ook hier op dit belangrijk
verschijnsel te wijzen : NI. voorwaarts voorwaarts!, vooruit
vooruit!, adnstonds aanstonds I Ook in langere groepen
zoo b. V. bij Couperus (Gids, 1893, III, blz. 379) laat
me dan ook alleen, Idat me dan ook alleen! enz. enz.
305. B. Op ons intensiteits-accent werkt ten tweede
de psychologische inertie-wet of de neiging tot herhaling;
en gelijk overal is deze ook hier bij wijlen in conflict met
de subordinatie. Toch is een wederzijdsch ontzag niet te
miskennen, zelden wint het de neiging tot secundarfunction
geheel en al, meestal beperkt zij haar werking tot een
verandering der subordinatie- verschijnselen, die beide ge-
lijkelijk bevredigt. Het spreekt natuurlijk van zelf dat de
inertie alleen is waar te nemen bij geaccentueerde silben,
daar die natuurlijk meer psychische energie bezitten. Maar
nu vóór alles het experimenteel bewijs van haar werking
in dezen.
Eerst voor het stemspleet-accent der vocalen.
Ik veronderstel, dat iedereen toegeeft, dat men bij
't nemen van proeven de eensilbige woorden uitspreekt
met een intensiteit, die gelijk is aan die eener geaccen-
tueerde silbe van een meersilbig woord.
Welnu, CoLiNET (i) vond dat éénsilbige woorden in overi-
(i) Ph. Colinet : De quantiteit der vocaal a, Leuvensche Bij-
dragen, 1900. Deze beide conclusies van Colinet reeds in het vage
voor het Fransch bij Rousselot : Changements phonétiques, blz. i52
vlgd., maar ten volle gestaafd door Ernst A. Meyer : Englische
Lautdauer, eine experimentalphonetische Untersuchung, Uppsala-Leip-
zig, 1903, blz 80 vlgd , blz. 38 vlgd. Ook voor het Fransch geldt
althans zeker de eerste dezer regels Zie A. Grégoire : Variations
de durée de ia syllabe francaise. La Parole 1899, blz. 161 vlgd.,
263 vlgd. Hier zou men echter aan het intensiteits-accent op de
laatste lettergreep kunnen denken. Vroegere hypothesen en literatuur
hieromtrent ibidem blz. 426 vlgd. Vergelijk echter vooral : Jos.
Chlumsky : Analyse du courant dair phonateur en ichèque. La Pa-
role 1902, blz. 741, conclusion 9° en de daarbij behoorende feiten.
- 67 -
gens gelijke omstandigheden altijd langer waren, d. i. langer
duurden dan in de eerste betoonde silbe van tweeletter-
grepige woorden.
Mijns inziens ligt de verklaring voor de hand. In de
tweesilbige kwam de subordinatie-neiging de secundSr-
function afsnijden. In éénsilbige kon zij vrijelijk werken.
Verder vond Colinet, dat finale klinkers zoowel in
één- als meersilbige woorden langer zijn dan niet-finale.
Weer overduidelijk. Hier is zelfs geen consonant meer
die de secundarfunction kan hinderen, zij heeft dus het
vrije veld.
Ten tweede voor het exspiratorisch accent der conso-
nanten.
Ernst Meyer concludeert uit zijne proeven : Bedeu-
tende verschiedenheiten zeigen sich in der dauer der dem
vokal der betonten silbe folgenden konsonanten. lm Zwei-
silbigen wort sind hier die konsonanten durchweg be-
deutend kürzer als im einsilbigen wort (i). Een vergelijking
der tabellen op blz. 3o en 77 leert dat de verhouding
ongeveer als 2 : 3 is. Waarvandaan die grootere duur?
't Is duidelijk. De secundarfunction had vrij spel.
Eveneens constateert hij, dat alle gespannen medeklin-
kers, (p, t, k, f, p, s, §) benevens de nasalen en liquidae
in auslaut zelfs na lange klinkers die blijkbaar verkor-
tend op hen inwerken toch altijd nog langer zijn dan
dezelfde in inlaut. Dat het bij de zoogenaamd onge-
spannen medeklinkers (b, g, d, w, v, z, d) juist omge-
keerd is, moet natuurlijk aan hun geringe exspiratie zonder
eenige psychische energie worden geweten (2).
306. Dit experimenteel. Maar hoe vinden wij nu deze
werking in de taal zelf?
(i) Englische Lautdauer, t. a. p., blz. 78
(2) Englische Lautdauer, t. a. p , blz. 3o.
— 68 —
In het Czechisch doet zich het vreemde geval voor,
dat er een intensiteits-accent heerscht, altijd vallend op
de eerste lettergreep van een woord, en daarnaast en on-
afhankelijk daarvan een sterk geprononceerd kwantiteits-
accent, m. a. w. een scherp onderscheid tusschen lange
en korte klinkers.
Nu concludeer ik voor mij daar onmiddellijk uit, dat
het intensiteits-accent overheerschend exspiratorisch is, en
dus op de consonanten in Anlaut valt. Hieromtrent zeg-
gen ons evenwel de gegevens van Gauthiot-Vendryes
natuurlijk niets, daar zij volgens de methode van Roudet
zij n geregistreerd ( i ) .
Maar wat blijkt nu wel uit die gegevens?
Alle woorden, met een echten-korten (2) klinker in de
eerste lettergreep hebben behalve hun intensiteits-accent
op de eerste, óók en zelfs een iets-sterker intensiteits-
accent op de tweede, of althans, op de eerste helft van
de tweede lettergreep.
Zoo wordt het accent van bude
van kabat :
bu jd e
— i\
ka
bat
\ enz.
Alle commentaar is, meen ik overbodig : als geen lange
klinker de kracht van de Anlauts-intensiteit kwam breken,
werkte de Secundarfunction door, en gaf ook aan den
(i) Gauthiot-Vendryes : Note sur Vaccentuation du tchèque, MSL.
XI, 1900, blz. 33 1 vlgd.
(2) Zij geven toch ook eenige gevallen, als Xaludy, pravila,
zavital, slySite, die wel historisch en grammatisch een korte eerste
lettergreep vragen maar die, blijkens de proeven praktisch een langen
vocaal na den eersten consonant vertoonen.
- 69 -
beginkonsonant der volgende lettergreep een stevig ex-
spiratorisch accent.
De verdienste, deze Czechische feiten het eerst met de
Germaansche te hebben vergeleken, en bovendien nog
een later ter-spraak-komende parallel uit het Latijn te heb-
ben bijeengezet komt toe aa^ J. Vendryes : Recherches
sur Viniensité initiale en laiin, Paris 1902, die echter de
feiten te veel identificeerde, en naar een psychologische
verklaring blijkbaar niet heeft gezocht.
307. Hetzelfde verschijnsel dan — maar vooral voor het
stemspleet- accent — vinden wij in sommige Skandina-
vische dialecten. Daar toch hebben woorden met korte
eerste silbe als fuli, salu, (h)uvu, sima i» het algemeen
Germaansch intensiteits-accent op de eerste, en 2^ nog
bovendien een intensiteits-accent op de tweede dat meestal
sterker is dan het eerste. Door de degelijke nasporingen
van Axel Kock (i) kunnen wij dit verschijnsel in zijn
historisch verloop geheel en al volgen. Uit de- Skandi-
navische vocaalbalans blijkt nu overduidelijk dat in twee-
silbige woorden (met ace. 2) (2) er van ouds verschil
van klemtoon was tusschen de kort-silbige en de lang-
silbige. De woorden toch die in hun eerste silbe een
langen klinker hadden, hadden in de tweede volgens onze
terminologie geen intensiteits-accent (3), maar die een korte
eerste silbe hadden, vertoonden in de tweede, een dui-
delijk voelbaar bij -accent (4) (dat de halflange vocalen van
alle verkorting vrijwaarde). Overal waar dus in het Oer-
Germaansch bij deze woordenklas het intensiteits-accent
(i) Alt' und Neuschwedische Accentuierung, t. a. p., § 2o3-2i5.
(2) Over dezen term zie A. Kock, t. a. p., passim. Kortweg
komt het verschil tusschen ace. i en ace. 2 hierop neer, dat ace. 2
op de silbe na het intensiteitsaccent een muzikaal accent heeft.
(3) In de terminologie van Axel Kook c< een zwakke levis «.
(4) « Een sterke lev is ».
- 70 —
op een korte silbe beperkt was, ontwikkelde het eene
nawerking op de tweede silbe (i); zoodat de twee letter-
grepen voor de metriek met één betoonde lange gelijk-
stonden, zooals O; a. uit het slot der korte regels van
de Ijódahdttr-strophe zeer duidelijk blijkt. Later moest
in vele dialecten dit bij -accent voor de rhythmische
subordinatie wijken (2), terwijl in andere streken de
Secundarfunction zich altijd sterker deed gevoelen, zoo-
dat langzamerhand het bij -accent gelijk werd aan het
eerste. Gelijk konden zij echter niet blijven, want nu
kreeg de tweede lettergreep behalve zijn eigen accent ook
nog voortdurend de nawerking van de eerste. En zoo
won het ten slotte b. v. te Tinn in Telemarken de tweede
lettergreep geheel en al (3).
Nu weet ik heel wel, dat men (4) die Oud-Noordsche
levis, die ik voor het primair effect van de Secundar-
function aanzie, aan den invloed van de idg. oxytoneering
heeft geweten, en dit met eenigen schijn van reden, om-
dat juist de Skandinavische woorden met ace. 2 in elk
geval een muzikalen hoogtoon op de tweede silbe ver-
toonen. Maar ten eerste zullen wij in n^ 346 eene ver-
klaring geven van dien muzikalen hoogtoon, geheel en
geheel en al onafhankelijk van het oude Idg. accent;
en ten tweede zou ik dan willen vragen, waarom de
woorden met eerste lange silbe, die op de tweede
evengoed een muzikalen hoogtoon hadden, die levis niet
hebben ontwikkeld. En ten derde verliest deze rede-
neering, hoe verlokkelijk ze ook moge zijn, allen grond
als wij uit de Auslaut-, Umlaut- en Syncopeeringsver-
(i) « Een levis » tout court,
(2) Zoodat het bij-accent een « levissimus » werd.
(3) Zoodat het bij -accent in een « fortis » is overgegaan.
(4) Zie Axel Kook : Alt- und neuschwedischc Acccntuicrung §240
en de literatuur opgegeven in § 239 en 241.
71
schijnselen ook van de West-en Oost-Germaansche talen
(die toch van muzikaal accent op de tweede silbe niets
laten blijken) gewaar worden, dat hier tusschen de kort-
en langsilbige een zelfde onderscheid van intensiteits-accent
heeft bestaan; en dat niet alleen bij de klasse van woor-
den die in het Noord-Germaansch een muzikalen toon
op de tweede hebben, maar bij allerlei tweesilbige woor-
den zonder onderscheid.
In de Skandinavische talen — om daar nog even aan
te herinneren — spreekt dit bij accent duidelijk in de drie
Umlauts-perioden van Axel Kook (i).
Maar ook louter op gezag der West-Germaansche (ja
zelfs in tegenstelling, gelijk hij toen nog meende, tot de
Skandinavische feiten) had Eduard Sievers (2) reedrf in
1878 een bij accent op de tweede silbe na eerste korte
lettergreep voor het West - Germaansch aanvaard. Hij
merkte toch zeer terecht op en bewees uit overvloedig
materiaal dat in *t Ags. het duidelijkst, maar min of meer
door analogiewerking verborgen, óók in os. en ohd. ja
zelfs in het Gotisch, de korte vocalen na lange silbe met
klemtoon eerder verdwenen dan na korte (3).
De levis, die wij derhalve* in het Oer-Noordsch voor de
tweede lettergreep na korte silbe moesten aannemen vin-
den wij dus terug op het heele Germaansche gebied. Toch
hebben zich, blijkens de ongelijkmatigheden, deze wer-
kingen der inertie niet Oer-Germaansch, maar afzonderlijk
(i) Der I'Umlaut und der gemeinnordische Verlust der Endvocale.
PBB. 14, blz. 53 vlgd. en PBB. i5, blz. 261 vlgd,
(2) Zur accent' und lautlehre der germanischen Sprachen. PBB.
IV, blz. 522-540, V, blz. 63-164.
(3) Zie een nieuwere beknopte bijeenzetting der sprekende feiten
bij W. Streitberg : Urgermanische Grammatik, Heidelberg, 1896,
§ 144-148. Alleen hooren de daar ook genoemde composita, althans
voor het grootste gedeelte in een heel ander verband.
- 72 —
in alle dialekten ontwikkeld, dus Pan-Germaansch (i),
wat ons betoog voor de algemeenheid van dit psychisch
verschijnsel niet weinig versterkt.
308. Hadden wij in de tot nu toe besproken gevallen
de gelegenheid om de inertie van het intensiteits-accent
in strenge afzondering te zien werken; het spreekt van-
zelf, daar de klem toch eigenlijk niets is dan een ge-
deelte der articulatiebewegingen voor een silbe gevorderd,
dat dientengevolge, als die drukbeweging inertie vertoont,
de andere bewegingen voor zoo'n silbe collectief of gedeel-
telijk zeer licht hetzelfde kunnen doen.
Juist op den overgang nu tusschen de boven beschreven
en de hier aangeduide gevallen, staan de consonanten-
verdubbelingen onder invloed van — gelijk men dat ge-
woonlijk zegt — het onmiddellijk voorafgaand intensiteits-
accent.
Nu 1° gaat zoo*n intensiteitsaccent evenwel niet vooraf;
maar het valt 6p den medeklinker, het is overheerschend
exspiratorisch.
En 2° is het geen eigenlijke consonantenverdubbeling,
althans niet in den zin, dat wij twee consonanten achter
elkander zouden uitspreken; 't is niets dan een krachtige
implosie, een langere en merkelijk langere duur van de
sluiting of de verenging van het mondkanaal, gevolgd of
begeleid door een krachtiger explosie.
Iedereen begrijpt nu gemakkelijk het heele verschijnsel.
De exspiratie krijgt door hare psychische energie Secundar-
function.
(i) Mij dunkt, dat deze onderscheiding moest ingevoerd worden.
Te dikwijls toch schrijft men Oer-Germaansch, Oer-Slavisch, Oer-
Idg. enz. waar men alleen Pan-Germaansch. Pan-Slaviseh, Pan-Idg.
kan bewijzen, en van den anderen kant vindt men soms lange om-
schrijvingen voor deze laatste begrippen, die toch even eenvoudig
kunnen uitgedrukt worden als de eerste.
- 73 -
De luchtstroom komt dus opzetten met zijn aandrang
langduriger dan anders. De implosie moet, wil ze slagen
dus krachtiger optreden. Juist door die kracht van sluiting
krijgt nu die sluiting óók Secundêlrfunction of langeren
duur, en daarna volgt de explosie natuurlijk in even-
redigheid met de exspiratiekracht van den aanzet.
309. Geheel en al in de tweede reeks staat de ver-
lenging of rekking van de vocaal in open lettergrepen
of bij schwach geschnittenen Accent onder invloed van
het stemspleetaccent. Het psychologisch verschil toch tus-
schen de konsonantverdubbeling en de vocaalrekking be-
staat — behalve dat het een, effect is van het exspiratorisch,
het ander effect is van het stemspleetaccent — voornamelijk
hierin, dat de Secundarfunction van de bij beweging (in
casu : de sluiting) een onmiddellijk gevolg is van de
Secundarfunction der exspiratie; terwijl bij de vocalen
eenvoudig door associatie de psychische energie van de
stemspleet-drukking op de tong- en mondvorming van
eiken afzonderlijken klinker wordt overgedragen, zoodat
beide afzonderlijk Secundarfunction beleven en dus langer
aanhouden.
Ik geloof dat het onnoodig is al de taalfeiten te cata-
logiseeren, die onder «deze beide rubrieken vallen.
De heete Germaansche taalgeschiedenis is er vol van.
Alleen verwijs ik voor de konsonanten naar het typische
voorbeeld der hoogduitsche intensiva, en merk ik naar
aanleiding der vocaalrekking op, dat gaandeweg het Ger-
maansche intensiteitsaccent, in den tijd der allitteratieverzen
nog overwegend exspiratorisch, over het geheele gebied
meer en meer in het stemspleet-accent der vocalen is
overgegaan.
310. Tot nog toe zagen wij alleen gevallen, waar het
intensiteitsaccent zijne inertie dankte aan zijn eigen ener-
gie of althans aan dezelfde silbe. Dit is evenwel niet
altijd het geval, en allerlei omstandigheden uit de naaste
— 74 -
klankomgeving kunnen hier invloed oefenen en als aan-
leiding of gelegenheid werken. Slechts één enkel voorbeeld :
Als een volgende silbe door de eenmakende kracht van
het rhythme bij de geaccentueerde wordt ingelijfd. Hier-
door krijgt die natuurlijk meer psychische energie, daardoor
SecundSrfunction, en zoo is in het Germaansch wijd en
zijd Ersat^dehnung ontstaan.
311. Dit verschijnsel mag niet verward worden met
wat men gemeenlijk « Ausgleichung des Silbengewichtes »
noemt, daar hier, gelijk wij later zullen zien het Rhythme en
het accent juist hetzelfde blijven maar alleen de klinker-
kleur Secundarfunction beleeft.
Zoo zou men misschien ook geneigd zijn de West-
Germaansche consonantenverdubbeling hier voor Secundar-
function van het aspiratorisch accent te houden, maar
verderop zullen wij zien, dat dit verschijnsel elders onder
geheel andere accentcondities voorkomt, en dus een andere
verklaring vraagt.
313. C. En nu de anticipatie volgens ons eerste
beginsel.
Een theoretisch-zuiver voorbeeld, d. w. z. zonder me-
chanische complicaties, heb ik in het Idg. niet kunnen
opsporen. Hier komt ons echter de Semietische gramma-
tica te hulp. In het Syrisch toch is deze anticipatie van
het intensiteits-accent algemeen : « In alter er Zeit, vor
dem Entstehen der uns erhaltenen Litteraturwerke, lag
der Accent auf der let^ten Wortsilbe, wie in Aramaischen
des Neuen Testaments; in der historischen Zeit der Syri-
schen Sprache finden wir ihn für gewöhnlich auf der
vorlet^ten Silbe, auf der letzten nur dann, wenn unmit-
telbar darauf ein einsilbiges, dem Sinne nach sich eng
anschliessendes Wort folgt » (i). Men ziet het aanstonds :
(i) HuBERT Grimme : G}'und:{üge der syrischen Betonungs- und
Verslehre. ZDMG. 47, 1893, blz. 276-307, de aangehaalde plaats op
blz. 290.
- 75 -
deze gewichtige uitzondering vóór encliticae, wel verre van
ons te verontrusten, bewijst ten duidelijkste de algemeen-
heid dezer wet, die echter niet de woorden geldt, maar
gelijk wij hier voortdurend bewijzen : de constructies,
In het Indogermaansch zijn niets dan gecompliceerde
gevallen na te wijzen, die vanwege de vele uitgebrachte
hypothesen eene breedvoerige verklaring zouden vragen.
Ik bepaal mij er dus toe althans voor één geval mijne
overtuiging uit te spreken :-De Germaansche reduplicatieve
werkwoorden hebben door anticipatie van intensiteits- en
kwantiteitsaccent (zij hebben alle lange stamvokalen) hunne
reduplicatie bewaard.
314. D. Ook de assimilatie, analogie of contaminatie
volgens ons vierde beginsel vinden wij hier in allerlei
voorbeelden werkzaam.
Zoo b. V. zeer duidelijk in de accentverandering die
vreemde woorden in hunne nieuwe omgeving ondergaan.
Zoo fra. majesté : nl. mdjesteit; maar noord-brab.
(*s Bosch) ook nog majesteit. Zoo in het Zwitsersch : Méschine
naast Machine (r), hd. Vagebund naast het geleerde Va-
gabünd, enz. enz. Maar vooral bij eigennamen is dit
duidelijk. Denken wij er b. v. slechts aan, hoe de La-
tijnsche en Grieksche namen in de Oud-Germaansche
dialecten werden vervormd.
Zoo moet ook in het Czechisch, Sorbisch (en waarschijn-
lijk ook in het Lettisch) onder Germaanschen invloed op de
meest frequente verkeerspunten de initiaal-nadruk zijn op-
gekomen, en vandaar van woord tot woord, van dorp tot
dorp, van geslacht tot geslacht zijn verder gegaan. Ook
in het Oer-Germaansch moeten, gelijk wij later zullen zien,
alle woorden, die met klinkers beginnen hunnen initiaal-
(i) Eduard Hoffmann : Starkc, Höhe, Ldnge, ein Beitrag ^ur
Physiologie der Aki^entuation, Strassburg, 1892, blz. 5i.
- 76 -
klemtoon naar analogie der woorden met anlautende con-
sonanten hebben verworven.
Ook b. V. in den nieuw-Griekschen overgang van muzikaal-
op intensiteits-accent is alles aan loutere analogie te wijten.
Aanvankelijk werd in sommige gevallen aan de oxytonon-
lettergreep ook intensiteits-energie gehecht ook reeds door
analogie. Zoo werd deze associatie ingeoefend, en van hieruit
werkte zij nu verder op alle andere acuti en graves voort.
Kortom alle gevallen van mechanisch intensiteitsaccent
zijn wel eerst in bizondere woorden en constructies op-
gekomen. Zoo heeft zich de associatie gezet. En vandaar
heeft zich het nieuwe verschijnsel verder en verder uitgebreid.
316. Maar het kan mijn doel niet zijn hier telkens
onder D bij de verschillende accenten alle voorbeelden
van analogie en contaminatie op te sommen, die volgens
ons vierde beginsel moeten worden verklaard. Ze zijn
toch ontelbaar, en reeds lang bekend. Bovendien vindt
men er altijd nog nieuwe in de behandeling" der specifieke
eigenaardigheden van elk accent en elders, in casu nog
onder n" 3i3, 824, 328, 334, 335, 343.
Wel zal ik echter telkens aan eenige sprekende of nieuwe
voorbeelden den terugkeer van hetzelfde verschijnsel aan-
toonen, maar voor het overige verwijs ik nu eens voor al
naar de algemeene werken over het Idg. accent, de analogie
in het algemeen, en de contaminatie. De algemeene werken
over het Idg. Accent worden in dit hoofdstuk nog dikwijls
genoeg vernoemd. De voornaamste Analogieliteratuur moge
hier echter eene plaats vinden : (ik noem alleen afzonder-
lijke boeken, (de artikelen van algemeene waarde vindt
men achter in Wheeler bijeen) : H. Merguet : Ueber den
Einfluss der Analogie^ Königsberg, 1876; H. Osthoff :
Das phjrsioiogische und psychologische Moment, Berlin,
1879; F. Masing : Lautgeset^ und Analogie, Petersburg,
i883; V. Henry : Étude sur lanalogie, Paris, i883;
- 77 -
K. Nyrop : A djektivernes K^nsb^jning i de romanske sprog
Med en indledning om lydlove og analogi, Copenhagen,
1886; B. Wheeler : Analogy, Ithaca, 1887; Meringer-
Maysr : Versprechen und Verlesen, Stuttgart, 1895 ; Thumb-
Marbb : Experimentelle Untersuchungen, Leipzig, 1901 ;
S. Freud : Zur Psychopathologie des Alitagsiebens, Ber-
lin, 1904, en vooral A. Meillet : Quelques recherches de
linguistique, L'Année psychologique, 1905, blz. 462-64, die
echter bijna allen de analogie met de inertie en anticipatie
verwarren, eene fout, die in Wundt's behandeling van het
vraagstuk wel het noodlottigst gewerkt heeft, (Die Sprache,
I, 4^3 Capitel.)
316. B. Maar de volmaakste samenwerking van diffe-
rencieerende subordinatie en inertie en anticipatie en as-
sociatie zien wij, waar wij trouwens een volkomen samen-
streving van alle psychische neigingen mochten verwach-
ten, in de kunst, in de poëzie.
Hier toch vinden wij altijd na een heffing der inten-
siteit eene daling, en heffing en daling erlangen als een-
heid hunne anticipatie en inertie samen in het voorafgaan
en de herhaling dier zelfde afwisseling en de versregels
en strophen erkennen elkander in de associatie (i).
317. En zoo begrijpen wij nu de ontwikkeling der
nieuwere Germaansche metriek wel degelijk als eene ver-
volmaking van de oude, niet als een overdrijving van ja
ordelijke, maar vervelende regelmaat, gelijk men het wel
eens kan hooren zeggen.
Menschen toch, die zoo spreken, meenen ten onrechte,
dat het Nieuw-Germaansche, het Hoogduitsche, het Neder-
(i) Deze ordelijke samenwerking van alle psychische neigingen
in de kunst, is natuurlijk niet automatisch, maar vrije wil. Ik be-
handel ze hier echter telkens met en na de automatismen, omdat
zoo deze aesthetica het best door gene wordt geïllustreerd, en gene
omgekeerd deze kunstleer op het heerlijkst bevestigen
- 78 -
landsche, het Engelsche vers zouden bestaan uit voeten, alle
met juist dezelfde intensiteit in de hoofd-, met juist de
zelfde verzwakking in de bij -lettergrepen. Was het zoo,
ja, dan hadden ze gelijk, dan waren onze verzen vervelend.
Maar een vers bestaat niet uit voeten, een vers bestaat
uit constructies (i), constructies, die gelijk wij *t overal
zagen, ook hier maar één hoofdaccent vertoonen, waar-
omheen alle min of meer toonlooze silben zich groepeeren
als milieu
En nu moet een dichter met toeleg en bedachtzaamheid
zijn constructfes zoo weten te kiezen of te modelleeren, zoo
achter elkander te zetten of ineen te strengelen, dat om
de andere of óm telkens twee lettergrepen er één geschikt
is om iets meer intensiteit te dragen dan zijn naaste om-
geving (2); en dat de hoofdaccenten dan, gedragen op de
deining van hun omgeving samen uitzingen het rhythme
zijner bewogen ziel.
318. £n zoo verklaart zich uit onze constructie- theorie,
als vanzelf, het veelal onbegrepen feit dat het rhythme
(i) Min of meer vage aanduidingen bij H. Paul, Deutsche Metrik :
Grundriss, II. i, § 8 en § 16. Ernst Meumann : Untersuchungen
3(ur Psychologie und Aesthetik, t. a. p., blz. 396-97, 413-14, zegt het
reeds duidelijk genoeg, dat wij hem hierbij als volle autoriteit mo-
gen aanhalen. Toch kent hij ons begrip van constructie nog niet;
hij spreekt van « logische Gruppen ». Eveneens Th. Lipps -. Grund-
legung der Aesthetik ^ t. a. p., blz. 3 10, enz. Hij spreekt van « Worte
und Wortverbindungen ».
(2) Dit behoeft niet altijd de omgeving s[oowel naar voren als
naar achteren te zijn. Soms is één van beide richtingen genoeg.
Men denke aan het tamelijk frequente geval, dat de eerste silbe
van een jambe den hoofdtoon krijgt (zoo b. v. in het tweede der
der aanstonds geciteerde voorbeelden). Alsdan heeft de tweede silbe
natuurlijk niet meer intensiteit dan de voorgaande, maar wél meer
dan de volgende, en dit laatste wordt door alle goede dichters zelfs
zeer voelbaar gemaakt. Vergl, Otto Jespersbn : Den psykologiske
Grund til nogle metriske Fcenomener, Oversigt o. d kgl. danske
vidensk. Selskabs forhandlinger, 1900, blz. 487-530.
— 79 —
van twee gelij k-gescandeerde verzen toch zoo heel ver-
schillend kan zijn.
Vondel zingt in de zelfde versmaat u een trotsch-uitge-
stooten bazuinschal om den triomf der Goddelijke wa-
penen » en « een zwaar-opgehaalde weeklacht over Jephta's
en Ifis' jammeren », maar hoe geheel anders is in beide
het rhythme (i).
Hoor eerst den rei uit Lucifer :
Gezegent zij de Helt |
Die 't goddeloos gewélt |
En zijn mdcht | en zijn krdcht | en zijn stdndert |
Ter neder heeft geveld |
En nu dien uit Jephta :
Aértsvader Josef | och
Zóo ghij (ten grdve uit) noch
Eens uw hoofd | lang beroofd van zijn straelen |
Öpstaeckt in *t staatsbedrogh |
Alle commentaar is, meen ik, overbodig; en ik sluit
slechts, met in 't belang der kunst te hopen, dat weldra
allen gaan inzien en beseffen, en gaan toepassen metter-
daad : dat het eerste vereischte voor alle artistieke voor-
dracht de juiste indeeling is in constructies.
319. Zoo hebben wij nu in A, B, G, D en B de
algemeene verschijnselen gezien, die wij bij al de accent-
soorten, ja bij alle klank-kwaliteiten der menschelijke stem,
en zelfs in de hoofdstukken over semasiologie en woord-
schikking zullen wedervinden.
(i) Hier en overal in 't vervolg, scheid ik de verschillende con-
structies die in hun geheel op elkander volgen door rechtopstaande
dwars-streepjes. Wordt een constructie eens of meermalen door een
andere onderbroken, dan staat de onderbrekende constructie tusschen
haakjes. Het hoofdaccent, geef ik altijd aan, en wel door de acutus.
Bijaccenten noteer ik zeer zelden, en dan door de gravis.
- 8o —
Richten wij ons nu naar de karakteristieke bizonder-
heden, die het intensiteits-accent kenmerken als zoodanig ( i).
320. Dan hebben wij op de eerste plaats eene welkome
gelegenheid, er op te wijzen hoe, niettegenstaande de
essentieele eenheid van beaming of gevoel, in onze secun-
daire eenheden, onze constructies, er toch juist in die
eenheid — van beaming vooral — verschillende graden
zijn aan te wijzen. Er zijn toch constructies, die in het
bewustzijn leven even een ledig als zelfstandige woorden,
zoo b. V oogenblik.
En er zijn er andere waarbij de eenheid toch een na-
drukkelijk weten der samenvatting, dus der oorspronkelijke
meerledigheid volstrekt niet belet. Zoo b. v. eerzucht.
Tusschen deze beide klassen moeten wij nu bij de regels
van het intensiteits-accent scherp onderscheiden.
321. Wij beginnen met het geval, dat in de eenheid
de meerledigheid nog gevoeld wordt. Welnu, onder deze
omstandigheden rust het intensiteits-accent altijd op dat
constructiedeel, dat onder eenig opzicht nieuw is. Want
al het nieuwe heeft in de menschelijke psyche altijd eene
heel bizondere energie, omdat het door gewoonte nog
niet in den habitueelen samenhang is geabsorbeerd. Men
ziet uit deze korte toelichting al, hoe de nieuwheidsenergie
niet afhangt van absolute ongehoordheid of volstrekte zeld-
zaamheid, maar van de relatieve vreemdheid hier en nu
in dezen samenhang. Men denke slechts aan den psychi-
schen indruk, als men in den vreemde een bekend gezicht
ontmoet. Zoo is, om een gelukkig voorbeeld van Lipps
aan te halen, het gezicht van een bril heel gewoon op
den neus van een geleerde, maar juist 6m dien habi-
(i) Hierbij verwijs ik eens voor al naar Jesperskn-Davidskn,
Kap. 14, van wien ik voor dit gedeelte verreweg het meeste heb
geleerd.
- 8i —
tueelen samenhang, dès te opvallender op den snuit van
een of anderen viervoeter.
Welnu, het intensiteits -accent op het relatief-meest-nieuwe
deel der constructie berust dus op de algemeen erkende
psychische Nieuwheids-energie.
322. Eenige voorbeelden zullen het groote belang van
deze eenvoudige accentwet het best in het licht stellen.
Op de eerste plaats vallen hier natuurlijk onder : alle
gevallen der « Variabilitat » van Behaghel (i).
a Er sSete Unkraut unter den Weizen | da nun das
Kraut wüchs. »
Door het « Weizen » der voorafgaande constructie is
a das Kraut » relatief oud, maar het « wüchs » is nieuw.
a Daarna sprak hij tot hen eene óndere gelijkenis. »
« Gelijkenis » is in dezen samenhang niet vreemd, er
is er juist een voorafgegaan. Het nieuwe is alleen :
« eene dndére ».
Het mooiste voorbeeld evenwel is van Jespeksbn :
« Beide Parteien wahlen getrennt zwei Schiedsrichter | und
zusammen wahlen sie dann einen Obmann ». Legt men
hier het accent op o sie », dan moet dat u sie » in den
samenhang het nieuwste zijn, dus niet de beide partijen,
maar de scheidsrechters. Legt men daarentegen den na-
druk op « dann » dan is alleen de tijdsbepaling nieuw,
de zelfde handelende personen als in de eerste constructie
(i) Paul's Grundriss, I», blz. 682, die evenwel veel te veel op
het verstaan van den hoorder let. Uit deze feiten volgt natuurlijk
onmiddellijk, dat, als er twee of meer afzonderlijke nieuwe dingen
ter sprake komen, ze dan ook aanstonds elk een constructie vormen,
al staan ze nóg zoo nauw met elkander in grammatisch verband.
Vgl. SvEDELius : V analyse du langage, Upsala, 1897, blz. 55-56,
blz. 80-89 en passim en W. Reichel : Sprachpsychologische Studiën,
Halle a. S., 1897, blz. io5 enz.
6
— 82 —
worden dus verondersteld. En zoo wijst ook het taalge-
voel uit.
323. Op de tweede plaats in allerlei samenstellingen,
waar de beide leden nog gevoeld worden : dchterdeur,
tuinkamer, nummer drie, sectie zeven, sigérepijp, porte-
cigdre. Hier is het geaccentueerde deel het onderschei-
dende, dus het relatief-nieuwste. Ik haal hier geen verdere
voorbeelden voor aan. Iedereen overziet echter de over-
weldigende massa van feiten, die hieronder ressorteert (i).
Deze beide gevallen zijn primair. Zonder secundaire
nawerking kon echter zoo'n reeks van parallelle gevallen
niet blijven. En wij vinden dan ook :
324. Ten derde. Eene heele reeks traditioneel-geworden
betoningen, die oorspronkelijk alle onder het eerste geval
hoorden, maar zich nu feitelijk in verschillende constructies
hebben vastgezet (2).
Lidwoord -|- Nomen : de lessenaar, het boek.
Voorzetsel -|- Nomen : met plezier, in de kerk.
Voornaamwoord -|- Werka^oord : wij géan, ze trokken.
Hulpwerkwoord -f- Hoofdwerkw. : wees gegroet; hij is
vertrokken.
Gezegde -\- nominale aanvulling (object of bepaling :
te gronde gaan, visch vangen, aller en Frénce, gagner son pdin .
En zoo is het met alle zoogenaamde « leege woorden ».
(i) Alleen wijs ik erop, dat hiermee de eigenaardige neiging van
het Fransch verklaard is om zooveel zoogenaamd Imperativische
samenstellingen te vormen. In de Germaansche vormen van samen'
stellingen moest het accent natuurlijk op de eerste vallen. En dit
komt overeen met den Germaanschen Initiaal-klemtoon. In het Fransch
echter is de Finaal-klemtoon over heerschend. En hierna schikte zich
de vorm der samenstellingen, en nog menige andere bizonderheid
der woordvoeging, waarop wij later terugkomen.
(2) Vergl. Walther Reichel : Von der deutschen Betonung, Jena,
1888; Idbm : Sprachpsychologische Studiën, Halle, a. S. 1897, blz. 99
vlgd.; ook voor menige andere nog ter sprake komende bizonderheid.
— 83 —
Niet evenwel in die mate of de primaire oorzaak weet
ook hier bijwijlen nog de banden der gewoonte te breken :
« Hét boek. Vóór zes uur. Gaan jelui? — Neen zij gaan.
in tranen smelten; zou je denken dat het zoo loopt?
— 't kdn gebeuren. »
Ik merk alleen op, dat de woordjes voor het verbands-
gevoel in hun eigenlijke beteekenis nooit den klemtoon
hebben. Hebben zij hem tóch dan staan zij voor een
gevoelsbeaming,
325. Bij den nieuwheidsklemtoon hoort nu als belang-
rijke ondergroep : de tegenstellings-nadruk of het contrast-
accent.
Eene ondergroep zeg ik — hoewel men meestal deze
twee naast elkander zet — want het is toch duidelijk dat
juist een tegenstelling het treffendste voorbeeld van rela-
tieve nieuwheid is. Ik haal hier verder geen voorbeelden
meer voor aan. Men kan geen twee minuten spreken, zon-
der dezen regel toe te passen. Alleen brengen deze gevallen
ons in geleidelijken overgang naar de psychische eenheden,
die óf altijd eenledig geweest zijn, of nu althans slechts
éénledig worden beaamd.
326. Want niet alleen accentueeren wij : De mdnnen
zijn goed gebouwd | maar de vrouwen niet ; maar wij zeg-
gen ook : De infanterie voldeed uitstekend | maar de
cdvallerie minder. En het is toch onloochenbaar dat in-
fanterie en cavallerie absoluut eenledig geconcipieerd wor--
den. Waarvandaan dan het afwijkend accent?
Om hierop het antwoord te geven moeten wij de inner-
lijke natuur van den Initiaal- en Finaalklemtoon in de
eenledige onverdeelbare psychische eenheden wat nader
onderzoeken.
327. Van Theodor Lipps (i) hebben wij kunnen leeren
dat Initiaal- en Finaalklemtoon beide op zichzelf genomen even
(i) Aesthetik, t. a. p., blz. 304 vlgd.
- 84 -
natuurlijk zijn, maar in psychische functie toch zeer voel-
baar kunnen verschillen. Passen wij dit toe op de taal.
De eerste silbe van een taaluiting heeft het voordeel
van nieuwheid, zoowel voor spreker als voor hoorder, en
dat voorrecht verliest zij niet, ook wanneer de andere
silben reeds aan *t volgen zijn. Dit karakter van aan-
vankelijke éénigheid nu heeft natuurlijk psychische wer-
king : in den spreker wordt het met meer kracht of nadruk
gesproken, in den hoorder trekt het meer de aandacht.
Daar wij nu voortdurend hoorder en spreker beide zijn,
worden wij ons dit min of meer bewust, en hieruit ont-
wikkelt zich de gewoonte om initiaaldruk vooral dan te
gebruiken, wanneer de spreker bij den hoorder meer op-
merkzaamheid wil trekken.
Dat wil hij natuurlijk in al de gevallen van nieuw-
heid en contrast. En zoo wordt het begrijpelijk dat vele
absoluut-eenledig-gevoelde woorden en constructies in deze
omstandigheden den nadruk op de eerste silbe vertoonen.
En dat niet alleen, als de overige silben identiek zijn,
als bij sympathie en dntipathie, maar ook, als de woor-
den der tegenstelling niets op elkander gelijken.
Es ist ein rein mdterielles Phanomen | das nichts mit
der Séele zu tun hat.
Die ministerielle Partei | nicht die Vólksvertretung.
328. Vandaar hebben bijna alle woorden die meest
in tegenstellingen voorkomen, in de nieuwere talen den
nadruk op de eerste. Zoo nl. en hd. inductief, deductief,
subjectief, objectief, kónjunctief, indicatief, Adjectief,
substantief, Nominatief, Ddtief, enz. Engl. réal, fórmal,
primary, cdvalry, órient, subject, enz. Fra. natuurlijk
minder : bdron, m^rquis, jdmais, souvent, etc.
Maar verder ook vele, die meestal met pathetischen nadruk
worden geuit : Dit nu vooral in het Fra. : beaücoup,
pdrfaitement, terrible, ridicule; bdndit; pleürer, crier,
— 85 —
hürler; cóchon, sélot, en nog vele andere scheld- en troetel-
woorden. NI. om maar ééne klas te noemen : dóodarm,
yskoud. adrtsdom, stókdoof, enz.
329. De laatste silbe van een taaluiting daarentegen
heeft het voordeel Van einde en besluit, zoowel voor
spreker als hoorder. Dit karakter van einde of besluit
heeft ook wederom zijne psychische werking. De* hoorder
vat pas bij het einde de eventueel verschillende silben
samen, en de spreker spaart, als er meerdere silben in
zijn beamingseenheid zijn, als vanzelf voor het laatste als
doelpunt zijn physieke krachten op. Dit werd men zich
wederom — als spreker en hoorder beide — min of meer
bewust. En zoo ontstond het gebruik om den finaaldnik
vooral dén te gebruiken, wanneer men bij den hoorder
juist samenvatting der deelen tot een monarchische een-
heid wil verwekken (i).
Tal van feiten bevestigen weer deze theoretische conclusie.
En Jespersen komt de eer toe, deze onder het gezichts-
punt van « Einheitsdruck » te hebben samengevat.
330. Dezen éénheids-klemtoon vinden wij nu vooral
in samenstellingen, die volkomen éénledig worden gecon-
cipieerd : allenfdlls, nachhér, nachdém, Bürgerméister,
altindisch, altnórdisch, Klein-Asien; enz. Zie Jespersen,
t. a. p. Men ziet al aanstonds dat in vele gevallen
finaal-nadruk, om trouwens zeer begrijpelijke redenen,
nadruk op het tweede lid der samenstelling beteekent.
Vooral in namen van plaatsen treedt dit verschijnsel na-
tuurlijk karakteristiek naarvoren. Bij Jespersen ontbreken
natuurlijk Nederlandsche voorbeelden; daarom volgen er
hier vooral (2) : Genemuiden, Enkhuizen, Blokzyl, Ko-
(i) Voor illustraties buiten het taalgebied, ook van den initiaal-
klemtoon, verwijs ik naar Lipps' Aesthetik, t. a. p., blz. 304 vlgd.
(2) Ik ontleen ze prootendeels aan J. H. Gaarenstroom : De
•klemtoon in de Nederlandsche taal, Culemborg 1897, een niet onverdien-
stelijke opeenhooping van materiaal, maar zonder eenig dieper inzicht.
— 86 —
ningspléin, Keizersgracht, Stadhouderskade, Hasselaars-
stéeg, Reguliersbréestraat, Zeedyk, Anjeliersdwó.rsstraat,
Torenslüis , Prinseneiland , Amstelvéld , Leidschestraat ,
Weesperstrdat, enz.
Tijdsnamen zijn : Oudejaarsavond, Nieuwjaarsdag, Palm-
zondag, Paaschmadndag, Eerste-kerstddg, Tweede-kerst-
ddg, enz.
Van allerlei soort ten slotte : Klaverenads, Schoppenhéer,
Ruitenbóer; boerenzoon, boerendochter, boerendórp, boe-
renkérmis; smidsknécht, meesterknecht, smidsbdas, meester-
smid ; rijksddalder, arbeidsloon ; rijstebry, boekweitegórt,
tarweméel ; noordoosten , zuidwesten ; dollekervel , doo-
venétel; hoogepriéster, hoogeschóol; plattegrond, platte-
land; enz., enz., enz.
331. Ditzelfde vinden wij nu niet alleen in de nieuwere
Germaansche talen, maar ook de geschiedenis hunner middel-
eeuwsche ontwikkeling bevindt zich hiermee in merkwaar-
dige overeenstemming. Overal ontmoeten wij sporadisch,
maar toch frequent óf een onmiddellijk sprekenden over-
gang van den nadruk van het eerste naar het tweede
lid, óf klankveranderingen, die op hetzelfde wijzen..
Ik laat het aan een meer-belezen Germanist dan ik ben,
deze zeer talrijke gevallen bijeen te brengen. Voor het
Skandinavisch is dit reeds gedaan door Axel Kock : Die
alt- und neuschwedische Accentuierungy blz. 125-25 1 (i).
(i) Die evenwel de kapitale fout begaat : alle accentueering op
't tweede lid, zonder eenig spoor van bewijs voor een overblijfsel
uit het Indo-Germaansch te houden; dat voor den Germaanschen
initiaalklemtoon slechts langzaam, heel langzaam heeft moeten wijken.
Elke onbevooroordeelde beschouwer, zal bij het doorwerken dezer rijke
materiaalverzameling, na al het bovenstaande, meen ik, geen oogen-
blik meer twijfelen, om den initiaalklemtoon in composita zoo goed als
overal voor Oer-Germaansch, en altijd voor het oudste te houden.
Tegen deze accentueering begint nu het princiep van den fmaalklemtoon
te werken, met meer of minder blijvend succes, naarmate de om-
standigheden gunstig zijn of niet.
- 87 -
332. Alleen wijs ik nog speciaal op het wisselend
accent van vele samengestelde werkwoorden. Hier toch
staan de initiaal- en de finaal-nadruk in de scheidbare
en onscheidbare werkwoorden naast elkander. En hier
blijkt ook ten duidelijkste hoe de twee beginselen van :
eenheids- en nieuwheids-nadruk elkander hier voortdurend
bestrijden : in de scheidbare wordt de gevoelsbeaming
nog uitdrukkelijk als het nieuwste lid der secundaire een-
heid bewust; in de onscheidbare is ondeelbare eenheid
dus finaal-nadruk traditioneel geworden.
333. Maar ook buiten de eigenlij k-gezegde samenstel-
stelling komt de éénheidsnadruk tot zijn recht.
Otto der Heilige, der heilige Michael, Hans Schüster,
Schuster Hansen, Herr Brdune, Frau Professor, Emilia
Galótti; Buch der Lieder, des Knaben Wünderhorn,
Lied er ohne Wórte, infolgedéssen, schwarz-weiss-rót, Gott
sei béi uns. Sechsundzwdnzig, Schröder-Devriént, Elsass-
Lóthringen, Mr. Brówn, Dr. Johnson, St. Jóhn, bill of
fire, cat of nine-tails, member of Pdrliament, secretary
of stAte, cup and sducer, knife and fórk, somebody élse,
not a bit, etc.
334. Ook deze primaire verschijning heeft een secun-
daire-traditioneele betoningsreeks na zich getrokken :
Adjectief + Substantief : ein schoner Mdnn, enz.
Substantief -f- Substantief : die strassen der Stddt enz.
niettegenstaande hier dikwijls nog meerledigheid in de
secundaire eenheid wordt gevoeld, en dan althans zeker
in het eerste geval altijd nieuwheids-nadruk moest intre-
den, wat natuurlijk ook praktisch n^el eens voorkomt.
336. Ten slotte toont zich de éénheidsnadruk het meest
sprekend in het Semitisch (i). Zoowel in het Oud- Arabisch
(i) HuB. Grimme : Grund:[üge der Hebraischen Ak^ent- und Vo-
kallehre, t. a. p.. blz. i8 en 27.
-^ 88 -
als in het Hebreeuwsch, hebben alle secundaire taaleen-
heden of constructies, (nog meerledig gevoeld ja of neen)
het intensiteits-accent op het laatste lid. Ook hier is dit
verschijnsel natuurlijk deels primair, deels secundair.
Het muzikaal accent.
336. Over aard en termen behoeven wij hier niet te
twisten. Daaromtrent bestaat eigenlijk geen meeningsver-
schil, en terecht, geloof ik. Alleen wijs ik er op, dat ook
hier de consonanten niet mogen verwaarloosd worden (i),
daar zij dikwijls een eigen muzikaal accent vertoonen.
Bij gebrek echter aan experimenteele gegevens zie ik hier
van verdere bizonderheden af.
337. A. Dat het muzikaal accent zich rhythmisch be-
weegt, m. a. w. zich onderworpen toont aan de wet der
subordineerende differentiatie, is zoover ik weet, het eerst
door RoussELOT experimenteel bewezen. Uit het onderzoek
derzelfde kunstmatige silbengroepen, als boven (n^ 296)
genoemd, bleek hem — hoewel niet zoo schematisch —
dat ook de hoogte der tonen voortdurend afwisselt tus-
schen hooger en lager.
« Il existe un rhythme musical, comme il existe un
rhythme intensif. Mais ce rhythme nous apparait moins
entravé que l'autre par les conditions matérielles de Témis-
sion, et Ie plus apte par conséquent è rendre les nuances
de la pensee » (2). Dit is dan ook de reden, waarom- wij
hier minder opmerkelijks vinden in de algemeene ver-
schijnselen en wij daarbij dus korter behoeven stil te
staan. Des te meer evenwel vinden- en des te langer
dientengevolge verwijlen zullen wij bij het onderzoek
(i) Zie nr 287.
(2) RoüSSELOT : Modificatiotis phonéttqnes, t. a. p., biz. 2o5.
- 89 -
naar het typisch eigenaardige van het muzikaal accent als
zoodanig.
388. De rhytmische muzikale toon der levende taal
hoort een ieder het duidelijkst in de hem- vreemde dia-
lecten zijner moedertaal, zoowel in woorden als constructies.
Elkeen kan dat bij gelegenheid voor twee-, drie-, vier-
en meersilbige eenheden naar believen nagaan.
339. Voor de oude talen blijkt het al even duidelijk.
Elk woord, elke constructie heeft maar één hoofdtoon, en
die hoofdtoon verplaatst zich naar het getal der onbetoonde
silben die voorafgaan of volgen. Denk b. v. slechts aan
het Grieksch : iXXa TroiiijiaTa : êtXkd itoxe; iitA Oewv : Oeoiv i'ito;
ÜTiXefSTi I'OêX' : nTjXeiSiiOeX' (i), enz.
340. Maar het was ook reeds eene Idg. wet (2), dat
een encliticon het accent van het hoofdwoord naar de
laatste lettergreep trok. Het lat. uter : uterque en dergl.
zijn algemeen bekend. Op de emphatische adjectiva in
het Litauwsch wees in dit verband reeds Franz Bopp (3) :
naüjas : nauj^sis. Zeer duidelijk spreekt in dezen zin
ook het Oud-Iraansch, waar allerlei reducties der paenul-
tima en verlengingen der laatste lettergreep vóór -ca van
dezelfde betoning gewagen (4). Het. Oud- Indisch verschil
in s4rvam : sarvétata enz. wordt door de Iraansche paral-
lellen : amo&m : amar'tatatam, e. a. als oud erfgoed be-
vestigd (5).
(i) J. Vendryes : Traite daccentuation grecque. Paris, 1904, § 32o.
(2) Bartholomae : Grundriss, Awestisch und Altpersisch, § 307
en § 294 Anm. I.
(3) Fr. Bopp : Vergleichendes Accentuationssystem, Berlin, 1854,
blz. 100.
(4) H. HüBSCHMANN : KZ. 24, blz. 332 en W. Galand : KZ. 32,
blz. 592.
(5) Bartholomae : Grundriss, Awestisch und Altpersisch, § 289,
Anm. I en Whitney : Indische Grammatik, Leipzig 1879, § 1237-38.
go
En ten slotte leerden wel de Alexandrijnsche taalgeleer-
den, op een proparoxytonon -f- encliticon twee accenten
te schrijven, maar zoowel de Middel- en Nieuw-Grieksche
spreektaal, als menig Oud-Grieksch handschrift bewijzen
ons overtuigend, dat ook hier feitelijk het accent naar
de laatste lettergreep overging, en er op de derde van
achteren niet dan een bijtoon overbleef (i).
341. Voor het klassieke Sanskrit getuigt de overleve-
ring uit Paijini uitdrukkelijk, dat de hoofdtoon met al
zijn onderdanige silben te zamen vormden eene rhythmi-
sche groep, en dat niet alleen voor het woord, maar ook
voor de constructie (2). De lettergreep vóór den hoofdtoon
is de allerlaagste (anudattatara), dan volgt de hoofdtoon
(udatta), daarna een lettergreep met zwevend-dalenden
toon (svarita), en de overige lettergrepen vóór en achter
deze drie, zijn lager dan de hoofdtoon, maar hooger dan
de silbe onmiddellijk vóór den hoofdtoon (en heeten
anudatta of pracayasvara).
Twee bijkomende feiten komen hier den consequentie-
dwang tot rhythmiek nog krachtig urgeeren : 1° dat, als
in een constructie twee min of meer betoonde lettergrepen
naast elkander dreigden te komen, zij een van beide
's anderen accent elimineerden, 2° dat in grootere groepen
weer een van de vele anudatta-silben een hoogeren bij-
toon kreeg.
Deze bizonderheden kennen wij uit een ander accent-
noteering bha§ika (3) genoemd, die gelijk de naam reeds
aanvirijst, nauwkeuriger dan het officieele systeem, de accen-
(1) D. C. Hesseling : Museum, igoS, k. 243.
(2) Jakob Wackernagel : Altindische Grammatik, I, Göttingen,
1896, § 249 en § 25 1.
(3) Zie den tekst met vertaling van het Bha§ika-SÜtra door
KiBLHORN in de Indische Studiën, 10, 1868, blz. 397 vlgd., met een
Anhang van A. Weder.
— 91 —
tuatie van de beschaafde spreektaal weergaf, en vooral
door Leumann in de ^atapatha-brahmana is nagegaan (i).
Voorbeelden van accent-elimineering zijn o. a. hoofdtoon
voor hoofdtoon in vratóm upai§y4n dntarênalj : ^ai^yan
Antarënab, voortoon voor hoofdtoon in : évismi : ëvdsmi ;
bijtoon voor hoofdtoon in : si ydlj : sa ydb enz. (2).
Voorbeelden van een bijtoon in langere anudatta-series
hebben we vooral in composita, die den hoofdtoon op het
eerste lid hebben of in reduplicaties : prajijanayi§èt, sahds-
rasaipvatsarasya, sÓpabarhaijai§a, dnevaipvid, enz. enz. (3).
342. Hier zien wij nu ook opnieuw (4) ten allerdui-
delijkst dat de accentverspringing, volgens de drie-, vier-
silbenwet, ten minste dikwijls, waarschijnlijk bijna altijd,
op zulk een bijtoon teruggaat. Naast klassiek skr. ékasaptati?
heeft de ^B. soms ékasaptati§, maar elders reeds êkasaptati§,
naast sdsattrin komt sasattrin voor, enz, (5).
Vendryes (6) had dus geen recht om te zeggen : Mais
cette hypothese est absolument arbitraire. Trouwens bij
het nederschrijven van zijn bezwaar (als zou de drie-
silben-wet veel te mechanisch zijn) was hij zeker zijn
eigen waarschuwing (§ i5) vergeten : a que les gram-
mairiens grecs ont k la fois trop régularisé et trop simpifié
les faits ».
Terecht mocht Hirt (7) dus in zijne bespreking van
(i) E. Leumann : Die accentuation des Qatapatha-Brahmana,
KZ. 3i, 1892, blz. 22-5i.
(2) Ibidem, § 2, II.
(3) Ibidem, § i. III.
(4) Opnieuw, want van D. C. Hesseling leerden wij in het nr 840
reeds voor het Grieksch.
(5) E. Leumann, t. a. p., § i, I, c; § i, III, c, 2; en § 2, III, 2,
vergl. Wackernagel : Altindische Grammatik, I, § 252. c.
(6) J. Vendryes : Traite d accentuation grecque, t. a. p., § 54.
(7) H. HiBT : Wochcnschrift für klassische Philologie, 22, igoS,
k. 540-41.
— 92 —
Vendryes protest aanteekenen tegen zulk een arbitraire
afwijzing, al bracht hijzelf ook geen afdoende voorbeel-
den bij.
Voor mij persoonlijk is de drie- of vier-silben-wet van
het Sanskrit, Grieksch en Latijn een der grootste bewijzen
voor het .bijaccent en dus voor de muzikale differentieering
in de oude talen, en zoo tevens voor het opgaan ook in
die talen van meerdere woorden in een hoogere psychi-
sche eenheid. Deze grootere constructies hadden altijd op
een der vier laatste lettergrepen een bij accent, dat gaande-
weg het aanvankelijk hoofdaccent overvleugelde. Daar nu
de woorden oneindig veel meer in de constructie dan als
zelfstandige zin woorden voorkwamen, werd het constructie-
accent maatgevend, en zoo kwam de a loi de limitation »
tot stand.
Misschien merkt iemand op, dat toch niet alle woorden
altijd laatste lid der constructie konden zijn, en dat schij-
nen wij toch te veronderstellen. De opmerking is volkomen
juist, maar de veronderstelling is louter schijn.
De eerste leden der 'constructies waren proclitisch geworden
en misten dus alle accent-energie. Hoe dikwijls de woorden
dus ook als eerste lid voorkwamen, hiervan kon geen gelijk-
makende kracht uitgaan; wèl daarentegen van het laatste
lid, welks accent-energie juist om het grooter aantal der
onderhoorige silben des te krachtiger zijn invloed deed
gevoelen.
Oorzaak dus dezer typische accentveranderingen : i^ de
rhythmiek, die de bijtonen op deed komen, 2^ de ana-
logie die het streng gelocaliseerde feit veralgemeende.
Reeds Bopp had hier het rhythme als oorzaak gezien (i),
alhoewel hij natuurlijk niet het vaagste vermoeden had
van onze psychische subordinatie.
(i) Fr. Bopp : Vergleichendes Accentuationssystem, Berlin, 1854,
blz. IV.
- 93 -
343. In het Latijn en Sanskrit is natuurlijk eenige
medewerking van intensiteits-differentiatie niet uitgesloten.
Evenzoo is het ten slotte met het Balto-Slavisch het geval (i).
Voor het Litauwsch heeft toch de Saussure bewezen (2),
dat als twee opeenvolgende silben elk een accent hadden,
zoodat ^ de toppen elkander op de silbengrens ontmoetten,
een van deze. beide hoogheden (althans binnen de con-
structie) voor de ander moest wijken. Waarschijnlijk be-
werkte een kleine inertie van het eerste accent de overmacht
van het tweede, dat alleen het veld behield.
Dezelfde overgang in het Pan-Slavisch, dank zij dezelfde
differentieering, is door A. Meillet uitvoerig nagewezen (3).
344. Tot nu toe beschouwden wij de subordineerende
differentiatie alleen tusschen de silben onderling. Maar
gelijk bij het intensiteits-accent zien wi] ook hier de dif-
ferentiatie in twee opvolgende gelijke groepen van silben.
Leumann heeft toch met een fijn taalgevoel onze groepen-
dififerentiatie zeer juist geanalyseerd, en al gaf hij geen
psychologische verklaring, een merkwaardige parallel uit
de stijlleer, die op hetzelfde psychische beginsel berust,
illustreerde zijne opvatting tot waarschijnlijkheid. In het
licht der tallooze dergelijke verschijnselen, reeds genoemd
en nóg te noemen, meen ik dat onze psychologische mo-
tiveering deze opvallend-origineele verklaring tot veilige
zekerheid zal gedijen.
Sprekend over afwijkingen van het accent zegt hij :
Andererseits ist durchgehend die wahrnehmung zu machen,
dass an allen in frage kommenden stellen jeweils direct
vorher dasselbe wort mit der gewöhnlichen {ètythologischen)
(i) R. Gauthiot : De V accent et de la quantité en lituanien. La
Parole, 1900, blz. 143 vlgd.
(2) F. DE Saussurb : Accentuation lituanienne, IF, VI. 1896, Anz.
blz. iSy vlgd.; R. Gauthiot : Étude sur les intonations serbes,
MSL XI, 1900, blz. 342 vlgd.
(3) A. Mbillet : Note sur un déplacement d accent en slave,
MSL. XI, 1900, blz. 345 vlgd.
- 94 -
accentuation gebraucht worden ist, so dass also die hier
zu besprechende erscheinung sich nur auf wiederholungen
van wörtern bezieht, und somit als accent-dissimilation
aufgefasst werden könnte. Eine solche accent-dissimilation
ware aber wohl stylistisch zu erklaren, da es ja auch die
stylistik ist, welche andrerseits zur benennungs-dissimilation
veranlassung gibt, indem sie die mehrmalige in nicht
unterbrochener reihenfolge wiederkehrende wiederholung
derselben benennung einer sache verbietet » (i).
Slechts eenige voorbeelden uit zijn overvloedig materiaal :
ê§aip sadhané-ip ê§arp sadhdnaip ; satydsaipkalpaip sdtyadhf-
tiip ; snavd hi sn^va ; mahdn nën mdhad aghiip (2) ; ook
de Rg-Veda heeft ten minste één duidelijk geval : arva9ébhir
é.rva9ab (X,92,6).
Zouden hiervoor ook in het Grieksch geen parallellen
zijn na te wijzen?
345. Dat er een of ander woord tusschenstaat, hindert
niet gelijk wij zien; opvallender wordt evenwel het ver-
schijnsel nog, als wij bemerken, dat deze differentieering
vooral tusschen de parallelle gedeelten van hoofd- en bij-
zin plaats vindt; waaruit Leumann met recht van reden
de conclusie trekt, dat a die syntactische verbal-accentua-
tion bei den mit prapositionen zusammengesetzten verben
oft den schein erweckt, als ob (auch) sie eine accent-
dissimilation bezwecke »,
Welnu om een allertreffendste parallel der woordschik-
king in de nieuwere Germaansche talen, die wij pas in
het Ill^e deel van dit hoofdstuk kunnen bespreken, houd
ik ook deze conclusie voor ontwijfelbaar zeker, en moet
(i) E. Leumann : Die Accentuation des (^atapatha-Brahmana,
t. a. p., § 3, Iir.
(2) Leumann veronderstelt het bij-de-hand-hebben van een com-
pleeten tekst, wat bij mij niet het geval was. Vandaar mogelijke
onjuistheden in deze citaten, maar de hoofdzaak : de accentversprin-
ging is natuurlijk stipt in orde.
-- 95 -
dus het bekende accentueeringsverschil der verba-met-
praeverbium in den Vedischen hoofd- en bijzin aan de
wet der differencieerende subordinatie worden geweten.
Allerbelangrijkste voorbeelden van dezelfde muzikale
groependififerentiatie zien wij verder nog onder n' 3y5 en
daaromtrent.
346. B. De inertiewet en het muzikaal accent.
Hiervoor hebben wij één zeer treffend voorbeeld : de
Indische Svarita.
Gelijk men weet, verschilt het Rgveda-accentsysteem
vooral hierin van de accentueering der Maitraya^ïsaiphita,
Kathaka enz., dat in de laatste de udatta-silbe zelf het
staande streepje, in de meeste Rgveda-teksten daarentegen
de op de udatta volgende silbe de hoogste betoning heeft (i),
gelijk het ook ten huldigen dage bij het veda-reciteeren
der brahmanen nóg het geval is (2).
Welk van beide systemen is nu* het oudste?
Onder veel meer is het vooral de vergelijking met de
andere Idg. talen, die er ons toe dwingt in de udatta-
silbe den oudsten hoofdtoon te zien.
Maar hoe is dan de svarita aan haar nog hoogeren
toon gekomen?
Op dezelfde manier als de nieuw-Czechische en Skan-
dinavische tweede silbe na eerste korte aan haar krachtiger
intensiteits-accent kwam ; door immer voortwerkende inertie,
die hier ten slotte de bondgenoot werd der differentieering.
De overgang tusschen beide vinden wij in het klassieke
Sanskrit, zooals Paijini het ons beschrijft : het eerste mo-
ment der svarita-silbe was nog even hoog als de udatta.
Toen de inertie nu, in dezen mede door de differencieering
begunstigd, é\ maar verder werkte, kreeg ten slotte de
svarita-silbe den hoogsten toon : y\\ werd /|\ .
(i) Wackernagbl : Altindische Grammatik, I, § 244-45.
- (2) Martin Haug : Ueber das Wesen und den Werth des wedischen
Accents. Abh. d philos-hist. Cl d. kön. bayer. Ak. d. Wiss. XIII,
1875. II Abt. blz. 1-109, 2ie vooral blz. 48-52.
- 96 -
347. Naast dit eene volstrekt zekere geval wilde ik
echter nog een tweede stellen : de Skandinavische ace. 2.
Ik veronderstel dus, dat de hoogtoon aanvankelijk met
het intensiteitsaccent op de eerste silbe samenviel Of deze
eenvoudige hypothese niet beter voldoen zou, dan de in-
gewikkelde en onbewezen combinaties van Axel Kook en
Noreen, laat ik de Skandinavisten liever zelf beslissen.
348. Maar ook hier werkt het automatisme op silben-
groepen. Zoo verklaart Leumann het eigenaardig-geaccen-
tueerde sdmbhavantas uit inertie van het onmiddellijk
voorafgaande en regelmatige sdmbhavanti (i).
Het etymologische saptd wordt eveneens in de ^^tapatha-
Brahmaija tot sapta, en blijft sindsdien paroxytonon (2).
Zouden hier pdilca en §d$ geen inertie hebben uitge-
oefend (3)?
349. G. De anticipatie en het muzikaal accent.
Juist als bij de inertie hebben wij ook hier één zeer-
algemeen geval, dat alleen als bewijs zou kunnen volstaan,
met nog eenige indicia links en rechts ter illustratie.
Vóór alles bedoel ik de Servische accent-anticipatie :
russ. 2end : serv. 2èna ; russ. peró : serv. pèro ; russ. nesü :
serv, nèsëm, russ. duSd : serv. düSa; russ. zimé. : serv.
zima, enz. Dit spreekt vooral duidelijk uit de nadere be-
schrijving van deze twee secundaire Servische accenten,
door Masing (4) en Boybr (5) geleverd, en later grooten-
(i) E. Leumann : Die Accentuation des (^atapatha-Brahmana,
t, a. p., § i, I, d.
(2) Ibidem, § i, I, b.
(3) Uit Wackernagel : Altindische Grammatik, II, Göttingen, igoS,
blz. 22 leer ik, dat ook d§tau later voorkomt. Nu kan er dus ook groe-
penanticipatie van ndva en dd^a in het spel zijn of loutere analogie.
(4) L. Masing : Die Hauptformen des Serbischchorwatischen Accents.
Mém. d. l'Ac. impér. d. sciences de S* Pétersbourg, 1876, tome 23, no 5,
blz. 70 vlgd.
(5) P. BoYER : La langue et la littérature en Bosnie-Her^égowine,
Revue générale des sciences, igoo, blz. 340.
— 97 —
deels door Gauthiot (i) experimenteel bevestigd; dat na-
melijk in beide gevallen de muzikale toon in de geac-
centueerde silbe nog rijzend is en in de volgende silbe
dalend, en den hoogsten top vertoont juist vóór het begin
der volgende silbe. Ze zijn dus juist het omgekeerde der
Indische svarita. In het Indisch ging door inertie de top
der golvende groep (2) vooruit, zoodat hij eindelijk in het
Rg-vedisch op het eerste begin der volgende silbe cul-
mineerde. Door anticipatie ging de top in het Servisch
achteruit, totdat hij het laatste gedeelte der vorige silbe
bereikte.
360. Ik meen dat deze vergelijking der stijgende udatta
en dalende svarita in het Indisch, met het opgaande
secundaire accent en de dalende primaire accent-letter-
greep in het Servisch, óók in staat is licht te brengen
in de tegenstelling tusschen Ut. ouó = Oerslavisch dalend,
en lit. 6uo = Oerslavisch stijgend.
351. D. De associatie, analogie, contaminatie en het
muzikaal accent.
Wij noemden al eenige feiten van het allergrootst belang
in n' 342, 343. Wij zullen er nog op andere wijzen in
nf 365-371.
Hier volsta ik met een paar gevallen, die juist om het
twijfelachtige dat hen aankleeft, dienen besproken te worden.
352. In het Zweedsch zijn vele tweesilbige woorden,
die vroeger ace. i, dus zoowel de klemtoon als het mu-
zikaal accent op de eerste hadden, tot de ace. 2 over-
gegaan, hebben dus m. a. w. hun muzikaal accent naar
(i) R. Gauthiot : Étude sur les intonations serbes, MSL, XI, 1900,
blz, 336 vlgd.
(2) Dat de udatta in het Rg-vedisch systeem toch ook e'en op-
gaanden, stij genden toon had, en nog heeft, leert Haug : Ueber das
Wesen und den Werth^des wedischen Accents, t. a. p, blz. 49.
7
- 98 -
de tweede silbe overgebracht (i). Als nu de boven onder
n"^ 347. gegeven verklaring van ace. 2 juist is, behoeven
wij ook hier geen analogie te aanvaarden; hebben echter
Axel Kock of Noreen gelijk, dan hebben wij hier zeer
t3rpische voorbeelden van ons associatie-automatisme.
353. Zekerder is het u principe d'opposition des genres »
onlangs door Vendryes in het Grieksch nagewezen (2),
en de reeds langer bekende o loi des appellatifs » (3),
Naar analogie van de Idg. tegenstelling in accent tusschen
o- en a-stammen en tusschen attribuut en zelfstandig nomen,
waarvan wij hieronder in n"^ 366 en 368 vlgd, de verkla-
ring zullen trachten te geven, heeft zich in het Grieksch
eene wederkeerige tegenstelling ontwikkeld tusschen manne-
lijk en vrouwelijk evenals tusschen substantief en adjectief.
Is het mannelijk oxytonon, dan toont zich het vrouwelijk
paroxytonon of proparoxytonon, en is het vrouwelijk oxy-
tonon dan werpt het mannelijk het accent naar voren.
Met substantief eri adjectief eveneens.
Een dergelijke verhouding trefifen wij in het Slavisch
aan tusschen (om kort te gaan) den Nominatief Singularis
en Pluralis van allerlei nominaalstammen.
Ik moet er nu evenwel op wijzen, dat deze weder-
keerige tegenstelling ook een direct gevolg der subordi-
neerende differentiatie zou kunnen zijn; als namelijk de
bij eenstelling van het mannelijk en vrouwelijk, of het
Singulare en het Plurale liefst van denzelfden stam hier het
(i) AxBL Kock : Die alt und neuschwedische Accentuierung, t. a, p.,
§ 149-50.
{2) J. Vendryes : Une loi d accentuation grecque : Vopposition des
genres, MSL, XIII, blz. i3i vlgd.; Idem : Traite d accentuation
grecque, t. a. p., § 181-184.
(3) Ibidem, § 184. Zie nog meer en latere tegenstellingen die ook
vooral aan het muzikaal accent zijn te wijten bij K. Dieterich :
Ak:^ent- und Bedeutungsverschiebung im Mittel- und Neugriechischen,
IF. 16, 190.;, blz. I vlgd.
— 99 —
uitgangspunt gevormd kan hebben. Maar ook in dit laatste
geval moet de analogie toch natuurlijk weer hebben mee-
gewerkt om dit eng-begrensde verschijnsel verder te ver-
spreiden.
354. B. De samenwerking van al onze automatismen
in de kunst vertoont zich ook bij de toonhoogte.
Èn wel ten eerste in muziek en zang. Door de subor-
dinatie wordt een opvolging van tonen tot motief, door
inertie en anticipatie schakelen zich de motieven tot melodie
aaneen. En hoe de associatie in de muziek efifect kan
hebben, heeft Wagner met het « Leitmotiv » in zijne
opera's bewezen.
855. Maar wij behoeven zelfs niet buiten het taalge-
bied af te dwalen, om deze samenwerking te ontmoeten :
in de talen met overwegend muzikaal accent als de Indo-
Chineesche, is er bijna elk vers een voorbeeld van. Het
duidelijkst zullen dit mijne meeste lezers inzien door een
paar eenvoudige Chineesche verzen-schema's.
beteekent : vrije toonbeweging, mag van alles zijn.
^^m beteekent : ping, d. w. z. de toonhoogte blijft gedu-
rende de heele lettergreep constant.
1 beteekent : tse, d. w. z. de toonhoogte gaat tijdens de
lettergreep merkbaar omhoog of omlaag.
10
20
O I O — O I O
o — o I —
o _ o I —
o I o — o I o
o I - - I
0-1 I -
o II
o I 1
lOO —
Verder onderscheidt men nog een ping shang (hooge
constante toon) en een ping kiü (lage constante toon)
benevens een tse shang (stijgende toon) en een tse kiü
(dalende toon). Welnu in vele versmaten moeten nu de
rijmen ook in deze onderverdeelingen overeenstemmen (f).
356. En nu, de typische eigenaardigheden van het
muzikaal accent. Bij de leer van het accent in het alge-
meen en van de toonhoogte in het bizonder hebben de
linguisten en de phonetici tot nog toe veel te weinig rekening
gehouden met de muziek en hare theorie. Want als wij
de taal met de muziek vergelijken kunnen wij er toe
komen eenige (weinige-^eliswaar maar toch) zeer gewich-
tige beginselen af te leiden, die daar ze wortelen in de
menschelijke natuur zelve, uit hun aard algemeen zijn,
en dus gelden voor alle plaatsen en tijden (2).
357. i^. Stilstaan zullen wij dus op de eerste plaats bij
de algemeene muziekwet, dat het natuurlijke lied met
een daling naar den grondtoon eindigt (3).
(i) M. DE Harlez : La Poésie chinoise, Bruxelles, 1892. Zie er
nog andere bij Fr Kuehnert : Ueber den Rhythmus im Chinesischen.
Wiener Sitzungsber , 1896 Bnd. 134, III.
(2) Zoo schreef ik vier maanden geleden, toen ik alleen de li-
teratuur kende, die hieronder wordt bijgebracht. Nog juist vóór
dit gedeelte ter perse ging, is mijn aandacht gevallen op een oud
en vergeten boek : Paul Pierson : Métrique naturelle du langage.
Paris, 1884. Deze studie is mijns inziens van buitengemeene betee-
kenis, niet alleen voor het muzikale-, maar ook voor het intensiteits
en het kwantiteits-accent. Het is nu te laat, om nog al zijne con-
clusies te bejiuttigen. Alleen op eenige belangrijke punten van over-
eenstemming met onze theorie zal ik nog in een nootje kunnen
wijzen. De lezing van Pierson heeft mij, om hiervan het eerste
voorbeeld te geven, gedetermineerd, om hierboven die « weinige-
weliswaar » tusschen haakjes te zetten, en zoo met een vraagteeken te
voorzien; want de overeenkomsten tusschen muziek en taal, waarop
hij mij wijst, zijn volstrekt niet gering in getal meer.
(3) Jesperskn-Davidsen : Lehrbuch der Phonetik, t. a. p., blz. 228;
Paul Pierson : Métrique naturelle du langage, t. a. p., blz. 117.
— lOI —
En dat is duidelijk. Ons spreken en zingen beide is
als het omhoogwerpen van een steen, die door zijn eigen
gewicht weer neder valt. Zoo gaat het toch bij elke be-
weging in de natuur, 't Is niets dan een spanning die
met meer of minder kracht korter of langer ingrijpt in
den even wichtstoestand. Is de spanning voorbij dan her-
neemt alles zijn oude plaats. Welnu de grondtoon is de
rust, het evenwicht, waaruit de toon w^ordt opgeheven om
na langer-of-kortere zweving daarin weer neer te vallen (i).
Daarom eindigt dus elk ongekunsteld muziekstuk met den
grondtoon. Daarom ook eindigt de eenvoudigste taaizin
met een daling. « On a prétendu que, quant è la hauteur,
la voix tombait, en finissant, toujours sur la même note.
Il y a la, è notre avis une légere erreur; la voix tend
simplement vers Tannihilation plus ou moins complete,
selon que Tidée est elle même plus ou moins achevée.
Si Ton prend une phrase isolée, Ie fait alors est que la
voix tend vers l'annihilation complete. J'ai fait sur ce
point un assez grand nombre d'expériences qui toutes
m'ont conduit k cette conclusion : la voix tombe en finis-
sant une phrase isolée de plus en plus vers la note la
plus basse qu'elle puisse donner » (2).
En zoo verklaart zich al aanstonds het muzikaal accent
van de eenvoudigste menschelijke uitingen. Een kleine
sprong omhoog en dan weer naar beneden. "^Goed ^zoo.
TMooi lzoo. rpraai Jij. f Wel ^mij (3). De Grieksche prae-
posities als realiteitsbeaming (geen ecxti uitgelaten I) ofiro,
(i) GiETMANN-SöRENSEN : Musik-AestkeUk, Freiburg, i. B., 1900,
blz. 2i3.
(2) B. Bourdon : V expression des émotions et des tendances dans
Ie langage. Paris, 1892, blz. 57.
(3) Ik ^eei hier en verderop de toonhoogte met haakjes boven
of onder den regel aan, de pauzen met enkele en dubbele ver-
tikale strepen ertusschen.
— I02 —
368. 2<». Maar meestal is de spanning, de zielsbewe-
ging die ons tot een uiting in taal of muziek drijft zoo
eenvoudig niet. En dan hebben we gelegenheid de zoo-
genaamde positieve en negatieve beweging te onder-
scheiden :
de positieve, psychisch : uit zich zelf treden, sterk voelen,
energiek willen,
muzikaal : stijgen van tonen in hoogte, snel-
heid en kracht.
de negatieve^ psychisch : in zich zelf terugkeeren, bevre-
digd zijn, egaal,
musikaal : dalen van tonen tot grondtoon,
langzaam en zacht (i).
Een aantal prachtvoorbeelden hiervan biedt ons het
Gregoriaansche Praeconium paschale : Exultet (2). Telkens
weer jubelt de blijheid om het wondere Licht naar den
dominant omhoog en blijft er zweven in blanke snel-
vleugelige klanken er zingend de heerlijkheden van dezen
goudgestraalden nacht. Tegen het einde der periode juicht
een zielsroep nog over den dominant heen om dan bij
het sluiten der gedachte in stemmige daling heen te wij-
ken naar de finale, en er te wijlen tot weer nieuwe ju-
bileering zich verheft.
Welnu zoo ook in de taal. Elke periode, door een
taalkunstenaar gebouwd, kent dienzelfden opgang naar bo-
ven voor de komma's, de sneller volgende woorden in
het positieve middendeel, tegen het einde nóg iets hoo-
(i) H. KiEMANN : Grundliniejt der Musik-Aestketik, Leipzig, 1903,
blz. 6 en 22; Th. Lipps : Grundlegung der Aesthetik, Hamburg
und Leipzig, 1903, blz. 323.
(2) Gelijk trouwens de oude en middeleeuwsche muziek ons
altijd meer en beter voor het muzikale taai-accent kan leercn dan
de moderne. Zie hierover : A. Thiéry : Le Tonal de la Parole,
Louvain, 1901. Extrait de la Revue Néo-Scolastique, 1900-1901,
passim, vooral blz. 60 vlgd.
— io3 —
ger, om dan in statige intervallen naar de punt te dalen.
SvEDELius beschrijft vooral de negatieve bevreging zeer
teekenend ; Il est important de faire comprendre k ses
auditeurs qu'on ne leur dira plus rien, que la commu-
nication qu'on a voulu leur faire est réellement achevée.
Cela ressort directemcnt du sens communiqué, mais a
Tappui du sens vient aussi Ie ton un peu grave sur le-
quel on prononce la dernière unité linguistique, au moins
sa dernière syllabe La gravité du ton est accompagnée
d'autres modifications de la voix. On prononce les dernier s
sons qui precedent Varrêt final avec une intensité plus
marquée que d'habitude,,,,. En même temps on unit moins
intimement les derniers mots [peut-être même les der-
nières syllabes); on les sépare par de petits arrêts an-
ticipanty pour ainsi dire, Varrêt final (i).
Als we nu hierbij bedenken, dat Svedelius nergens
in zijn boek blijk geeft aan een vergelijking met de mu-
ziek gedacht te hebben, en we zien desniettegenstaande
die treffende gelijkenis van het hier beschreven taalslot,
met de coda van bijna elk muziekstuk (men denke vooral
aan de laatste accoorden door kleine pauzes gescheiden)
dan mogen we zeker in dit citaat een sterk bewijs zien
voor het parallellisme, dat ons bezighoudt.
Voor het positieve deel is Bourdon vooral duidelijk.
De mededeeling van verschillende interessante proefne-
mingen over de toonhoogte in de taal besluit hij toch
met deze korte conclusie ; Pour revenir maintenant a la
theorie générale de la hauteur, nous croyons pouvoir
poser en principe que toute émotion au tendance dyna-
mogène élève la voix, C'est au reste tout ce que nous
nous estimons en mesure de pouvoir affirmer (2).
(i) Svedelius : L'analyse du langage, t. a. p., blz. ii3.
(2) Bourdon : L'expression des émotions et des tendances dans
Ie langage, t. a. p.. blz. 63.
— 104 ^
Maar is dit nu ook eenmaal bewezen, dan kunnen wij
aanstonds het verschil tusschen een gepassioneerden uit-
roepszin en een kahne mededeeling causaal begrijpen.
y-'^
È:j^-;i.^ -^=.^
Ê^-^i3rzaEE£-
Der Feind ist besiegt. Der Feind ist be-siegt!(i)
Het slot van de mededeeling is negatieve, maar de
uitroep in jf'w geheel is positieve beweging. Het is dus
eene algemeene wet : « La voix soutenue jusqu'a la fin
de la phrase indique dans Ie domaine des hauteurs un
déploiement d'énergie » (2). ^Wee ""mij ! Jou Tschurk ! ^Zoo'n
f kwast I
369. Verder wordt het ons nu duidelijk waarom het
muzikaal-accent in een mededeelingsconstructie van voren
naar achteren gaat, als deze met een daarop volgende
tot een nieuwe eenheid wordt verbonden. Want wat vroe-
ger het einde, negatieve beweging of daling was, moet
nu opgang, positieve beweging of hoogte blijven. En
als het algemeen menschelijk blijkt te zijn (wat we met
veel grond mogen bevroeden) dat juist de hoogste toon
vlak vóór het einde intreedt, dan kunnen wij ons zelfs
geen andere accentueering denken. Zoo wordt : ^Jdn en
alle^man. tot : Jan en alle''mdns ^^vrind. At ^seven o\clock.
tot : i^a se ven o'i^clóck ^dinner,
In deze gevallen gaan klemtoon en muzikaal-accent
hand in hand, maar ook al blijft het intensiteits-accent
op z'n oude plaats (wat in onze moderne talen bij vele
woorden voor het verstaan gevorderd wordt), het muzikaal
accent blijft de natuur getrouw. Zoo wordt "^ Vaster wan-
(i) WuNDT : Die Sprache, II, blz. 400.
(2) Bourbon : Vexprcssion des émotions ei des tcndances dans
Ie langage, t. a. p., blz. 154.
- io5 -
neer het met fMut^ter verbonden wordt tot Vd'^ter und
Mütj^ter (i). Vergelijk verder : Die Lie^be Got^tes. met :
Das fgrösste ist die Lie^be. en : i^MülJer met : MüUler,
SchuKze und TBrau^ne (2). Den maatslag voor een marsch
'één itwee met de maat voor een wals ^één, '^twee, ^drie.
Naast TOUTCOV Tit^LP^ • L'ï^e'^P^ TOUTCDV (3).
360, Deze veranderingen uit de constitutie der spreek-
organen en hun verband met de hoogere psychologische
vermogens (zie n' SjS) bij den spreker geboren, hebben
nu ook evenwel het oor van den verstaander aan deze
zeer natuurlijke bewegingen gewend. De menschen zijn
zich de natuurgewoonte min of meer bewust geworden :
dat een hoogere toon geen einde is, dat hun oor voor een
bevredigend slot een daling naar omlaag verlangt. En deze
min-of- meer-bewuste kennis toont zich nu ook weer dui-
deüjk in de taal.
Jespersen haalt hiervoor een paar merkwaardige staal-
tjes aan (4) : Twee menschen nemen afscheid. Ze zeggen
beiden : Adieu. Maar de eerste zegt het gemeenlijk op
een veel hoogeren toon. Hij wacht op het slotwoord van
den ander, ja, zegt het soms zóó vragend, dat het als
*t ware gaat beteekenen : nu, dan hebben we voor van-
daag toch niets meer te verhandelen? Maar de tweede
sluit het gesprek op lagen toon, en geeft zoo eventueel
antwoord op de vraag ; Neen, niets meer. 'dieu ! — ^Atdieu!
(3) Deze accentueering is proefondervindelijk door graphische
curven gestaafd bij William Martens : Ueber das Verhalten von
Vocalen und Diphtongen in gesprochenen Worten, Zeitschrift für
Biologie. Bnd. 25, blz. 289-328, zie vooral blz. 3o6 vlgd.
(2) Jespersen- Davidsen : Lehrbuch der Phonetik, t. a. p., blz. 235.
(3) Het historisch accent is rJpi, skr. pdri, en zoo bij alle prae-
posities met zoogenaamde anastrophe. J. Vendryes : Traite cTac-
Centuation grecque, t. a. p., § 74, vgl. nr 357 hierboven.
(4) Jespersen-Davidsen : Lehrbuch der Phonetik, t. a. p. , blz. 228-29.
— io6 —
« Du erhaltst eine ^Mark, nicht einen ^pfennig ^mehr »
zegt A tegen B en de diepe daling op ^mehr verduide-
lijkt zeer welsprekend zijne stemming : Nu is 't uit, ik
wil er niets meer over hooren. Maar nu herneemt B :
fkeinen 'Pfennig mehr. Hij beschouwt de zaak nog vol-
strekt niet als afgedaan, zijn toon gaat voortdurend om- 4
hoog, als om een antwoord af te dwingen, want wij '
voelen een organische antipathie om te blijven staan in
de hoogte.
En zetten wij nu, gelijk wij misschien bij het lezen
al instinctmatig hebben gedaan, achter het laatste ^mehr
een vraagteeken, dan beseffen wij, hoe hiermede de psy-
chologische oorzaak is ontdekt van den algemeen-men-
schelijken vraagtoon :
^^^=ïr-s;
^
Der Feind ist be-siegt ?
En zoo meenen wij voor alle tijden en talen (i) be-
wezen te hebben, wat Nyrop-Philipot (de eenigen, die
in hunne bibliographie ook Paul Pierson opgeven) voor
het Fransch hebben opgesteld (2) : Pour ce qui est des,
groupes de mots, on peut faire les remarques suivantes :
lo Le ton montant indique que la pensee est inachevée,
indéterminée ; on Temploie dans les interrogations,
dans les phrases interrompues, etc.
2*> Le ton descendant indique que la pensee est achevée,
bien définie.
(i) Ik beweer hiermee natuurlijk niet, dat deze natuurlijke toe-
stand niet kan verduisterd zijn door allerlei storing van beschaving
of analogie : L'ordre acquis, artificiel, se mêle constamment é. l'ordre
naturel et l'intervertit, meent Bourdon zeer terecht, (t. a. p., blz. i5o).
(2) Nyrop-Philipot : Manuel phonétique du franfois parlé, Co-
penhague, 1902, blz. 114.
. — I07 —
361. 3o Een derde overeenkomst, die hier van belang
is, tusschen muziek en taal, bieden ons de twee juist
tegenovergestelde werkingen van de pauze en de rust.
« Wahrend Pausen, zegt Riemann(i), welche nach Tonen
eintreten, die einen natürlichen Abschluss bilden, kaum
von irgend welchem Empfindungswerte sind, sind andere,
welche eine Phrase zerreissen, besonders solche, die vor
den Schwerpunkt f allen, von erschreckender, beangsti-
gender, den Atem versetzender Wirkung ».
Al geldt nu, gelijk wij verder zullen zien, deze on-
gerust-makende beschrijving noch in de muziek noch in
de taal van alle « phrase-zerreissende » pauzen, ik heb
deze schildering voorop gezet, omdat iedereen er aan-
stonds mee ziet, welk feit we bedoelen.
Om het echter in z n innerlijk wezen te doen begrijpen,
acht ik het nuttig eerst eene algemeene psychologische
wet, ik bedoel het Stauungsgeset^ beknopt uiteen te leggen.
« Wird ein psychisches Geschehen in seinem natürlichen
Ablauf unterbrochen oder gehemmt, oder tritt in denselben
an einem Punkt ein fremdes Element hinein, so geschieht
an der Stelle, wo die Unterbrechung, die Hemmung,
die Störung durch das Fremde, auftritt, eine Stauung :
Die in ihrer Verjpirklichung gehemmte Tenden^ des Fort-
ganges kon^entriert also die psychische Kraft an jener
Stelle » (2).
Zoo is alle streven gedeeltelijk eene Stauung van de
psychische kracht bij 't opkomen der Hemmung. Hiertoe
behoort verder de hoogere waardeer ing van hetgeen men
pas komt te missen ; de bizondere indruk, dien het half be-
dekte, het halfuitgesprokene, soms kan uitoefenen; de
werking van een dissonant in de muziek; het blijven
stilstaan van een horloge, dat ons wakker maakt ; enz. enz.
(i) Musik'Aesthetik, t. a. p., blz. 56.
(2) Th. Lipps : Leitfaden der Psychologie, t, a. p., blz. 109 vlgd.
— io8 —
Wordt dus, om dit nu toe te passen op de muziek,
eene reeks van toonbewegingen plotseling onderbroken,
dan krijgt juist dóór die onderbreking de laatste klank
vóór die onderbreking een typisch accent. Denk b. v.
maar aan het stacato.
Een uitvoerige toepassing van deze muziekwet gaf reeds
— zonder evenwel hare algemeenheid en psychologische
motiveering te bevroeden — Hugo Riemann in het 6<**
Hoofdstuk van zijne Musikalische Djrnamik und Agogik
Leipzig, 1884 (i).
Welnu, in de taal vinden wij juist hetzelfde; want het
is een zeer vruchtbare waarneming van Carl Svedelius (2),
dat de pauze dikwijls als accent dienst doet.
De pauze is niet altijd, gelijk nog Sievers en Delbrück
meenden, als een maatstreep tusschen de Sprechtakte onder-
ling; zij wordt integendeel door de psychische energie (3),
die zij dank het Stauungsgesetz aan de voorafgaande letter-
greep verschaft, juist tot den hoogsten één-makenden top
der golvende groep.
Ten eerste in emphatische uitdrukkingen (4) :
Das ist ^buch || stablich wahr. ^Per |( nicious. Oh it's
""allbominable! ^^Af || schuwelijk I rOnt|| zettend. [Ge |1 weldig.
Overeenkomstig het Stauungsgesetz krijgt de vooraf-
gaande silbe gewoonlijk een zeer hoogen toon. En aan
de voorbeelden ziet men, dat hier het muzikaal accent
wederom niet met den gewonen klemtoon behoeft samen
te vallen.
(i) Zie ook een korte samenvatting op blz. 106 van zijne All-
gemeine Musiklehre^, Leipzig, 1904.
(2) Svedelius : L'analyse du langage, t. a. p., blz. 96 vlgd.
(3) Men begrijpt, dat deze zich naar den aard der talen ook
in quantiteits- of intensiteitsaccent kan uiten. Daar dit verschijnsel
echter 't meest typisch bij het muzikaal accent optreedt, achtte ik
het hier 't best op zijne plaats. '
(4) jEspERSEN-DAViDSEN : Lehrbuch der Photietik, t. a. p., § 109.
1
— log —
Ten tweede, in grootere of samengestelde constructies.
Is de pauze b. v. nog maar half voelbaar in ; Les
guerres des Fran'^9ais | ont été ... zeer sprekend treedt
zij op in : La guerre des Fran9ais a Madagas'^car || a été
.... etc. Vier plus ""vijf j is iiegen. en : Vier '"plus || vijf-maal-
""zes I is vierendertig, geven een nieuwen kijk op hetzelfde
feit.
Ten slotte : in alle mogelijke gevallen, waar men eenige
speciale klem noodig acht, zoo vooral bij tegenstellingen.
D'autres ... ""lui || était convaincu, enz. enz.
De aangehaalde voorbeelden, zegt Svedelius, vindt men
echter alleen in de meer beschaafde spreektaal. In de
gewone omgangstaal vindt men wel hetzelfde princiep,
maar min of meer gemaskeerd. Het volk toch vult zoo'n
pauze door allerlei toonlooze gevoels woordjes aan.
In plaats van : c'est Hui || qui a préparé la question.
hoort men : eest Qui ^alorSj qui a préparé la question.
En voor : Le pubHic || discute ces questions a présent,
drukt een krant : Le public^ Juij discute ces questions,
waar het publiek tegenover de geleerden gesteld wordt.
Die '"Treue Lsiej ist kein leerer Wahn.
362. Passen wij nu deze drie klassen van gegevens
ook toe op de talen, waarvan wij de accentuatie slechts
gebrekkig kennen, dan zullen wij spoedig bemerken hoe
mild dit nieuwe weten onze gegevens bij de armelijke
overlevering geborgd, zal aanvullen en verrijken.
Want als wij zien hoe moeilijk het ons nog valt onze
eigen moedertaal, met al de fijne analyses en breede ver-
gelijking, die ons XX»t«-eeuwers ten dienste staan, ook
maar eenigszins dragelijk te accentueeren ; dan kunnen
wij, bij de nasporing der accentueele eenheden der oudere
talen, ons toch niet heel en al gebonden geven aan de
gebrekkige toonstreepjes der brahmanen en Alexandrijnen,
die toen zij ze voor het eerst in de teksten brachten,
— IIO —
ten minste veel van die geschreven literatuur al maar
nauwelijks meer hunne moedertaal konden noemen, en in
algemeenen kijk op taalverschijnselen bij de beperktheid
hunner kennis, zeker verre bij de tegenwoordige taalvor-
schers hebben achtergestaan.
Dat de composita van verbaalstam -|- pronomen een
accentueele eenheid vormden wisten wij al lang. Maar
tóch is het voor sommigen nuttig, meen ik, de oudste
verhaalvormen met de bovengenoemde zinnetjes : ^Wel ^mij,
f Fraai Jij, "^Goed l^oo, te vergelijken.
Temeer, daar ons zoo de vorming en de beteekenis
van nog een andere groote klas van Idg. woorden duide-
lijk kan worden. Ik bedoel de zoogenaamde abstracta op
-ti, die ik met den 3<*«ö persoon Sing. zou willen identifi-
ceeren. Het semasiologisch bewijs daarvoor brengt n'Syi.
363. Zoo mogen wij verder ook al aanstonds uit het
onbetoond zijn van het verbum aan het einde van den
Vedischen hoofdzin (i) de conclusie trekken, dat het ver-
bum hier dus niets is dan negatieve beweging, die met
een voorafgaande positieve, van betoond dat is hoogtonig
subject, object of bepaling ééne toongroep, ééne accen-
tueele eenheid uitmaakte.
Stond het verbum voorop, dan vormde ddt den posi-
tieven opgang en het bijbehoorende nomen de negatieve
daling, gelijk duidelijk blijkt uit de composita van de
typen : bharddvajas en ddti-varas, die ik met Jacobi (2)
beschouw als tusschenzinnetjes, samengesteld uit wat later
de 3<i® pers. van het verbum finitum werd -f- wat later
(i) B. Delbrück : Altindische Syntax, Halle a. S., 1888, § 22-23.
(2) H. Jacobi : Compositum und Nebensa^, Bonn, 1897, blz. 61
vlgd.; Brugmann, IF, 18, 71 zocht in de -ft- vormen Infinitieven.
Maar wanneer zullen wij toch eens ophouden allerlei uiterst-secun-
daire kategorieën in den vóórtijd der Idg. grondtaal te projicleeren ?
Zie nr 371.
— III —
subject of object heet; maar wier eerste lid in elk geval
door de i^ïs als verbum finitum moet gevoeld zijn (i).
En al zette dan later in een ietwat lossere verbinding
de brahmaan, na het geaccentueerde verbum op het nomen
een nieuw accent; wijzend op de juist aangehaalde ca-
tegorie van composita en den dwang van een systeem
dat het meestal-vooropstaande nomen ook hier een accent
opdrong, mag ik gerust, meen ik, voor het Vedisch tot
de accentueele • eenheid van bijna alle subject-of-object -|-
verbum-groepen in den hoofdzin besluiten.
Maar gelijk wij reeds zagen (n*" 278) is de verbinding van
het verbum met de nomina in den bijzin inniger dan in
den hoofdzin, dus mogen wij a fortiori in den bijzin
de juist- voor-den hoofdzin- bewezen accentueele eenheid aan-
vaarden. De nomina zijn hier dus wederom door sys-
teem-dwang altijd geaccentueerd. Maar het verbum der
vooropstaande bijzinnen draagt natuurlijk den hoofd-
toon (2), omdat de gedachte onvoltooid, onbepaald is : het
verbum van den bijzin is het culmen der positieve be-
weging, van den ton montant. De op het praeverbium
hoorende toon gaat dan ook op het verbum over (3). Het
geaccentueerde verbum in navolg^ende bijzinnen komt
alleen in « aufFordernde Satze » voor (4). En die verklaren
zich zelf dus als positieve beweging : uit zich zelf treden,
energiek willen.
(i) *t Is de bekende constructie i.Tz6 xoivou ook in andere talen
niet ongewoon : Mhd. die worhte ein smit hiez-VolcSn. Mnl. een
dorper heet-Lamfroit woont hier bi, een borne heet-Kriekepit gaet
suutwest niet verre danen. Zie voor de literatuur hierover H. Paul :
Prins^ipien^^ blz. i25 en voeg erbij het blijkbaar vergeten allerbe-
langrijkste werk van Louis -Francis Meunier : Les composés qui con-
tiennent un verbe a un mode personnel. Paris 1875.
(2) B. Delbrück : Altindische Syntax, t. a. p., § 25.
(3) Ibidem, § 28. Vergl. nr 345 en 373.
(4) Ibidem, § 26.
— 112 —
364. In het Grieksch was het verbum finitum oor-
spronkelijk altijd enclitisch (i). Dit is een sterk bewijs
voor de thesis van Hermann (2), en als zoodanig, meen
ik, nog niet benuttigd. Maar niet minder sterk pleit dit
feit voor onze stelling : dat, wat wij voor den Vedischen
hoofdzin vindiceerden, namelijk de accentueele eenheid van
subject-of-object -|- verbum, reeds een feit blijkt te zijn
in de Indogermaansche grondtaal.
Maar in het historische Grieksch werd het verbum toch
wèl geaccentueerd. Is dan die oeroude eenheid weer uiteen-
gevallen (3)? Als er de Grieksche gravis niet was, zouden
wij dat niet zoo gemakkelijk kunnen weerleggen. Maar
nu spreken de talrijke enclinomena (4) te duidelijk. Het
is wel jammer, dat de meening die deze papéta voor
eene (jifftj hield, tot nu toe bijna eenstemmig door allen
geleerd, zoo o. a. door G. Hermann, Corsen, Westphal,
Kühner-Blass, in de laatste jaren juist bestreden is door
de twee geleerden, die aan het Grieksche accent eene
bizondere studie hebben gewijd : Wackbrnagbl (5) en
(i) J. Wackernagel : Beitrdge :{ur Lehre vom griechischen Ak^^ent,
Basel. 1893.
(2) Eduard Hermann : Gab es im Idg, Nebensdtje? Gütersloh, 1894.
(3) Dit zou op zich volstrekt niet onmogelijk zijn. Zoo vallen
bij den teruggang der beschaving na den val van het Westersch
Romeinsche rijk, btjlijkens de Romaansche accentuatie weer vele
Latijnsche composita uiteen. Zie het laatst hierover met aanhaling
der vrij uitvoerige literatuur : R. S. Radforj) : On the recession
of the latin accent, AJPh., 25, 1904, blz. i5i vlgd.
(4) Dit was de term der grammatici voor gebarytoneerde oxjrtona
in Satzinlaut.
(5) J. Wackernagel ; Beitrdge ^ur Lehre vom griechisehen Ak^ent,
Basel, 1893, blz. i vlgd. Zie ook Wackernagel : Das Zeugniss der
delphischen hymnen über den griechischen Ak^ent, Rheinisches Mu-
seum, 5x, blz. 3oz-3o2.
— ii3 —
Vendryes (i). Ik behoef echter hier op deze kwestie niet
meer in te gaan, sinds Hugo Ehrlich (2) ze nog eens
afzonderlijk en k fond behandeld heeft (3), en mijns in-
ziens met evidentie heeft aangetoond waar te zijn, wat
de onmiddellijke constateering der feiten mij, en mij niet
alleen, in dezen altijd had voorgehouden. In constructies
dus als : paaiXeOc ey^veto, (xv^oti 8') o6pavóv Txe wijst de gravis
op een bijaccent, m. a. w. de laatste lettergreep der no-
mina was hooger (4) dan de twee eerste lettergrepen, maar
lager dan de geaccentueerde silbe der verba. Zij vormden
dus ééne toongroep : ééne secundaire beamingseenheid.
Dat wij niets van deze accentueele eenheid merken, als
het historisch accent op een vorige lettergreep van het
nomen viel, is zeer begrijpelijk dadr het verschil tusschen
bij- en hoofd- accent dan alleen voor een Jijn opmerker
is waar te nemen. Juist gelijk boven bij sub vos pldco
en süpplico vos.
Echt enclitisch waren in het Grieksch slechts drie Indic.
Praesentia : eIhli, iQfxt en <pT)|xt (en het laatste nog met uit-
zondering van den 2^» pers. sing.). Van eIjjii is dat zeer
(i) J. Vendryes : Traite d'accentuation grecque. Paris, 1904, §35-44.
Zie vooral zijn concessies in § 42 en vergelijk R. Gauthiot : Mé-
langes Meillet, blz. 58, althans voor de feiten.
(2) Hugo Ehrlich ; Zur griechischen Prosodie, I, KZ., 3o, igoS,
blz. 571-83.
(3) Vergl. ook Th. Reinach's bespreking van Vendryes in de
Revue des études grecques, 47. 1904, blz. 485.
(4) Met HiRT (Handbuch, § 274, Anm.) een omkeering der
waarden van positieve en negatieve beweging aan te nemen, is
eenvoudig een psychologische ketterij. Dan had Krüger {Griech,
Sprachlehre, § 8, 10, Anm. i) hem al beter kunnen leeren. Deze
spreekt toch van « etwas gedampft » en vergelijkt dan zeer terecht :
^handle ge^scheit met [ge^scheit ^handeln : het « gedampft » of « lager
van toon » moet men hier dus verstaan in verhouding met het vol-
gende woord, niet met de vorige lettergrepen van hetzelfde woord.
8
114
begrijpelijk uit zijn pronominale natuur. 4>tj{xi en i\iu zijn
enclitische zinnetjes, waarover wij verderop nog hebben
te spreken.
365. Dit alles blijkt overduidelijk uit de muziek der
Grieksche hymnen. Want Ambros merkte zeer terecht op :
« Die Griechische Müsik war für die Dichtung, was die
Polychromie für den griechischen Tempel war. Wie diese in
kluger und bescheidener Unterordnung die Bauglieder mit
leichter Nachhilfe belebt, so soUte die Musik nicht das
Wort des Dichters eigensüchtig verschlingen oder sich
eigensüchtig vordrangen, sondern das Wort erst recht heil
und klar ertönen lassen » (i). De melodie richtte zich dus
naar de toonhoogte der gesproken woorden, en vandaar
zijn de overgeleverde fragmenten zoo gewichtig voor de
bepaling van het echte gesproken Grieksche accent.
Wackernagel nu vond in de bekende Grieksche hymnen-
fragmenten (2), dat niet alleen doorgaans de acutus met
de hoogste noot van de woordmelodie samenviel, en de
perispomene op twee noten in dalende volgorde werd
gezongen, maar bovendien dat de gravis-lettergreep toch
wel het hoogtepunt vormt van de woord-melodie waartoe
ze behoort, meest echter lager en nooit hooger is, dan de
begin-lettergreep en de accent-lettergreep van het volgende
constructie-lid (3). En hieruit blijkt dus duidelijk, dat wij
van de verwarde berichten der Grieksche grammatici alleen
diegene moeten gelooven, die ons de gravis als eene fii<TTj
beschrijven en noemen (4).
(i) A. W. Ambros : Geschichte der Musik. Bnd. P, 1887.
(2) C. Jan(us) : Musici scHptores Graeci, Supplementum : Melo-
diarum reliquiae, Lipsiae, 1899.
(3) J. Wackernagel : Das Zeugniss der delphischen Hymnen über
den griechischen Accent, Rheinisches Museum, 5i, 1896, blz. 3o4-3o5.
(4) HuGO Ehrlich : Zur griechischen Prosodie I, KZ. 39, 1905,
blz. 571-83.
— ii5 —
Dat evenwel de accentueele eenheid van sommige gram-
matische constructies óók gevoeld werd, als het eerste lid
geen oxytonon was, en de accent-noteering der Alexan-
drijnen ons dus geheel en al in den steek laat, blijkt
althans voor adjectief -f- substantief overduidelijk uit de
juistaangehaalde studie van Hugo Ehrlich. Deze vond
toch dat dit syntactische complex in de muziek werd op-
gevat als een enkel woord met slechts één muzikalen
top. Deze top valt noodzakelijk op de geaccentueerde
silbe van één der twee woorden, terwijl met de geaccen-
tueerde silbe van het ander woord niet gerekend behoeft
te worden. De eenstemmigheid van het betreffende materiaal
maakt all^n redelijken twijfel onmogelijk. Ik geef slechts
een paar voorbeelden ter opheldering :
(i) enz.
yau-poujtóvov
Door deze conclusies van Ehrlich aangelokt ging ik
nu zelf de constructies : subject -f- verbum en object-of-
rest -[- verbum onderzoeken, en ik kwam tot juist dezelfde
conclusie. Ook deze worden als één woord met één
muzikalen top behandeld. Het is hier de plaats niet dit
aan compleet materiaal na te wijzen, de voorbeelden zul-
(i) Ik ontleen mijne muziek-noteeringen niet aan de Melodiarum
reliquiae van C. Jan, daar zijne transscriptie van muzikaal stand-
punt, vooral in het rhythme, zeker gebrekkig mag genoemd worden,
maar aan de overzetting van Hugo Riemann : Handbuch der Musik-
geschichte, I, i, Leipzig, 1904, § 25, die van zijn kant evenwel door
conjecturen, geheel en al in tegenspraak met de gevonden regels,
een philologische onbevoegdheid aan den dag legt, die bezwaarlijk
is goed te praten. Daar ik evenwel niets dan zeker-overgeleverde
plaatsen citeer, is dit bezwaar voor ons geen beletsel om zijne
rhythmisch-zeker-nauwkeuriger noteeringen hier de voorkeur te geven.
— ii6 —
len ieder, die het na wil slaan, onmiddellijk in het oog
vallen. Ik citeer er hier slechts een paar van die het
zekerste bewijzen, doordat ze juist gelijk boven, zich vol-
strekt niet storen aan de etymologische accentueering van
de minder betoonde constructiedeelen :
fetarr..UU,
m^^!ES
enz.
T^XToudiv liti^paxov ijiipav *'0<iov ([fj;
Men ziet het. Juist als in de eerste voorbeelden met
de accentueering van yaupoufjievov en x,*^ivcp niet werd ge-
rekend, zoo blijken ook x^xTouaiv, dt|jiipav en óaov slechts
een zwak bijaccent te hebben overgehouden, dat de muziek
bijwijlen (i) mocht verwaarloozen, waardoor dus de een-
heid van accent ook in deze groepen ten volle bewezen is.
Dat de muziek van den Samaveda, die ons in talrijke
manuscripten bewaard is, tot een zelfde resultaat zal lei-
den, kan ik alleen vermoeden D»" R. Simon te München,
die zich vooral met de Oud-Indische muziek bezig houdt,
deelde mij bereidwillig mee, dat in dezen voorloopig
nog geene zekerheid te verkrijgen is, daar nog èl te veel
moet aan het licht gebracht worden uit lang-verwaarloosd
handschriftelijk materiaal, eer wij hieromtrent op voldoende
gegevens een oordeel zullen kunnen vellen.
Met de voorbeelden echter van Hugo Ehrlich zijn wij
al vooruitgeloopen naar de nominale of zoogenaamde
open constructies.
(i) Bijwijlen, want gelijk ik boven reeds aanduidde, hebben de
etymologisch geaccentueerde lettergrepen dezer bij -woorden toch
meestal een hoogeren toon dan de etymologisch-ongeaccentueerde
lettergrepen van hetzelfde woord. Omdat in dit laatste geval echter
een minder-muzikaal-bedeelde, de onzelfstandigheid of de onderhoo-
righeid van zoo'n woordgroepje onder een hoogere eenheid zou
kunnen betwisten, koos ik juist deze meer sprekende staaltjes uit.
— 117 —
366. Hiervoor nu is alles nog veel gemakkelijker te
bewijzen.
Na al. het voorgaande is het toch duidelijk, waarom
het vooropstaande adjectief in het Idg. altijd den toon op
de laatste lettergreep had (i). Ton montant : la pensee est
inachevée, indéterminée : yXauxói; (J^öaXjjjoi; : fonkelend oog.
Maar zoo wordt ook het wisselend accent der nomina
in de declinatie verklaarbaar, als wij met Hirt (2) tot
de ontdekking komen dat een casus obliquus met het
volgende regens ééne toongroep vormde.
Het zelfde voorbeeld van daar juist kunnen wij toch
als rectum -\- regens opvatten, yXauxdi; voor Genetief van
Y^avS? houden, en het dan even ontwijfelbaar juist met
uilen-oog vertalen.
N, V. Wijk meent zelfs, dat alle thematische adjec-
tieven op dergelijke wijze uit zelfde grondvormen als de
Genetieven zijn ontstaan, en mijns inziens is daartegen
geen bezwaar.
Maar alle andere zwakke casus obliqui vormden een-
zelfde verbinding (3),
Genet. Sing. : A tócrxoupoi ; Dat. Sing. : atmanëpada-;
Instr. Sing. : vactstëna-; Loc. Sing. : SifipiXo;, asméhiti-;
Abl. Sing. : stökanmukta- ; Genet. Plur, : apaipnidhi-;
Loc. Plur. : apsüyöni- enz. (4).
(i) N. V. Wijk : Der Nominale Genetiv Singular. Zwolle, 1902, § 33;
J. Vendryes : Traite d'accentuation grecque, t a. p , § 184.
(2) H. Hirt ; Der Idg. Accent, t. a. p., blz. 3i5 vlgd., vergl.
N. V. Wijk : Der nom. Gen, Sing., t. a. p., § 91.
(3) O. Richter : Die unechten Nominalcomposita des Altindischen
una Altiranischen, IF, IX, blz. i vlgd., i83 vlgd.
(4) Dat hier Dat. en Instr. Plur. ontbreken is zeer begrijpelijk,
zij vormen toch, gelijk de overeenkomende duale casus, een tamelijk
jonge samenstelling uit den stam en de praep. *bhi (H. Hirt : IF. 17,
blz. 5i vlgd.). Het eigenaardig accent dezer vormen verklaart zich
uitstekend uit nr 340. De Loc. Plur. lijkt mij iets ouder. Vandaar
zijn middelstelling.
— ii8 —
Hoe het accent in deze en dergelijke composita door
allerlei secundaire regelen is afgeweken en gesystemati-
seerd kan men zien bij Wackernagel (i).
867. De Nominatief en Accusatief daarentegen waren
meestal zelfstandige zinwoorden. Zij vormen oorspronke-
lijk een groep op zich zelf, en dus is de laatste letter-
greep onbetoond.
Dat de Locativus-Sing. weifelde, kan ons niet bevreem-
den, daar die in het gewone gesprek als geïsoleerde
realiteitsbeaming aanhoudend moest voorkomen (2). En
dat de Accusativus Pluralis in het vroegste Oud-Indisch
zijn accent eveneens naar de laatste lettergreep liet over-
gaan, wordt duidelijk uit de reeds Idg. constructie object +
verbum, waarin het verbum, althans in den hoofdzin on-
betoond was. De positieve beweging ging dus door tot
op de laatste lettergreep van het nomen. Ook zoo in het
Latijn : Bij Plautus vinden wij tot tien maal toe : nugds-
agit, nugis-agis, enz. (3),
De Ace. Sing, was ook wel in hetzelfde geval, maar
bleef daarnaast veel vaker als zinwpord voorkomen, wat bij
den Pluralis uit den aard der zaak zelden het geval was.
.368. Maar niet alleen de thematische Nominatief-Gene-
tieven fungeeren als vooropstaand attribuut, ook de vrouwe-
lijke -ië-stammen doen het zelfde blijkens den latijnsch-
keltischen Genet.-Sing. der thematische stammen op -ï :
lupf pès. (Zie isie deel, n^ 116.)
Maar ook de vrouwelijke -^ë-stammen waren blijkens
het Litauwsch in den zoogenaamden Nominatief-Singularis
oxytona.
Wij hebben hier dus een zelfde verhouding als van
ferus en 6Y)pd<.
(i) J. Wackernagel : Altindische Grammatik, II, i, Götting^cn, igoS.
(2) John Ries : Was ist Syntax? t. a. p , blz, 96.
(3) R. Radford ; AJPh. 25, blz. 258.
- 119 —
869. Maar veel opvallender en van veel meer kanten
bewezen is de eindbetoning van de Idg. feminina of
Neutra Pluralia. Laat zich misschien ook bij deze be-
wijzen, dat zij in het Idg. als attributen voor andere
substantiva werden gebruikt ? Dan was tevens hunne eigen-
aardige betoning verklaard. Welnu, dit bewijs meen ik
te kunnen bijbrengen en wel uit den Gotischen Genetivus
(Pluralis) (i).
Niets is door de nieuwere Auslauts-theorie meer verward
en verduisterd dan juist deze uitgangen.
370. Wij hebben toch boven (n^ 304) gezien, dat de
Germaansche Auslaut-gesetze een gevolg zijn van de diffe-
rentieerende subordinatie, waardoor dus nooit eene silbe
kon getroffen worden die óf een hoofdaccent óf een bij-
accent droeg. Bij de behandeling der Germaansche klank-
verschuiving onder het articulatie-accent zullen wij zien,
dat de wet van Verner niet veel ouder kan zijn dan de
Auslautgesetze der vocalen. Daar nu de wet van Verner
nog het Idg. accent veronderstelt (althans nog dezelfde
plaatsing) kan ik maar niet begrijpen, wat er tegen zou
zijn : aan te nemen, dat de Genetief in het Oer-Germaansch
nog eenigen tijd een bijaccent op den uitgang zou heb-
ben bewaard. Maar niet alleen is er niets tegen, er is
veel, dat deze conclusie onverbiddelijk eischt.
lo bij de consonant-stammen, waar de ïdg, oxytonee-
ring van den Genet. -Sing. vaststaat. Alleen het Gotisch
toont hier gesyncopeerden vocaal, On. en Ags. en Ohd,
vooral hebben hier fótar, fótes, nahtes, burges, mannes,
kustes, enz uit Idg. noÊtés, enz. (2). Deze hadden dus
in 't Oergerm. nog het accent op den uitgang.
(i) Ik zet hier Pluralis tusschen haakjes, omdat uit allerlei feiten
blijkt, dat deze vormen ook als Genetiv-5mg^. fungeeren : b. v. na het
vragend pronomen.
(2) H. Paul: PBB., VI, blz. 548.
— I20 —
2° bij de «/o stammen, waarvan in het Idg. zeer waar-
schijnlijk ook een Genetief heeft bestaan, alleen in accen-
tueering van den Nominatief verschillend (i). Welnu a) in
alle Oud-Germaansche dialecten blijft de s scherpe spirant ;
b) in 't Got. Ags. Ohd. en Os. is de thematische vocaal
niet gesyncopeerd, gelijk in den Nominatief (2) ; c) in het
Ohd. en Os. is de thematische vocaal niet in i overge-
gaan maar e gebleven, terwijl daar toch alle onbetoonde
e-tjes tot / worden. Ook deze hadden dus Oergerm. nog
een accent op den uitgang.
3° bij de -a, -i en -u stammen, Got. gibös, anstais,
sunaus, is er niets, wat ons dwingt de werking van een
Auslautgesetz aan te nemen. Integendeel. Deze driemorige
Idg. uitgangen, hadden ook in het Germaansch nog drie
moren, dus Schwach-geschnittenen Accent, wat duidelijk
blijkt uit het afvallen der s in het Ohd. Vergl. Got.
gibös : Ohd. geba met Got. nasidës : Ohd. neritös en Got.
anstais : Ohd. ensti en Got. sunaus : Ohd. witö met Got.
bindais : Ohd. bintës (3). Ook deze moeten dus in het Oer-
Germaansch het accent nog op den uitgang gehad hebben.
Passen wij deze gegevens nu toe op de uitgangen der
Got. zoogenaamde Genetivi Plurales, dan beantwoordt aan
Got. dage : Ogerm. dage : Idg. *dhoghé,
Got. gibö : Ogerm. gebó : Idg. *ghebhé (4),
(i) N. V. Wijk : Der nominale Genet. -Sing, t. a. p.
(2) Het o-tje van den Genetief-uitgang -so tot in Oer-Germaan-
schen tijd te laten voortbestaan, is toch (daar het in geen enkele
andere Idg. taal bij de nomina is bewaard gebleven) niets waar-
schijnlijker dan pour Ie besoin de la cause dienstig is.
(3) Walde : Die germanischen Auslautgeset^e, t. a. p., blz. i3o vlgd.
(4) De evenredigheden hwamma : hwammëh = daga (Dat. Sing.) :
dage (Genet. Plur.); aina : ain5hun = giba (Nom. Sing.) : gibö (Genet.
Plur.) moeten dus zoo verklaard worden, dat in de voorgaande termen
de rhythmische dififerentieering verzwakking bewerkte, maar dat in
de volgende termen, deze door dekking of betoning werd voorkomen.
— 121 —
beide door poten tialiteits-vrddheering (zie n' 114) uit de
basen *dhoghe en *ghebhe ontstaan. En hunne genetivische
functie is even opvallend, maar even begrijpelijk als die
der Italo-keltische vormeu op -ï (i).
Daar nu zoowel in het Oer-Germaansch als in het Idg.
de Genetief aan zijn regens voorafging verklaart zich van
zelf de Ton montant (la pensee est inachevée, indéterminée)
van de bekende parallellenreeks (2) : Russ. ózero : ozerd;
lit. é2eras : ezerai ; Gr. <puXov : <puXii, Td|xo<; : xojii^, veupov : veupa;
Oind. svddanam : Gr. if)Sovi^, enz.
371. Maar zouden al deze ton montants van voor-
opstaande Attributen en Genetieven niet kunnen terugge-
bracht worden tot een nog algemeener psychologisch
automatisme ?
Het was mij toch al dikwijls opgevallen dat de gezag-
hebbende Indogermanisten reeds in de oudste taalperioden
zooveel en zoo verschillende verbaalabstracta meenden te
moeten aannemen. Dit is toch psychologisch beschouwd
een zeer wonder verschijnsel. Want als wij de tegen-
woordige volkstalen beluisteren, dan hooren wij daar wel
vele woorden, die de grammatici vexhsialabstracta believen
(x) Dat Ulfila deze vormen óók als eenvoudige potentialiteits-
beaming voelde zonder Genetivisch verbandsgevoel, blijkt voor mij
overduidelijk uit I)ai piudo, Matth. 6, 7, (vergl. fai fadrein), hwo so
laiseino so niujo. Mare. i, 27; hwo so handugeino so gibano imma,
Mare. 6, 2; hwo hweilo, (i Cor. 7, 5 en 16, 7) enz. Alles in dezen
op den Grieksehen tekst te sehuiven lijkt mij even gemakkelijk te
beweren als bezwaarlijk te bewijzen.
(2) Benjamin I. Wheeler : Der griechische Nominal accent, Strass-
burg, i885, blz. 69, 73, enz.; Joh. Schmidt : Die Pluralbildungen der
Idg, Neutra, Weimar, 1889. blz. 18, 21, 41 ; Paul Royer et Ant.
Meillet : Sur Vune des origines du mouvement de Vaccent dans la
déclinaison slave. MSL. VIII, blz. 172 vlgd.; Herman Hirt : Der
Idg. Ak^ent, t. a. p , blz. 25o; Franz N. Finck : Ueber das verhdltnis
der balt'Slavischen nominalacc. ^um uridg., t. a. p., blz. 14, 18, enz.
— 122 —
te noemen, maar altijd in een zeer concrete beteekenis :
Groote ontsteltenis, veel beweging, klets, aan den haal,
enz. enz.
Nu heeft Wunderlich ergens in « Der deutsche Satzbau »
op allermerkwaardigste beteeken iso vergangen van zooge-
naamde verbaalabstracta gewezen. Verder geeft Eustace
Miles in een zeer onkritisch boek, maar dat toch hier
en daar merkwaardige vergezichten opent (i), ook eenige
beteekenissen en vergelijkingen aan, die mij op het ver-
moeden gebracht hebben, dat al die zoogenaamde Idg.
verbaalabstracta de allerconcreetste zinwoorden zouden
zijn : uitingen van een allereenvoudigste realiteitsbeaming,
al of niet gecompliceerd met een bevredigend gevoel.
Oind. ddtram, ddt's een cadeau I dtram, dddr éten.
Gr. x^V*» het sneeuwt; x^Xjia, hm, hij durft; «feuSo;, ddt*s
gelogen. Oind. yd9as, da's mooi. Gr. 'ïrXo'o<;, varen ja !
Oind. vdrab, uitkiezen! bhójana, lekkerr; sddana, zitten ja.
Dit zijn toch de eenige beteekenissen waaruit met eenig
succes behalve nog de heusche verbaalabstracta, ook nog
de nomina loei, instrumenti, objecti, en agentis zijn af
te leiden.
En dan is óók hunne accentuatie gemotiveerd : Ton
descendant.
372. Daartegenover staan nu evenwel eene heele reeks
parallelle oxytona, die alle één eigenaardigheid gemeen
hebben, dat zij in tegenstelling met de juist genoemde
geen heele constructie, maar een incompleet constructie-
deel vormen, dat zij alle relatieve beamingen of poten-
tialiteitsbeamingen zijn, terwijl de vorige serie niets dan
absolute realiteits-beamingen bevatte,
TojjLoc : Top.d^, vdras : vards, Oóvato; : OvTiioj;, <jyey§o(; : «j^suSi^^,
ydfas : yaj^s, ddtram : data, apoxpov : ipotiip, /etfia : /eiiawv,
(i) E. H. Miles : The early meaning and the developments of
the « tniddle » voice, Cambridge, 1895, Chapiter III.
— 123 —
(ïexjia : auTfjniv, syuma : ifJLiiv, ddharam : adharad, ImCa^eXov :
iiri(;a(&eXtü^, enz. enz. (i).
873. Nu zullen wij verderop bij de algemeene sema-
siologie bewijzen, dat zoowel de poten tialiteits-beamingen
als de relatieve beamingen door differentieer ing uit twee
absolute realiteitsbeamingen tot ééne constructie vereenigd
zijn ontstaan. Maar dan loopen hier de ontwikkelings-
geschiedenissen van vorm en beteekenis volkomen parallel ;
wij zagen toch boven al (n»" 344) eene differentieering van
het muzikaal accent in gelijke groepen; dan is uit de
vereeniging van twee barytona in ééne constructie, de
subordineerende differentieering van het eerste lid tot
oxytonon ontstaan.
Alle \elfstandige nominale zinwoorden (latere nomina-
tieven, vooral neutra, Accusatieven, Locatie ven, enz.) waren
dus in het vóór-Idg. barytona.
Alle vooropstaande subjecten, objecten, verbaalresten,
praedicatieven, casus obliqui, attributen en latere abstracta,
collectiva, feminina waren dus in het vóór-Idg. oxytona.
874. Als wij deze categorieën van vormen overzien,
bemerken ^ wij dat de potentialiteits-beaming onder de
oxytona een zeer voorname, ja eene monarchische stelling
blijkt in te nemen. Zou hieruit misschien ook niet de
accent-afwisseling in de verba zijn te verklaren?
Ik houd het voor steker bewegen, dat er in het Vroeg-
Idg. twee verbaalformaties naast elkander voorkwamen :
ééne met het accent op de eerste, en eene andere met
het accent op de laatste lettergreep der basis. Natuurlijk
behoeven van beide vormingen niet alle personen in alle
getallen bestaan te hebben. Dit houd ik zelfs voor zeer
onwaarschijnlijk.
(1) H. HiRT : Der I dg. Aki^ent, t. a. p., blz. 25o enz.; J. Wackbr-
NAGEL : Altindische Grammatik, II, t. a. p, blz. 19 vlgd.
— 124 —
875. Men noemt ze meestal : de Praesens-vorming en
en de Aorist-vorming, en met deze namen wil ik vrede
nemen, als men ten minste Aorist in den zin der Grieksche
Grammatici (i) als onbepaald, itjdéterminé, wil verstaan;
en er niet aanstonds onze moderne opvatting van perfec-
tieve Akions-art onder schuift.
Want volstrekt onbeweien is de meening van velen,
dat in Vroeg-Indogermaanschen oertijd het Praesens een
karakteristiek-duratieve en de Aorist een karakteristiek-
perfectieve beteekenis zou gehad hebben.
Men begrijpt reeds, dat ik thans een zeer sterke be-
koring gevoel, om hiervoor iets anders in de plaats te
stellen : namelijk mijne distinctie tusschen realiteit en
potentialiteit.
Moet ik aan die bekoring weerstaan?
Ik heb een jaar laten verloopen, sinds de gedachte
hieraan bij mij opkwam, en op slot van rekening ge-
meend te moeten toegeven.
Vooral de artikels van Pedersen (2) en Hans Meltzer (3)
hebben bij mij den doorslag gegeven. Op de vraag toch
of het Indogermaansch — versta : de taal onmiddellijk
vóór de volkenscheiding — de Aktionsarten kende, ant-
woordt Pedersen : « dass die Aktionsarten in der Idg.
(i) En ook van het oud-kerkslavische taalgebruik. Meillbt zegt
aan het einde eener diepgaande studie over de aspecten in de oud-
bulgaarsche evangelievertaling : Le perfectif, comme l'aoristc grec
exprime l'action en dehors de toute idéé de durée; il se prète par
suite également k indiqucr l'action pure et simple envisagée dans
son ensemble, ou le commencement d'une action, ou enfin une action
achevée; mais il est chimérique d'essayer d'attribuer au perfectif
par lui-même aucun de ces sens particuliers. A. Meillet : Etudes
sur V etymologie et le vocabulaire du vieux-slave. Paris, 1902; blz. 100.
(2) Zur lehre von den aktionsarten, KZ, 37, blz. 219-250.
(3) Zur Lehre von den Aktionen besonders im Griechischen. IF. 17,
blz. 186-278.
— 125 —
ursprache überhaupt keine grammatische roUe spielen »
(t. a. p., blz. 223), Hans Meltzer is iets omzichtiger in
zijn antwoord en zegt (t. a. p„ blz. 210) :
« Nach all dem dürfen wir wohl mit gutem Grunde
annehmen, dass dem Idg. der Ausdruck der Aktion zu
Gebote stand, werden uns jedoch davor hüten, bestimmen
zu wollen, wie weit die Neigung und Fahigkeit dazu reichte.0
Eerlijk gezegd echter heeft mij deze conclusie verwon-
derd. Immers in aansluiting bij de door hem uitgeoefende
kritiek op de betreffende bewijzen (blz. 207-209), had ik
— althans voor het onderscheid tusschen duratief en per-
fectief — de gevolgtrekking verwacht :
» Met goeden grond mogen wij aannemen dat bij een
of ander werkwoord zich het duratieve of perfectieve
karakter min of meer duidelijk deed gevoelen, maar met
minstens evenveel beslistheid moeten wij het bestaan van
twee als-zoodanig-gekarakteriseerde kategorieën aan de Idg.
taal vóór de volkenscheiding ontzeggen. »
Welnu, als dus deze beteekenis-kategorieën in de laatste
periode van het Idg. op z'n best genomen in wording
waren, dan kunnen iff; het ook niet geweest zijn, die
in het allervroegste Indogermaansch (dat H. Hirt pleegt
te reconstrueeren) een zoo fundamenteele scheiding in het
vocalisme en den heelen bouw der basen hebben teweeg
gebracht
876. Maar kunnen zij dan misschien op oudere ka-
tegorieën teruggaan?
O zeker, en hun vorm wijst ons den weg.
Meltzer wees er al op, dat perfectief en duratief toch
in elk geval pas na de scheiding van verbum en nomen
kunnen zijn ontstaan. Maar het vroegste basen-Indoger-
maansch kende die scheiding nog niet. Als wij dus naar
OTereenkomende kategorieën in dien oertijd willen zoeken,
moeten zij in elk geval van dien aard zijn, dat zij
— 126 —
I** Zoowel bij verbum als nomen mogelijk zijn.
20 Zoowel in *t later verbum als nomen ons hunne
beteekenis en formatie toonen.
30 In formatie met onze Aktionsarten overeenkomen.
4*^ Eene beteekenis vertoonen, waaruit die der Aktions-
arten zonder moeite zijn af te leiden.
877. Welnu, aan al deze eischen voldoen onze groepen
van Realiteits- en Potentialiteitsbeaming,
I® Zijn ze mogelijk bij verbum en nomen. (Deel I,
blz. 87 vlgd., 97 vlgd.).
2» Zij toonen in het later verbum en nomen hunne-
specifieke beteekenis en eigenaardige formatie'. Ibid.
30 Een van hunne formaties, namelijk het princiep van
Oxytoneering en Barytoneering (om van andere niet
te spreken) is volkomen identiek (n»" 373).
4® Duratieve en Perfectieve beteekenis lateii zich zonder
moeite uit Realiteit en Potentialiteit afleiden.
Bij dit laatste moeten wij iets langer stil staan.
Dat de kategorieön van Realiteit en Duratief het oor-
spronkelijkst zijn, spreekt van zelf.
Wij behoeven dus alleen te bewijzen, dat wanneer zich
uit de realiteits- de potentialiteitsbeamingen afscheiden,
zich uit deze bij de verbale stammen heel geleidelijk de
perfectieve beteekenis ontwikkelt.
378. Ideëel is deze evolutie zoo begrijpelijk als het
maar kan.
Met een perfectie ven werkswoordsvorm « bezeichnet man
die Erreichung des Abschlusses der Handlung und zwar
auf der Zeitstufe der wenn auch noch so weit erstreckten
und dadurch farblos gewordenen Gegenwart » (i). Sarauw
spreekt zelfs van een a abstrakte Gegenwart » (2).
(i) H. Mkltzer, t, a. p., blz. 239.
(2) KZ. 38, blz. 161 vlgd.
— 127 —
Potentieel is in den grond elke beaming, die niet het
onmiddellijk plaatselijk-en-tijdelijk- tegenwoordige object
betreft.
Men ziet het : perfectie/ is een species van het genus
potentieel,
379. Maar ook praktisch zien wij deze gedeeltelijke
vereenzelving door de feiten beaamd.
Boven (n' 122) noemden wij den Aoristus gnomicus
reeds onder de duidelij k-sprekende potentieele beamingen.
Maar Streitberg heeft in zijn bekende voordracht op het
Dresdener philologencongres zoo duidelijk aangetoond, dat
de Aoristen met hun betoning op de tweede stamsilbe,
zoo sprekend futurische of Imperativische beteekenis kunnen
hebben. Hirt heeft verder IF. 12, blz. 212 vlgd. toch niet
heel en al zonder reden den Conjunctief met dien Aoristi-
schen Injunctief vereenzelvigd, en boven n^ 119 hebben
wij op onze beurt getracht hiermede nog den Optatief als
dritte im Bunde te verbinden (i).
Maar verder brachten wij ook reeds in een noot bij
n»" 125, De Lagarde's definities bij van de Semietische
perfectieve en duratieve formaties. En bleken die definities
niet identiek met de onze van realiteits- en potentialiteits-
beaming ?
Of wil men het duidelijker in ons-nader-liggende taal-
perioden? Zien wij niet in het Slavisch, Keltisch en
Germaansch bij het te voorschijn-t reden der perfectieve
Aktionsart zich ook aanstonds eene beteekenis van kun-
nen, van potentialiteit vertoonen?
Voor het Keltisch zie men Thurneysen KZ. 37, blz. 52 vlgd.
(i) Cf. N. Flensburg : Die einfache Basis ter- im Idg. Lund, 1897,
blz. 90 vlgd., waar getracht wordt te bewijzen, dat de sët- basen
aanvankelijk perfectieve, de ani^-basen duratieve beteekenis hadden.
Zie ook W. Schülze : Preusische Akademie der Wissenschaften.
22 Dec. 1904.
— 128 —
Voor het Slavisch en Keltisch Sarauw, KZ. 38, blz. i6i vlgd.
Voor het Germaansch herinner ik hier alleen : i** aan het
gebruik der perfectieve Infinitieven met ga-, gi-, ge- na
modale hulpwerkwoorden, vooral mogen en kunnen, 2^ aan
het verallgemeinernde ge-; en verwijs verder naar de geci-
teerde feiten en literatuur van H. v. Swaay (i) met wiens
beschouwing ik echter gewoonlijk niet kan meegaan.
380. Ten slotte kan ik hier evenveel nog een sprekend
feit uit de huidige taal voor bijbrengen.
Als wij toch de jongere denominatieven op 't stuk van
Aktionsart onderzoeken, dan valt het ons op : dat die van
adjectiva en abstracta zijn afgeleid, bijna alle perjectiej
en die van concrete substantiva afstammen, in overgroote
meerderheid duratief blijken (2).
Met de van adjectiva afgeleide werkwoorden beamen
wij dat een subject zelf een eigenschap aanneemt, of er
een ander object mee bekleedt.
Verreweg het talrijkst en ook het duidelijkst perfectief is
de 2d« soort : openen, ledigen, loozen, vullen, krenken,
stremmen, pletten, scherpen, zuiveren, dooden, kleineeren,
hal veeren.
De eerste soort is wel niet « punktuell » maar toch
a perfectief » (Zie Sarauw, t. a. p.). Zoo : dorren, drogen,
grijzen, rotten, rijpen.
De werkwoorden evenwel die van concrete substantieven
zijn afgeleid leveren een heel andere reeks.
(i) H. V. Swaay : Het prefix ga-, gi-, ge- en de Actionsart,
Utrecht, 1899, § 41 en 52.
(2) Ik geef alleen Nederlandsche voorbeelden, omdat de Aktionsart
een teer dingetje is. Maar iedereen kan uit het materiaal der gewone
grammatica's voor zijn eigen taal een even goede lijst van sprekende
voorbeelden bijeen zoeken. De meeste der hier-bijgebrachte vindt men
bij C. H. DEN Hertog : De Nederlandsche Taal, II, Amsterdam,
1898, blz. iio vlgd.
— 129 —
10 tuinieren, dokteren, lummelen, rentenieren, schip-
peren, wurmen, enz,
2^ huizen, nestelen, tafelen, tronen, zetelen, grasduinen,
hokken, enz
3® hameren, knikkeren, kegelen, trommelen, vijlen, fiet-
sen, pennen, enz.
4** hooien, visschen, sprokkelen, azen, baggeren, enz
50 baden, dutten, hongeren, oorlogen, moorden, toornen,
vreezen, twijfelen, zorgen, ijveren, wanhopen (i), enz.
6® knoopen, strikken, stapelen, stroomen, stalen, op-
peren (v. hooi), enz.
70 glanzen, glinsteren, hagelen, regenen, sneeuwen, kreu-
kelen, kruimelen, krullen, walmen, zweeten, enz.
8° wieden, vlooien, spenen, stoffen (v. een kamer),
schillen, pellen, doppen, enz.
90 kleeden, spijzen, vlekken, wapenen, zadelen, plaveien,
poederen, pijnigen, enz.
De zeven eerste klassen zijn sprekend-duratief. Alleen
de twee laatste beginnen naar de perfectiva heen te wijzen.
Én nu de werkwoorden van abstracta afgeleid ten slotte.
Dan is alles weer perfectief : eeren, danken, huldigen,
kleuren, smaden, beelden, paren, regelen, doelen, enz.
381. Voor allen, die met Wundt en Hirt meenen,
dat het Indogermaansche verbum uit het nomen is ont-
staan, is hiermee het doorslaand bewijs : dat Perfectief op
Poten tialiteit en Duratief op Realiteit teruggaat, zonder
eenige verdere beredeneering duidelijk.
Men heeft het echter boven al menigmaal kunnen merken
en in n»" 88 uitdrukkelijk kunnen lezen, dat ik in dezen
niet met Wundt kan meegaan. Zijn heele breed-uitge-
sponnen redeneering hieromtrent (2) acht ik een loutere
(i) Toorn, vrees, twijfel, zorg, ijver, wanhoop zijn geen abstracta.
Integendeel. Zie boven nr 23i.
(2) Die Sprache, II, t. a. p,, blz. 9 en 129 vlgd.
9
— i3o —
woordentwist, daar hij zich niet de moeite gegeven heeft,
de psychologische kernbeteekenissen van verbum en nomen
dieper te doorgronden.
Zijn betoog bewijst dan ook niets anders dan dat er
een tijd heeft bestaan, waarin zich de conjugatie nog niet
van de declinatie had gescheiden. Hirt bewijst óók niets
meer dan dat (i). Welnu dit neem ook ik aan. En ik
heb zelfs getracht van die oerwoorden of basen, en hunne
primaire kategorieën een scherp-omlijnd begrip te vormen.
De oer-woorden waren (van het gevoel afgezien) : absolute
beamingen, weldra in realiteits- en potentialiteitsbeamin -
gen gescheiden. Uit deze ontstonden gelijk wij later nóg
eens zullen bewijzen, de relatieve beamingen. Daarnaast
bleef echter ook de oer-kategorie bestaan.
En zoo ontwikkelden zich verbum en nomen, gelijk wij
dat in ons 3<*« Hoofdstuk uitvoerig hebben betoogd.
Welnu, ook in dit systeem leveren de juist-aangehaalde
feiten een treffend bewijs voor onze stelling.
Als toch de werkwoorden, die thans uit adjectieven en
abstracta, d. w. z. potentialiteitsbeamingen ontstaan, alle
perfectief zijn; en de werkwoorden die uit concrete sub-
stantieven (dat zijn realiteitsbeamingen) voortkomen, bijna
alle duratief zijn.
Dan ligt het voor de hand naar analogie te besluiten,
dat ook alle oer-perfectieven uit poten tialiteits-basen, en
alle oer-duratieven uit realiteits-basen zijn ontstaan.
En hebben nu beide paren ook nog een zeer karakte-
ristieke morphologische eigenaardigheid gemeen, in casu :
de betoning, dan is dit niet slechts aannemelijk, maar
^eker; inzoover wij althans in het praehistorische van
zekerheid kunnen spreken.
(i) H. Hirt : Ueber den Ursprung der Verbaljlexion im Idg.
IF. 17, blz. 36-85.
- i3i —
En zoo is dus ook de Aorist-betoning ten slotte tot
diflferentieerende subordinatie herleid.
382. Nu moeten wij nog zien de toepassingen der
pauze en der Stauung.
Een eerste voor-de-hand liggende conclusie is dan, dat
versregels, na welke van ouds toch steeds een pauze intreedt,
dus niet altijd afgeronde psychische eenheden behoeven
te vertegenwoordigen. Zeker, na elk vers treedt een kleine
pauze in, maar die pauze kan juist den hoogsten top
vormen eener golvende groep, en zoo worden de enjam-
bementen en overloopen, alsmede de psychische klem
op het vers-einde (vooral bij Horatius typisch) als van
zelf begrijpelijk. Maar de leesteekens hebben dikwijls uit-
sluitend dezelfde functie. Dus insgelijks de accent-functie.
383. Verder zijn natuurlijk alle Grieksche hiaten bij
schrijvers, die zich de elisie tot wet stellen, onweerspre-
kelijke getuigen van eene pauze. En onder die pauzen
zijn er ongetwijfeld vele, die niet twee groepen scheiden,
maar ééne groep aaneenbinden. Wie met het oog hierop
de uitgebreide literatuur (i) over den Griekschen hiatus
doorwerkt, moet — als de algemeene indruk, dien ik van
het materiaal kreeg, mij niet bedriegt — tot zeer sprekende
resultaten kunnen komen.
384. Maar ook nog een algemeen accentverschijnsel
wordt ons uit de « psychische Stauung » duidelijk.
In het Grieksch geldt toch de wet, dat bij elisie eener ge-
accentueerde lettergreep, de voorafgaande het accent overnam.
Gr. ÏTzioL i^ffav : ïr.z^ i^aav ; TroXXa i[i.6yr\<ja : TróXXUfJLo'YTiaa ; XetttA
eyevovTo : XiTTx^Ey^vovTo; St) ETcetta : oij'-ïreixa ; (jlt) eOiye; : jATi'Siye^ enz.
Hetzelfde verschijnsel vinden wij in het Oud-Indisch :
QB. apsü antdr wordt dpsv-antdr ; êvd ëtdd : évaitdd ;
stabhana a antdrik§am : stabhinant4rik§am, dhruvó asi :
dhrüvösi, brahma asi : brdhmasi, enz.
(i) Zie G. Meyer : Griechische Grammatik^j Leipzig, 1896, blz. 141.
~ l32 -
En zeer begrijpelijk : de fj van i^jav is in het woord
èirxa na de eerste silbe ein fremdes Element, Dit brengt
echter volgens ri^ 284 Hemmung en vandaar Stauung
teweeg an der Stelle wo die Störung durch das Fremde
auftritt En zoo krijgt dus de eerste silbe een hoogeren
toon of het accent.
Dit verschijnsel doet zich evenwel ook midden in het
woord voor, als een geaccentueerde lettergreep om een
of andere reden uitvalt : xapSfa : Lesb. xapïa, Apyupioi :
Thess. «pyuppoi, enz., Lit. pasieme : dial.pas(i)eme, Lit.
atsieme : dial. ats(i)eme, enz., Ved. mitriyas : f B. mitryas,
Ved. manu§ie§u : ^B. manü§yë§u.
386. Wij moesten hier echter rekening houden met
hetgeen boven in n'^ 287 werd gezegd over den invloed
der vocaalkleur, en zouden dus voorloopig de voorbeelden
van consonantisch geworden betoonde i's en m's uitsluiten.
Maar de andere zijn immers even talrijk.
Wij mogen dus hier besluiten dat voor de parallelle
f- en i/-gevallen de vokaalkleur slechts aanleiding slechts
gelegenheid maar de anticipatie oorzaak is. Het is hier
de eerste niet de laatste keer, dat wij een dergelijke con-
clusie te trekken hebben. Dit onderscheid te hebben ver-
waarloosd is voor de Indogermanisten der laatste decenniën
allernoodlottigst geweest, vooral in de theorieën over accent
en wat daarmee samenhangt, gelijk later te over zal blijken.
386. Stauung ten slotte is ook de niet-anastrophe (m.
a. w. de onhistorische oxytoneering) der praeposities, als
zij door een of meer tusschengeschoven woorden van hun
hoofdwoord zijn gescheiden. Het ingeslopen woord fun-
geert dan als Hemmung en daardoor gaat de toon op de
laatste lettergreep omhoog. Zoo : iva Sè TCToXficopOoc 'OSucKievS;
eoTT). Aavaü>v iiró Xoiyóv AjiOvai, enz.
387. Ik zou echter bij al deze tamelij k-onbelangrijke
toepassingen der pauze- en Stauung-theorie niet hebben
- i33 —
stilgestaan, als er nog niet een andere feitenkategorie was,
van indrukwekkend belang, die eveneens slechts door de
Stauung hare verklaring vindt : ik bedoel het Idg. Wort-
stellungsgesetz van Wackbrnagel.
Als ik HiRT goed begrijp, concludeert hij uit deze feiten
tot de accentueele eenheid van het eerste woord met de
daaropvolgende toonlooze partikel of partikels. Dat is nu
natuurlijk zeer juist, maar door z'n verregaande onvolle-
digheid toch volstrekt niet in staat ons inzicht in dezen
te bevorderen.
De Germaansche voorbeelden ga-u-laubeis, us-nu-gibip,
ga-u-hwa-sëhwi hadden hem toch moeten leeren, dat het
toonlooze groepje naar beide kanten zijn armen uitstak,
naar voren en naar achteren, zoodat het juist als de boven-
behandelde pauzen in plaats van te scheiden, tot ver-
bindingslid eener grootere eenheid is geworden.
Herinneren wij ons nu, wat Svedelius voor verschil
had opgemerkt tusschen de verzorgde taal der beschaafden,
en de natuurspraak van het volk : hoe hier toonlooze
gevoelsn^oordjes de plaats der min of meer aanstellerige
pauj^e plegen in te nemen (zie n^ 284); dan is hiermee
de psychologische oorzaak gevonden van Wackernagels
Gesetz (i).
388. Eer wij nu evenwel van het muzikaal accent
afstappen, nog ééne opmerking, om misverstand te voor-
komen, en onze grondgedachte nog eens zoo scherp mo-
gelijk te formuleeren.
Wij zagen boven, dat Wundt's definitie van den zin
eigenlijk : een grooten volzin, eene wetenschappelijk-nieuw-
hoogduitsche periode betrof. Welnu, wij zeiden het reeds :
ook deze vormt nog een soort tertiaire eenheid. Er is
(i) Jakob Wackernagel : Ueber ein Geset^^ der idg, Wortstellung,
IF. I, 1892, blz. 333 vlgd.
- i34 -
echter tusschen onze secundaire en Wundt's tertiaire een-
heden dit fundamenteel verschil, dat de onze in eens en
precies beaamd en gewild worden, zoodat de eenheid al
de verschillende onderdeelen essentieel doordringt, en
dooiivademt; terwijl de eenheid van Wundt alleen be-
staat in een vaag voorgevoel bij het begin der geheele
reeks, en in het specifieke gevoel (tusschen de secundaire
eenheden) dat die opvolgende gedachten toch onderling
nog nauwer samenhangen dan vele willekeurige andere.
Welnu, volgde nu uit de monarchiscbe beamingseenheid
onzer secundaire groepen dus, dat alle toonhoogtes zich
richtten naar elkander, samen vormend ééne samengestelde
groep; de tertiaire gevoelseenheid der perioden van Wundt
laat al de lettergrepen der afzonderlijke secundaire een-
heden in hunne secundaire toon waarden, behalve de laatste
silbe. Want hier begint zich het verbandsgevoel met de
volgende beaming te doen gevoelen. Dus zoover het nog
te verhelpen is : ton montant.
Een zeer duidelijke illustratie is hier de Halbschluss
of de Trugschluss uit de muziek (i).
Een typisch taalvoorbeeld heeft men in den stadhuis-
stijl van besluiten of petities : Gezien of overwegende dat...,
dat.... dat.... dat.. . meenen ondergeteekenden enz. Wordt
nu zoo'n stuk voorgelezen, dan is in de afzonderlijke
dat-zinnen de heele toon zelfstandig en op het einde ton
descendant, tot aan het laatste woord. Dan rijst evenwel het
verbandsgevoel op met den volgenden dat-zin, en zoo gaat
dan de laatste silbe omhoog.
Met de innigste overtuiging, dat het hier-gebodene,
behalve nog, dat veel zeer hypothetisch moest blijven,
verre, zeer verre van volledig is, besluit ik dit hoofd-
(i) H. RiEMANN : Grundn'ss der Kompositionslehre^ I*, Leipzig,
1897, blz. 74 vlgd.
i35
stuk. Niet evenwel zonder de hoop uit te spreken, dat
spoedig het experimenteel onderzoek naar het muzikaal
accent in de nieuwere talen voor ons begrip nieuw leven
kome storten in de dood e overlevering der oudere.
Het kwantiteitsaccent.
389. Wie dezen naam het eerst gebruikt heeft, heb
ik niet kunnen achterhalen; maar dit is zeker dat deze
term in de methodologie der taalwetenschap een grooten
vooruitgang beteekent. Zoolang wij toch in de wisselende
kwantiteit met de Leipziger school van linguïsten niets
anders blijven zien dan een secundair gevolg van den
klemtoon en de toonhoogte, miskennen wij een groot stuk
taal natuur, en veroordeelen wij ons zelf heele reeksen van
taalverschijnselen onbegrepen aan hun lot over te laten,
of er verklaringen voor te aanvaarden uit de alles-be-
grij pende fantasie.
Daarom was het mij een gelukkige bevrediging, in de
studiën der Fransche school van Saussure-Meillet, vooral
in de laatste jaren herhaaldelijk van « accent temporei »
te zien gewagen.
Want al is het zeer waar, gelijk wij boven reeds zagen,
dat de kwantiteit dikwijls een gevolg is van het intensi-
teits-accent ; daaruit volgt toch niet dat het altijd zoo is.
Even zeker ten minste is de toonhoogte vaak een gevolg
der intensiteit; en toch denkt er tegenwoordig niemand
meer aan, de intensiteit voor alle muzikale accent-ver-
schijnselen aansprakelijk te stellen. Welnu, laten wij dan
ophouden, zoowel implicite als explicite voor de kwan-
titeit hetzelfde te doen. Met zoo goedkoope veronderstel-
lingen is de wetenschap weinig gebaat (i).
(i) Een bedroevend blijk van de menschelijke faalzucht biedt ons
alweer de onschuldige theorie van E. Rosengren uit den allerlaatsten
- i3ó -
Laten wij ons de kosten en moeiten getroosten ook de
kwantiteit om haar zelve te onderzoeken, en een derde
serie van verschijnselen naast die der intensiteit en toon-
hoogte nu zeer begrijpelijk, zal ons ruimelijk schadeloos
stellen.
390. Ook hier moeten wij weer zoowel op de mede-
klinkers als op de klinkers letten. Soms - als namelijk
de silbe psychische factor is — kan de consonanten-kwan-
titeit naar de omstandigheden met de vokaal-kwantiteit
afwisselen (i), maar meestal vormen beide afzonderlijke
feiten.
391. Ook hier handelen wij — even als bij intensiteit
en toonhoogte — voornamelijk over relatieve kwantiteit;
daar al deze klankeigenschappen absoluut genomen, van
persoon tot persoon, en van stemming tot stemming ver-
schillen, en alleen de betrekkingen der opeenvolgende sil-
ben van woord of constructie min of meer standvastig zijn.
Of liever ook de betrekkingen zijn zelfs niet standvastig,
althans niet in hare numerieke specificatie — want de
moren -theorie vereenvoudigt de realiteit op een allerschan-
delijkste wijze — alléén standvastig is ten slotte het korter-
of langer-zijn van ééne lettergreep, in hare betrekking tot
één of meer andere van dezelfde constructie.
392. A. Ook in het kwantiteitsaccent toont zich nu
weer de wet der difFerentieerende subordinatie.
tijd. Zoekend naar de verklaring van een zeker zeer opmerkelijk
verschijnsel, dat wij hieronder bij het articulatie-accent zullen be-
spreken (zie ook de literatuur aldaar), waagt deze zich aan niets
meer of minder dan de fabelachtige wijsheid : dat het intensiteits-
accent in werkelijkheid niets anders is dan kwantiteit. Wat zijn de
taalgeleerden toch stumperds, dat ze ddt niet eerder gezien hebben!
(i) Een merkwaardig voorbeeld hiervan met een degelijke oor-
zakelijke verklaring bij Holger Pedersen : Aspirationen i Irsk, I,
Leipzig, 1897, blz. 80-81.
- i37 -
Experimenteel is dit wederom bewezen door Rousselot(i).
Eerst weer in kunstmatige silben, later in de construc-
ties der samenhangende rede. In beide bleek overduidelijk
het kwantitatieve rhythme.
De even groepen toonden toch bijna zonder uitzondering
deze vormen : !<> u — , 2^ yj — u — , 3° — o u —,
of 40 v/ o — =. De oneven groepen : 5® — v^ — ,
60 u u — , 7« v/ — =. of 8° v/ = — .
4«» en 70 zijn waarschijnlijk aan den invloed van het
fra intensiteits-accent op de laatste silbe der groep te wijten.
De metingen van Rousselot bepaalden zich echter niet
tot de silben, hij ging ook nauwkeurig den afzonderlijken
duur der klinkers en medeklinkers na, en beide bleken
gelijkelijk debet te zijn aan de differentiatie. In silben
door het kwantiteits-rhythme verlengd bleken zoowel de
consonant als de vokaal langer van duur dan in de on-
middellijk voorafgaande en volgende.
393. Dit vinden wij nu ook in de talen, waar het
kwantiteits-accent in kracht is. A priori mogen wij ver-
onderstellen, dat dit het geval zal zijn in idiomen die
weinig intensiteits-accent hebben ontwikkeld. Zoo vinden
wij b. V. in de Bantoe-talen weinig intensiteit maar ty-
pisch kwantiteits-accent vereenigd met het muzikale (2).
Daarom mogen wij ook voor het Oud-Grieksch en het
Oud-Indisch reeds hetzelfde vermoeden.
394. Dit vermoeden wordt echter tot zekerheid als wij
in deze beide talen de versmaat beschouwen, die heel en
al op het kwantiteits-accent berust. Dus één van*tweeën :
6f het Oud- Indische en Grieksche vers was een ongemo-
tiveerde, ón-populaire, ón-genietbare kunstelarij, óf het
berustte op de levende taal.
(i) Les modifications phonétiques, t. a. p., blz. i58.
(2) Ch. Sacleux : Introduction a Vétude des langues bantoues,
La Parole, 1903, bl2. 376.
— i38 —
Maar de eerste veronderstelling is hopeloos vol con-
tradicties. Dus is de tweede waar. Dus is het kwantiteits-
accent in deze talen een zeker, onbetwistbaar feit.
396. Maar dan moest men toch ook een beetje voor-
zichtiger zijn(i) met de zoogenaamd « metrische Dehnung»,
die dan alleen in verzen voor mag komen, zoo scherp
van de andere kwantiteits-verlengingen in de gewone taal
te onderscheiden. Juist voor het Grieksch toch, waardoor
van den juist gewraakten term zoo overdruk gebruik ge-
maakt wordt (2) zijn de poëtische teksten zooveel ouder
dan al het andere dat wij aan proza bezitten, dat het
me niets vermetel voorkomt te vragen, of die « metrische
Dehnung » misschien óók in die oudste dagelijksche taal
zou kunnen zijn voorgekomen, al naar de behoeften der
omgevende silben in de zelfde constructie?
Als ook het intensiteits-accent wisselt in : èntendéz ! en :
entèndez-vóus ?, als ook het muzikaal accent verandert in
Vat^er. en : Vai'ter und Mutter, waaróm zou dan ook in
de levende taal het kwantiteits-accent niet mogen veran-
deren in e{JLaÖ£(; en epya xdtx' EjjLjjLaOs;, ^Trep en uTielp JÏXa, Ivi
en Eivl ÖupTiffi? Vooral daar reeds Schulze, t. a. p. de kwanti-
teitsdifFerentieering voor c innerhalb desselben Wortes oder
mehrerer eine enge Einheit ausmachender Worte », m.
a. w. voor de constructies reserveert; wat volstrekt geen
zin zou hebben, als hier van louter « metrische Dehnung »
sprake was (3).
(i) Dan b. v. Brugmann : Gmndriss, 1*, blz. 8o5.
(2) Zie vooral : G. Schulze : Quaestiones epicact Gueterslohae, 1892;
O. Danielsson : Zur meti-ischen Dehuung im ai teren griechischen
Epos, Upsala, 1897 J F. Solmsen : Untersuchungen ^wr griechischen
laut' und verslehre, Strassburg, 1901, blz. 1-127.
(3) Tusschen haakjes volgt hier natuurlijk óók uit, dat het klassieke
vers evenseens niet door loutere metriek, maar door de kwantiteits-
grocpen der constructies tot zang wordt. Vergl. hierboven nr 3i7-3i8.
— i39 —
396. Te meer, daar wij toch ook nog in het zooveel-
eeuwen-latere proza van Demosthenes een zelfden afkeer
voor drie (in dezelfde constructie) opeenvolgende korte silben
terugvinden, gelijk de « rhythmische wet » door Blass(i)
in besliste elegantie uiteengezet, en met de metriek .der
tragici in verband gebracht, ontwijfelbaar aantoont.
397. Te meer, daar wij tóch voor zoovele andere
gevallen in het Grieksch nóg eene niet-metrische maar
rhythmische verlenging moeten aanvaarden gelijk de Saus-
SURE op zijne gewone scherpzinnige vind wij ze reeds in
1884 heeft bewezen (2).
398. Te meer, daar volgens het getuigenis van Aristo-
TELES de Attische spreektaal nog zeer voelbaar rhythmisch
aan- en afdeinde, zoodat daar zelfs twee korte silben na
elkander eene uitzondering waren (3).
(i) Friedrich Blass : Die attische Beredsamkeit, III, Leipzig, 1877,
blz. 99-io5 : Es besteht nun dies Gesetz hierin, dass die Anhaufung
von mehr als zwei kurzen Silben möglichst vermieden wird, wobei
natürlich solche Silben, die durch Elision in Wegfall kommen oder
durch Krasis ver bunden werden, nicht mehr einzeln zë.hlen. Der
Grund dieser Meidung ist derselbe, welcher auch in der alteren
Tragödie die Auflösung der Arsis im Trimeter möglichst beschran-
ken liesz.
(2) F. DE Saussure : Unc loi rythmique de la langue grecque.
Mélanges Graux. Paris, 1884, ble. 737-748. De uiteenloopende be-
zwaren door Wackernagel : Das Dehnungsgesetz der griechischen
Composita, Basel 1889 hiertegen in 't midden gebracht, betreffen
alleen eenige nadere condities, en in 't bepalen hiervan is zijn be-
toog nog alles behalve overtuigend. Zoo zie ik met genoegen in
Hirt's Griechische Laui- und Formenlehre, Heidelberg. 1902, § i38,
dat deze zich nog altijd aan de Saussure houdt. Trouwens het doel
van Wackernagels kritiek : te bewijzen dat de Dehnung in compo-
sita. niet uitsluitend rhythmisch was, billijk ik volkomen; al wijkt,
gelijk men verder zien zal mijne verklaring der Kompositionsdehnung
geheel en al van de Wackernagelsche af.
(3) nXeidxa yap lafApsïa Xêyo[xêv êv t^ SiaXsxTqj xfj Ttpi; aXX^jAou;,
èJijxETpa Sè o^XtydcxK;, Ilepl '7roiTjxiX7i<;, 4, 19.
— 140 —
399. Te meer, daar de « metrische Dehnung » óók
in het Vedisch voorkomt (en hier ook wederom zelfs om
twee korte na elkaar te vermijden) maar om het oude proza,
dat wij in het Indisch naast de metrische literatuur bezitten,
nooit zoo karakteristiek en onnatuurlijk is afgezonderd (i).
400. Te meer, daar Meillet (2) en Wackernagel (3)
ook buiten metrischen dwang voor het Oud-Indisch een
zelfde rhythmische kwantiteit- wet hebben aangetoond, als
DE Saussure voor het Grieksch, en de laatste deze ook
uitdrukkelijk alleen tot het innerlijke van den zin (lees :
constructie, denk aan de uitzondering van den vocatief)
beperkt, en aangaande de metrische Dehnung terecht op-
merkt : Ursprünglich ist die Dehnung nicht eine Besonder-
heit der dichterischen Technik, da sie bis in die klassische
Zeit hinab auch in gewöhnlicher Prosa erscheint »
401. Welnu al deze gevallen, en nog vele andere
bizonderheden der Idg. grammatica, die ik misschien ver-
derop nog zal noemen, zou ik willen samenvatten in de
'rhytmische kwantiteitswet, die reeds in de Idg. grondtaal
moet hebben gegolden :
Binnen de constructie vermeed men eene opvolging van
drie korte silben vooral door er een het rhythmisch
kwantiteits-accent te geven, m. a. w. door er een te
verlengen. Ook bij eene opvolging van twee korte silben
trad dikwijls verlenging in, op conditie echter, dat dan
de vokaal der andere korte silbe tot nul werd.
Eenige der meest algemeen erkende voorbeelden mogen
hier volstaan :
(i) J. Wackernagel : Alt-Indische Grammatik, I, Lautlehre, Göt-
tingen, 1896, blz, 47 vlgd.
(2) A. Meillet : Skr. abhimati§. MSL. XI. 1900, blz. lo-ii.
Idem : Skr. j^nima, j^nma. MSL. XII, 1903, blz. 219-223.
(3) J. Wackernagel : Alt-Indische Grammatik, I, t. a. p., blz.
3 10 vlgd.
141 -
xevpoexpo;, -toito^ , /
i tegenover ao^ptüTspoc;, -xaxoc;.
èXa<pp(^T6pOC, -TttTOC
SouXoJUVTJ )) Upb)9UVT}.
oXXoOi, ^XoOev, TTcJffe » èxipwOt, èT^pwOev, Wpüxxe.
ScüXCüp, 5ti>TOpo< « SoTl^p, SoTTJpOC.
later : icpoit^puoi, icpoxeXeia vroeger itpcoit^puai, irpwTt^l^ PjXaia.
-iü)v, -lovo? tegenover -Ywv, -ïwvo;.
*oI8o8a, *oXoXa, ^^tzotzol n
apapfoxü), ^Xei, enz. »
Oind. purutama »
Ved. agnimdt, vi§ijuvat »
Oind. anurudh-, apijuv-, uparuh-, »
^atap. Br. -citika, »
a9i9riyam, amimïlam, adudruvam »>
Ved. mahimanas, enz. »
ó'oü)^a, oXcoXa, ^irtdita.
i'pTjpa, {jip,Y)Xa, STjS^^^aTat, dcxi^xoa
Ved. purutama, enz.
Ved. hirïmat, vi§üvdt, enz.
Ved. anürudh-, apïjuv-, uparuh-, enz.
Taittiriya S. tricitïka.
ajïjanam, amïmaram, adïdr9am,
avïvi9am, ayuyüjam, enz. (i).
Ved. mdhik§atra-, enz. (2).
Al deze algemeen-erkende gevallen (3) zijn in inlaut
van het u/oord, In inlaut der constructie zijn er evenwel
even onbetwijfelbare, maar hier zijn ze om de grootere
variabiliteit nog niet in die mate bewezen. Zie evenwel
over Oind. adha ; adba, tu : tü, su : sü Wackernagel :
Alt, Ind. Gr.^ I, blz. 3i2 en nog andere dergelijke. Idem.
Dehnungsgeseti, blz. 12 vlgd. alweer : « bei engem Zusam-
menschluss mehrerer Wörter », dus niet zoomaar overal
in den zin, maar alleen in constructies, in secundaire psy-
chische eenheden, dus volkomen verklaard uit de wet der
differentieerende subordinatie.
(i) Waarom deze Aoristen causatieve beteekenis hebben, zal in
n^ 455 worden verklaard.
(2) J. Wackernagel : Album Kern, blz. i5o, Anm.
(3) Zie ook nog Avestische parallellen bij Ferd. Justi : Ueber die
:(usammenset:(ung der nomina, Göttingen, 1861, blz. 37-38, en nog
meer literatuur bij Wackernagel : Altindische Grammaiik, II, t. a. p.,
blz. i33.
— 142 —
Wijst het laatst aangehaalde voorbeeld mahSmanas- :
mihi-k§atra- op de werking onzer kwantiteitswet in den
grijzen voortijd ; nog een andere zeer sprekende serie van
voorbeelden uit de Oer-Arische periode zullen wij zien
in nr 455.
402. Maar bij het intensiteits-accent zagen wij reeds —
vooral in de toepassing op de Germaansche syncopeerings-
en Auslautgesetze — dat een dergelijk subotdinatie-streven
altijd verder werkend ten slotte een of meer der gesubor-
dineerde deelen, geheel en al in het monarchische deel
kan doen opgaan.
Welnu, zoo vinden wij ook hier : De lange lettergreep
kan de korte, die haar voorafgaan of volgen, geheel en
al hunne more doen verliezen.
Voorbeelden hiervan zijn vóór alles de gevallen der
Dehnstufe van Streitberg, in zoover ze niet tot een drie-
morige silbe leiden, want deze hooren, gelijk wij later
zullen zien wederom in een ander gebied.
403 Ik meen toch, dat in deze gevallen het muzikaal
accent niet de drijvende factor is. En wel
1° Omdat nooit of nergens eene verlenging onder lou-
teren invloed van het muzikaal accent is nagewezen. De
beste parallel voor de Idg. Dehnung is door Hirt, IF. 7,
blz. i35 vlgd. bijgebracht, maar wij weten allen, en sedert
R. Gauthiot : Étude sur les intonations serbes, MSL. 11,
336 vlgd. is het zelfs experimenteel bewezen : dat het Ser-
visch accent eene complicatie is van intensiteit en muzikalen
toon, zoodat Serv. bög uit bógos naar analogie van al de
andere intensiteits-voorbeelden alleen aan de intensiteit mag
worden toegeschreven.
2° Omdat het nooit of nergens systematisch voor het
Oer-Indogermaansch is bewezen, dat de verlengde silbe
in alle of ook maar in de meeste gevallen het accent had.
Streitberg heeft dat op een mondelinge mededeeling van
— 143 —
MiCHELS aangenomen, maar deze heeft zich nooit aan een
volledig onderzoek van het materiaal gewaagd. En in het
artikel van Streitberg kan men al heel wat voorbeelden
vinden van het tegendeel. Trouwens de heele bewijsmethode
van Streitberg is er meer op gericht door een verwanten
vorm het oorspronkelijk bestaan van eene volgende korte
silbe te bewijzen, dan wel er altijd in te slagen, ons de
verdwijning der korte silbe, en de verlenging der vorige,
als een gevolg van de overgeleverde of beredeneerde accen-
tueering aannemelijk te maken. Verder begaat ook hij her-
haaldelijk de logische fout (sedertdien epidemisch geworden)
eerst uit de Ablaut-stufe de plaats van het Idg. muzikale
accent af te leiden, en daarna te betoogen, hoe prachtig
dus weer de Schwund- of Dehnstufe met de oudste accen-
tueering klopt. De oeroude circulus vitiosus blijft bij allen
vooruitgang der wetenschap nog immer een dreigend bijna
onontkomelijk gevaar. Bovendien moet Streitberg alle ver-
lengde Schwundstufen door analogie verklaren ; een uitleg als
de onze, die dat niet behoeft te doen, verdient natuurlijk
de voorkeur, te meer als zij niet uitsluitend-glottogonisch
is, maar nog blijkt te gelden in min of meer historischen
tijd.
404. Men versta mij wel, ik ontken volstrekt niet,
dat de muzikale toon in zóóver verband houdt met de
Dehnung, dat b. v. een enclitisch tweelettergrepig woordje
niet straffeloos een zijner lettergrepen zou kunnen verlie-
zen zonder verlenging der andere; ik ontken m. a. w.
niet, dat een betoonde silbe juist om dit nieuwe element
van psychische energie méér kans heeft om bij 't uitvallen
der volgende te worden verlengd dan eene onbetoonde;
of nóg eens anders : ik ontken niet dat de betoonde silbe
aan de Dehnung eene bi^onder geschikte gelegenheid als
men wil : eene aanleiding biedt; ik ontken alleen, dat het
jnuzikaal accent de oorzaak der Dehnung zou zijn.
— 144 -
De eigenlijke oorzaak der Dehnung is mijns inziens het
doordrijvende streven der differentieer ende subordinatie,
werkend als kwantiteitsaccent.
405. En het beste bewijs daarvoor ontleen ik juist
^an de beperking waarmede Streitberg de Dehnstufe tot
algemeene erkenning heeft gebracht :
Dan alleen treedt Dehnung op, wanneer de silbe zelf
open, d. w. z. kort was.
Wat moet hier die essentieele kwantiteits-beperking, als
de kwantiteit zelve niet effectieve oorzaak is?
En op deze beperking zijn geen uitzonderingen I
406. Verder vertoonen alle voorbeelden der Dehnstufe
eene opeenvolging van twee, en vele zelfs, een opvolging
van drie of meer korte lettergrepen, en bij de eerste
valt altijd de andere korte lettergreep uit.
407. Maar sommige vorm-verschillen worden toch juist
uit de betoning zoo duidelijk. Zoo : eXXoi);, olI^o^, ^%^o^i
tivo^l'' vwpoij/ naast ^^ ; xaXaupo«J; naast FptixJ; enz.
Ten eerste bemerk ik, dat ook al waren er nog veel meer
van deze gevallen, dit on\e stelling niet schaden kan, daar
ook wij het accent eene gunstige gelegenheid noemden.
Maar ten tweede wijs ik erop, dat al deze voorbeelden
eene lange eerste silbe, dus het kwantiteits-accent niet op
de tweede hebben. Bovendien worden in dit licht ons
[xow(|;, èXixoxJ; (i) duidelijk, die volgens de accent-theorie
uitzondering of analogie moeten zijn Aanvankelijk eene
opvolging van twee of drie korte silben, werd er ééne
verlengd — en dit is het feit, dat wij dus ook in
historischen tijd (2) nog aantreffen — en door voort-
(i) En zeer waaxschijnlijk ook xuxXoitJ; als dit ten minste een
Idg. compositum is, daar het toen *k!?ek^elöps moet geweest zijn.
(2) Dat wij alleen het primaire streven, en niet meer de over.
drijving ervan in historischen tijd kunnen nawijzen stemt geheel
en al met het later altijd door afnemend belang van het kwantiteits-
accent.
- .45 -
gaande difFerentieering ging nu ten slotte althans van
twee silben de volgende korte verloren.
408. Waarom de volgende korte en niet de voorgaande?
Oók de voorgaande. Maar dan vinden wij ons plotseling
in weer heel andere twistpunten verwikkeld.
De voorgaande korte ging verloren in 't Grieksch, Latijn
en Keltisch : gr. YevsTtlp : p'^i'^o?» lat. natus, gall. -gnatus,
russ. kolótï : gr. xX7ipo<;, lat "clades, oier. clar, nog duide-
lijker misschien uit het Grieksch alleen : gr. OovaTo; : 6vt)to;,
gr. X(i(JLaxo<; : x(Jltjtó<;, gr. aoafJia<; : a8fJLT,c, STropov : iréirptüTat,
ETopov : xfxpwoxüj enz. (i).
Hier vooral komt ten duidelijkste aan het licht, dat
het muzikaal accent niet de oorzaak der Dehnung was,
daar toch juist de afwezigheid van allen bijtoon op de
tweede silbe aan de RS-vormen essentieel is.
En daarnaast weer met Dehnung der eerste silbe in 't
Oud-Indisch en Litauwsch : lat. intrare : lit. tirti, oind. tïrijd-
(-tarita); lat. sprêvi : lit, spirti, oind sphürti§ (sphurita-);
eveneens al best begrijpelijk in 't Sanskrit op zichzelf be-
schouwd : rötum : rutd- maar bhdvitum : bhüta-, ëtum : itd-
maar nayitum : nïta-, kértum : k^ta- maar caritum : cïrijd-,
tantum : taté- maar khanitum : khata-, gdihtum : gatd- maar
bhramitum : bhramta- enz. (2).
(i) Tal van voorbeelden en literatuur bij H. Hirt : Der indoger-
manische Ablaut^ Strassburg, 1900, blz. 60 vlgd. Maar men verf^^elijke
ook A. Meillet : Recherches sur Vemploi du Génitif-Accusatif en
Vieux-SlavCt Paris, 1897, blz. 181 vlgd., wiens kategorieën ik vol-
strekt niet alle onderschrijf, maar wiens algemeene opvatting ik huldig
als een dapper teruggaan naar wat er goeds was op den ouden weg.
(2) Hier is het eindelijk de plaats meen ik, tot beter begrip van
't nu behandelde en nog veel dat volgen gaat, eens voor al partij te
kiezen in de vele twistpunten, die zich groepeeren om het Ablaut-
en basensysteem van Herman Hirt. Later kom ik op verschillende
détails nog terug.
Ik behoor niet tot degenen, die bedillend op onderdeden en kleine
10
— 146 —
Eveneens verder dus bijna alle V.II-vormen der Hirtsche
tweesilbige zware basen.
409. De Saussure had echter in zijn rhythmische wet
niet alleen de klinkerverlenging als di£Perentiatieiniddel van
vergissingen, blijkbaar de oogen niet ver genoeg open hebben om
het grootsche van deze alomvademende leer naar waarde te schatten ;
en ik sta evenmin aan den kant der sceptici, die ahijd maar meenen,
dat het kleine beetje dat over de Idg. grondtaal met zekerheid te
achterhalen is, reeds lang werd opgedolven, en dat al de nieuwe
pogingen iets meer aan het licht te brengen, gedoemd zijn om ijdel
te blijven.
En toch kan ik het in bijna niets geheel en al met Hirt eens
zijn. Ik meen namelijk, dat bijna al zijne nieuwe kategorieën wel
degelijk grond hebben, en feitelijk ooit in de taal onderscheiden
geweest zijn, maar dat hij ze eveneens bijna alle averechts formu-
leert en verkeerd verklaart.
Ik maak een uitzondering voor de Reduktionsstufe der lange vokalen,
want deze berust op niets dan systeemdwang. (Zie n' 430).
De Reduktionsstufe der korte vokalen is een zekere realiteit,
veroorzaakt door allerlei omstandigheden, evenwel niet van de Sva
te onderscheiden, behalve wanneer ze door invloed der Vollstufe wie-
der volle Klangfarbe erhalten hat, maar dit laatste is eene blijkbare
analogie, die ook wel bij de §va optreedt. Dus de Reduktion van
korte en de Schwundstufe van lange vokalen mogen wij voor het
goed begrip niet verwarren; maar feitelijk beantwoordde aan beide
dezelfde kleurlooze vokaal 9, die onder allerlei invloeden van paral-
lelle of horizontale omgeving als een Protcus is veranderd.
Ik neem dus met Bartuolomae aan, dat de Sva ook in de lichte
Ablautsrijen optreedt, en zoo vervalt voor mij oogenblikkelijk de
lange vokaal in de tweede silbc der zoogenaamde zware tweesilbige
basen. Ik zet een korte vokaal in zijn plaats. Deze kan evenals de
eerste in gunstige omstandigheden door het kwantiteits-accent of door
potentialiteitsrekking worden verlengd. Tóch vind ik het nuttig deze
basen met-tussc])en-beide-vokalen-een-sonant, te scheiden van die met
een muta tusschen beide vocalen, omdat bij deze laatste soort van-
wege de onuitspreekbaarheid (vooral in Anlaut of na consonanten)
in de eerste silbe bijna altijd de a of Reduktionsstufe optrad en niet
de Schwundstufe. Een gevolg daarvan was weer dat in de tweede
- 147 -
drie korte opgegeven, maar óók de syncope, waarbij de
vorige dan positione lang werd.
Zoo b. V, iXO^jjLEv uit IXue^fjiev naast ^Xuöov enz.
silbe zich dan ook niet die overheerschiDg van het kwantiteits-accent
vertoonde die de vokaal kon rekken, vooral niet, als gelijk meestal
gebeurde, door associatie weer de klankkleur en daarmee de kwan-
titeit der VoUstufe in de reduktielettergreep optrad.
Maar ook als de eerste vocaal tusschen de twee mutae heel en
al uitviel, werd de tweede nog niet gerekt, omdat zoo'n lettergreep
uit twee opeenvolgende mutae -|- korte klinker tóch al een aanmer-
kelijke kwantiteit bezat, die wij gerust op twee moren mogen stellen,
gelijk trouwens het verschil van positie in de oude metriek tusschen
muta cum muta en muta cum liquida overtuigend bewijst. En zoo
is tevens verklaard, waarom Hirt bijna uitsluitend sonantische zware
tweesilbige basen kon nawijzen.
Maar wat voor onderscheid is er dan tusschen de oudindische
set' en ani^-basen? Hetzelfde nog altijd waartoe de Saussure con-
cludeerde : anij-verba hebben éénsilbige, sëj-verba tweesilbige basis !
of voorzichtiger en algemeener misschien : de ani^-basen hebben aan
het einde eene vokaalsilbe minder dan de telkens-parallelle set-
basen. Want dat ook bij eensilbige basen in de nominaal- of Aorist-
vormen rekking optreedt, bewijst niets anders, dan dat er een vokaaltje
is uitgevallen, dat evenwel minstens evengoed bij den uitgang .* ese
(zie n^ i3o) kan hooren als bij den stam. Ook de Aoristbetoning
is voor mij geen bewijs, dat de thematische vokaal in zoo'n werk-
woord tot de oorspronkelijke basis moet gerekend worden, wèl in
de oorspronkelijke typen waarschijnlijk. Er veiioont zich in de ont-
wikkeling der Idg. talen, zoowel bij nominaal- als verbaalformatie,
aanvankelijk een scherp onderscheid tusschen thematische en athe-
matische flectie, later een gaandeweg-voortwerkendc uitdelging van
dit onderscheid, door 'de aansluiting der athematische aan de thema-
tische, en ten slotte blijven bijna overal de thematische vormen alleen
over. In aansluiting bij al het vorige concludeer ik hieruit, dat de
anit-basen de athematische, en de sê^-basen de thematische flectie-
typen hebben geleverd. Voor het oudste Vóór- Idg. niets dan thema-
tische typen aannemen is niets dan tendenz naar een mooi en een-
voudig systeem.
Wat ten slotte de invloed van het muzikaal accent op de kwantiteit
betreft, meen ik, dat die aanvankelijk, dus in het Vóór-Idg. zéér
— 148 —
Welnu dergelijke gevallen kunnen wij ook voor het Idg.
met behoorlijke waarschijnlijkheid nawijzen.
Het is toch waarschijnlijk geen toeval, dat van de i5 voor-
gering is geweest, op z'n best bood de geaccentueerde lettergreep
een aanleiding om. als het kwantiteits-accent tusschen drie korte
lettergrepen aarzelde, met eenige voorkeur de betoonde lettergreep
te treffen. Elke zweem van inwerking echter door de nieuwheids-
energie of de anticipatie op de eerste, door inertie op een der vol-
gende, of door associatie op elke willekeurige lettergreep uitgeoefend,
was voldoende om het kwantiteits-accent daarheen te trekken.
En zoo blijkt van den eenen kant de onhoudbaarheid van de
weinige streng omschreven kwantiteits- wetten, die Hirt heeft gefor-
muleerd (vooral dat onmiddellijk na den hoofdtoon altijd de grootste
verzwakking in zou treden, strijdt met 9/10 van het materiaal); en
ten anderen wordt het duidelijk, waarom hij voor 't overige in dezen
zoo weinig vaste regelmaat kon ontdekken.
En zoo verklaart zich eveneens de gelijkheid van de RS.- en de
V.II-vormen der zoogenaamde zware tweesilbige basen in verschil-
lende talen, en nog vele andere gelijke Stufen, die in Hirt's systeem
een zeer verschillende plaats moesten innemen.
Maar hoe kan het dan, zoo zal men misschien vragen, dat er toch
zooveel gevallen zijn, waar accent en kwantiteits-stufe overeenstemmen?
lo is deze overeenstemming niet zoo algemeen als men uit de Leipziger
handboeken wel zou meeuen : een streng theoreticus als Mkillet
heeft ze nooit willen erkennen. Un coup d'oeil jeté sur les listes
de M. LiNDNER : Altindische Nominalbildung, suffit pour faire rccon-
naitre que l'accord de Taccent et de la règle dc.quantité... est loin
d'être constant, et qu'il est fortuit dans Ie cas oü il existe {Recherches,
t. a. p., blz. 179 vlgd.), dit laatste vind ik evenwel te sterk, want 20 wor-
den toch vele gevallen door onze concessie : c< aanleiding, gelegenheid
niet oorzaak » verklaard, en 3» wordt weer iets meer begrijpelijk
als w^ij bedenken, dat het accent zich regelde naar de plaats in de
constructie (nr i56 vlgd ) en de kwantiteit (b. v. door het als anceps
fungeeren van alle eind lettergrepen) daarvan eveneens dikwijls af-
hankelijk was; zoo vormt het barytonon Oivato; als eindlid eener
constructie, geen drie ongedifferentieerde korte lettergrepen, het
oxytonon *6avaT<i- : Ovtjto- als aanvangslid meestal wel, 40 wordt de
geaccentueerde kwantiteit der pas laat optredende vormen uit het
toenemen van het intensitcits-clement begrijpelijk en 5© wordt alles
— 149 —
beelden die Meillet (i) geeft van -i en -u-stammen, die
in de zwakke casus, zoogenaamde Schwundstufe vertoonen,
slechts twee een lange stamlettergreep hebben.
Zoo werd *pelceyos tot *peÊ^os, pa9vas, enz.
410. Maar ook in de woorden met niets dan lange
silben zien wij eene differentiatie {2), Bijna uitsluitend ver-
toonen de woorden van drie lange silben in het Grieksche
epos toch de accentueering .
Dus wel : KaXuij;d> Bla Öedlcüv, maar niet Ayi\Lrixrip Sla 6eau>v;
wel : vuov ivSptüv al^^fjLTjTcxwv, maar niet aly^^r^x^^ xal vuèv AvSpoiv.
Meillet concludeert daaruit tot een intensiteits-accent
aan de kwantiteit gebonden. Ik zie evenwel de noodza-
kelijkheid dezer gevolgtrekking niet in.
Als wij toch bedenken, dat het verschil der gedifferen-
tieerde kwantiteiten volstrekt zoo eenvoudig niet geweest
kan zijn, als men met een al te slafelijke interpretatie der in
zwang zijnde moren-theorie wel eens wil meenen; als wij
verder zien, dat blijkbaar de zoogenaamd driemorige silben
in het Grieksche metrum niets afwijkends van de twee-
morige lange vertoonen, dan kunnen wij er toch niets
op tegen hebben voor de woorden met drie lange silben
het schema 11 . 11 aan te nemen, en het er m. a. w.
voor te houden, dat het kwantiteitsaccent altijd op de
wat er nog overblijft verklaard uit den overgang van het muzikaal-
accent van de altijd minder sonore Schwundstufe naar de meer
sonore Vollstufen. Zie hierboven blz. 44.
Toch zijn — om het ten slotte nog eens te herhalen — al die
nieuwe onderscheidingen van Hikt volstrekt niet ijdel, daar zij ons
in elk geval een kijk geven, onder welke verschillende condities
eenzelfde verschijnsel kon optreden.
Ik bepaalde mij in deze uiteenzetting tot de kwantiteits-kwestie.
De kleur der vocalen in den kwalitatieven Ablaut, dien Hirt niet
altijd juist van den kwantitatieven heeft onderscheiden, wordt be-
sproken bij het kleuraccent.
(i) A. Meillet : Recherches etc, t. a. p., blz. 8-9.
(2) Recherches, t. a. p., blz i85 vlgd.
— i5o —
eerste of de laatste viel. Te meer, daar ook de afwis-
seling van -ffff- onder den ictus, en -d- vóór den ictus
(b. v. (Jiriwü) r 3n, maar oWcxo) F 218) op zich genomen,
niets anders bewijzen, dan dat de ictus-lettergreep meer
kwantiteit had dan de andere.
Vooral, daar óók in het Oud- Indisch dezelfde rhyth-
miseering van drie lange silben voorkomt : Ved. amïvXhS :
dmïva; grïvSLdaghnd : grïvi-; i§ïkStüla- : i§rka-; lak§mYghnï- :
lak$mf-; gdurtvïti- : gaurf-; klass. mal^bharin : mala enz.(i);
later kwam deze verkorting ook analogisch na of voor
korte silben voor. Zou deze regel niet Idg. zijn ? Dan
was ook tevens de reden gevonden, waarom zoo dikwijls
in allerlei Idg. talen de a-stammen met de o-stanlmen
samenvallen in het eerste lid van composita. De oorspron-
kelijke toestand leefde het langste voort natuurlijk, waar
het kwantiteitsaccent het langst in leven bleef : Arisch en
Grieksch. Minder zuiver in Latijnsch en Litauwsch, Heel
en al door analogie verduisterd in 't Germaansch, Keltisch
en Slavisch (2).
411. Maar ook de woorden van twee lange silben
vertoonen een eigenaardige standvastigheid oni den ictus
op de eerste te hebben. Alleen d^n valt hij op de tweede
wanneer het met andere woorden a un groupe phonétique j»
m, a. w. een constructie vormt, zoo A 88, o^tk i)xvi Jövtoc,
A 129, «dXiv Tpo^T^v, enz.
412 Hoe ook hier de constructie weer duidelijk de
eenheid is, waarin de kwantitatieve difFerentieering werkt,
kan men het duidelijkst zien in het waarschijnlijke bewijs
(i) J. Wackernagel : Altindische Grdmmatik, II, i, Göttingen igoS,
blz. i34-i35.
(2) Brugmann : Grundriss, t. a. p., II. blz. 24. Deze verklaring
veronderstelt natuurlijk, dat de compositioneele a-vormen óók van
de «/o-simplicia regelmatig waren. Waarom, zien wij in het hoofd-
stuk over de algemeene semasiologie.
— i5i —
van den Idg. rhythmischen regel dien Meillet opstelt ( i ) :
dat Schwundstufe zou optreden in elke korte silbe die
onmiddellijk door een lange gevolgd wordt. Zie aldaar. Ik
volsta echter met dit te hebben aangeduid. Eene verdere
behandeling van het betreffende materaal zou hier onze
geleidelijke volgorde storen.
Alleen wijs ik erop, dat speciaal deze werking van de
kwantiteits-differentieering voor het nieuwe Fransch althans
door RoüsSELOT experimenteel is nagewezen (2) : « Les
voyelles naturellement brèves sont fort diminuées devant
des longues », zij hebben blijkens de curven slechts ge-
middeld 1/3 van den duur in even groote woorden vóór
een korte silbe.
Ten slotte is deze differentieering ook in de historische
taalontwikkeling na te wijzen. Men denke slechts aan lat.
positus : praestö, validus : valdë ; anitis : antae ; avidus :
audëre; mötus : mutare (3). Ook voor de Prakrits geloof
ik dat PiscHEL (4) bezwaarlijk zonder invloed der kwan-
titeits-differentieering al de verschillende syncopen en ab-
sorpties zal kunnen verklaren.
413. Kwantiteitsdifferentieering in groepen, moet ten
slotte zeker ook in de Oud- Indische literatuur zijn na te
wijzen. Ik kan echter alleen twee Grieksche voorbeelden
bijbrengen.
*'Ape<; "Ape<; ppoxoXoiY^, p.iaMpdve, xet^^ecriirXiixa. E. 3l.
Xeuxèv xapèv e^^oiaav, iVov xdcxa), laov i'vwöev. Theocrit. 8, 19.
414. B. Het kwantiteits-accent en de psychische inertie.
Het duidelijkste voorbeeld hiervan is wel de kwantiteits-
inertie, die wij in het Attisch vinden, en die door de
linguïsten ten huidigen dage toe meest nog onder den
(i) Recherches, t. a. p., blz. 181.
(2) Les modiflcations phonétiques, t. a. p., blz, 162.
(3) J. Vkndryes : Recherches sur Vhistoire et les effets de l'intensité
initiale en latin. Paris, 1902, blz. 253 en voorafgaande.
(4) Zie de literatuur op blz. 65 noot.
— l52 —
naïef geleerden naam van kwantitatieve metathesis wordt ge-
maskeerd. De oude Grieken zelf noemden ze 67reppipa<jfi.ó<; xoü
^povou (Choirob. iSg, i6, Herod, 2, 625, i5). Hom. Xad; :
att. Xetix; ; hom. xsOviiOTo; : att. teOvetuTo; ; hom. ttoXtjo? : itóXsü);
♦oTiiaTo; : oriaTo; ; hom. 1)0; : èw; ; V) av : lav, enz. (l). Uit xrjo<;
ontstond door inertie tTJcü; en vervolgens daar de inertie
altijd doorwerkte, en zoo tevens de differentiatie weer
bevredigd werd ontstond téw;, juist als de Indische svarita
hooger werd dan de udatta, en de tweede korte silbe in
Bohemen en Telemarken meer intensiteit kreeg dan de eerste.
Dezelfde werking der inertie zien wij ook, maar min-
der algemeen bij de kwantiteit der konsonanten, zoo lat.
Thallusa : Thalussa, enz. (2).
415. Een tweede voorbeeld brengt ons waarschijnlijk
naar het Oer-Indogermaansch : Oorspronkelijk zeker vocaal-
morige elementen behouden na relatief-lange silbe hunne
oorspronkelijke kwantiteit, terwijl ze na relatief-korte sil-
ben in een consonant overgaan : oind. satyd- : naptiya-;
av. haipya : daitiya; got. sunjis : hairdeis; got. nasjis :
sökeis; lat. capis : audïs; lat. pascuus : arvus; ved. -jrijvan :
-arnuvAntas; lat. abluo : solvo; oind, hinvénti : dabhnuvanti,
enz (3).
416. In het Latijn, waar gelijk wij zien, dit streven
nog lang actief is gebleven, vinden wij nog een merk-
waardig voorbeeld hiervan : ik bedoel de breves breviantes
of het Jambenkurzungsgesetz (4).
(i) Zie o. a. H. Hirt : Handbuch der griechischen Laut- und For-
menlehre, Heidelberg, 1902, § i85.
(2) Zie W. ScHULZE : Samstag. KZ, 33. 1894, blz. 376.
(3) Ed. Sievers : PBB. 5, blz. 129 vlgd; Havet : MSL, 6. blz. ii5;
Edgren ; JAOS. 11, blz. 68 vlgd.; Wackernagel : Altindische Gramm.
I, blz. 204-206; Hikt : Ablaut, § 798.
(4) Ed. Sommer : Handbuch der lateinischen Laut- und Fortnen-
lehre, Heidelberg, 1902, meent zelfs, dat wij daardoor ook gedeelte-
lijk de juist-aangehaalde voorbeelden zouden te verklaren hebben, wat
ik evenwel niet kan gelooven.
- i53 -
Ook hier meende men aanvankelijk (als bij de Dehnung)
een metrische vrijheid voor zich te hebben, maar ook hier
heeft nader onderzoek geleerd, dat het was een natuurlijk
psychologisch verschijnsel uit de levende taal (i). Ook hier
bleek bij nauwkeurig nagaan ten slotte dat deze verkor-
ting niet tot het loutere woord beperkt bleef, maar even-
zoo werkte in de constructie ! (2).
Merkwaardig noemde ik dit verschijnsel, omdat wij hier
de inertie van een schijnbaar minder-energieke silbe op
een meer-energieke zien inwerken ; wat geheel en al tegen
de psychologische theorie zou indruischen.
Deze tegenspraak is evenwel slechts schijnbaar, daar wij
moeten bedenken, dat alleen eene aanvangs-silbe, die dus
in het Oud-latijn een soort intensiteits-accent had, tot deze
inertie-werking in het loutere woord in staat was. En in
de constructie kwam het ook uitsluitend na een betoonde
korte lettergreep voor, zoo een logische betoning in :
Bene hercle facitis ét èi me initis gratiam ; en een vers-
betoning (initiaaltoon) in : ut haëc inveniantur hodie esse
hujus filiae (Plautus-Asin. Sg en Poen. 1171) (3).
417. C. De anticipatie is bij het kwantiteitsaccent
tamelijk zelden. In n' 3i3 hadden wij reeds gelegenheid
op een gecompliceerd gevolg ervan te wijzen. Hier zullen
wij er althans twee zuivere voorbeelden van trachten bij
te brengen (4).
Ten eerste dan reken ik hiertoe de verbale -a-stammen
met langen wortelklinker :
(i) W. LiNDSAY : The latin langtiage, Oxford, 1894, blz. 210 vlgd.;
J. Vendryes : Recherches sur Vhistoire et les effets de Vintensité initiale^
t. a. p., blz. 134 vlgd.; Sommer : Handbuch, t. a. p., § 84, 4, § 90.
(2) Sommer : Ibidem, § 176, 2.
(3) De andere voorbeelden aldaar als : compedës cögara enz.,
moeten anders verklaard worden. Zie nr 43o.
(4) Reeds met een andere motiveering bij eengezet door A. Mbillbt :
Recherches, t. a. p,. blz, i83.
- i54 - •
Zoo lat, cëlare, naast dicare, ëducare, calare, parare, enz.
oksl mëtati, naast dïrati, pYrati, günati, züvati, enz.
naast gr. fjivaojxai, arm mnam, oind. grbhayati.
418. Ten tweede de Indo-iraansche feminina (i) op
-5ni, -5rï, -avï naast die op -ni, rï-, -vï, van stammen
op -an-, -ar-, -av-.
Oind. nSrï- : dStrï- ; jav. ahuranï- : sunï- (oind. 9unf) ;
oind. gurvï : manavi enz.
Deze beide gevallen wijzen natuurlijk naar eene wer-
king van onze wet in Vóór-Idg. tijd, toen de Normalstufe
óf door differentiatie voor een lange verkort (nr 412) óf
door onze anticipatie verlengd werd (2).
419. Voor de consonanten heeft Schulzb (KZ. 33,
blz 376) verschillende gelijkende voorbeelden bijgebracht :
lat. Ofellio : Offelio; gr. ^akatraa : öiXXaja; ^AiteXXïj : ^AititsXij;
TfjLYjTxcp : T|ji|XTjT<jj ; 4>axoucr<ia : ^dExKoutra; lat. flagellum; mgri.
fréggelon, enz. Door differentiatie werd ook hier de inducent
later verzwakt.
420. Dit zouden evenwel ook 5cAr(^anticipaties kun-
nen zijn, zoo heb ik mij zelf herhaaldelijk op eene ver-
schrijving vjrrdhi voor vj-ddhi en dergl. (3) betrapt. Ook
Meringer heeft een dergl. geval opgeteekend (4) : peritt...
voor peritissimus. Welke van deze twee mogelijke ver-
(i) Ernst Leumann : Eine arische FemininbildungsregeU KZ. 32.
1893, blz. 294 vlgd. en vgl. K. Brügmann : Der indo-iranische
Feminintypus narï. IF. XII, 1901, blz. 1-3 met wiens uitleg ik
niet kan meegaan.
(2) Door een dergelijke complicatie van twee psychische neigin-
gen, die naargelang der omstandigheden een van beide in werking
konden treden, verklaar ik ook de andere feiten bij Mbillbt, Recherches,
t. a. p., blz. i83.
(3) Zoo nog verschillende Ned. woorden, die ik mij niet meer
herinner, maar het waren g-evallen als meettelen voor meetellen;
kappote voor kapotte enz. Een mijner vrienden schreef Hernn voor
Herrn op een adres.
(4) Versprechen und Verlesen, t. a. p., blz. i54.
— i55 —
klaringen de ware zij in 't midden latend, constateer
ik alleen, dat óók in de schrijfvoorstellingen, juist als in
de spreek- en gehoorvoorstellingen, een dubbelen mede-
klinker niets anders is dan een medeklinker met vee!
energie, die eventueel op een andere schrijfvoorstelling
kan afdruipen
421. D. De associatie en het kwantiteitsaccent is na-
tuurlijk weer allerfrequentst.
Ik bepaal mij echter tot een paar analogieën in kwan-
titeitsgroepen f daar deze op de taalstructuur van sommige
taaistammen een zeer-diep-gaanden invloed hebben uit-
geoefend.
Door bijgedachte aan :{evende, negende ontstond het
Mnl. ordinale achtende. Uit hd. Mittewoche ontstond
Mittwoch naar Montag, Dienstag, enz Uit olat senecis
naar senex : senis, gr. ^po; naar eap enz. enz.
Welnu op een dergelijke assimilatie maar op veel uit-
gebreider gebied gaat nu ook zeker terug het Isosylla-
bisme(i). Zoo hebben langzamerhand de isoleerende talen
van Oost-Azië alle tweesilbige woorden aan de meerderheid
der eensilbige gelijk gemaakt; zoo hebben de Semietische
talen al hunne wortels naar de geijkte trilitteraliteit af-
gemeten.
422. B Ten slotte als subordinatie, anticipatie en
inertie harmonisch samenwerken, weer : de kunst.
Subordinatie in de afzonderlijke voeten : jamben, tro-
chaeën, dactyli, spondaeën en anapaesten.
Anticipatie en inertie van de voeten in het vers.
Alles wat bij het intensiteits-vers over de constructies
is opgemerkt, geldt ook hier (2), En wij zagen daarvan reeds
(i) F. A. March : Time and space in Word-concepts. Am. Phil-
Ass., 1894, blz. 53 vlgd.; G. A, Fl^ER : Over het Isosyllabisme
(russ.) Rus. fil. vest. 29, 1894, blz. 5i vlgd.
(2) Meumann : Untersuchungen :^ur Psxchologie und Aesthetik,
t. a. p., blz. 404.
— i56 —
een treffend bewijs in de beperking der metrische Dehnung
tot o hetzelfde woord of meerdere woorden, die samen eene
nieuwe eenheid vormen «.
Het Indogermaansche vers had vóór alles een kwanti-
teitsrhythme (i). Plato definieert dan ook (Conviyium 187 B :
6 ^u6p.ó< ex Tou xa^^^o; xai PpaSio? StevTfiveypivtüv irpdxepov, uffrepov
8è óixoXoYTjffivTwv yiyoyt. En hieraan ontleenden wij het recht
voor eenige Indogermaansche verlengings- en uitstootings-
verschijnselen het kwantiteitsaccent aansprakelijk te stellen.
423. Wat nu de eigenaardige bizonderheden, en op
de eerste plaats de oorspronkelijke beteekenis van het
kwantiteits-accent betreft, moeten wij tamelijk kort zijn,
daar de verlengde vocaal of consonant eigenlijk niets an-
ders is dan eene reduplicatie, een eigenaardige werking
der Secundarfunction, die pas verderop kan behandeld
worden.
Toch moet wat hier speciaal is, ook hier zijne plaats
erlangen ; en daarom geef ik dus nu het kort begrip dezer
feiten, voor breederen samenhang naar het articulatie-accent
verwijzend.
Welnu, reeds Pott heeft op de bi zonderheid gewezen
dat de reduplicatie die meestal versterkt, óók soms de
beteekenis heeft « des Schillerns, Aehnelns, gis. nur hin
und her schwankenden Herumspielens », van verzwakking
tt wie das deutsche -lichf etwas », b. v. 't is maar \oo :^oo,
la ia enz, (2).
Maar wat is onze potentialiteits-beaming anders, dan
juist de beaming van « zoo'n soort iets, iets wat erop
lijkt, wat er bijhoort, wat er omspeelt, so etwas? »
(i) Meillet : Recherches, t. a. p , blz. i85.
(2) AuG. Pott : Doppelung [Reduplication, Gemination) als eines
der wichtigsten Bildungsmittel der Sprache, beleuchtet aus Sprachen
aller Welttheile, Lemgo-Detmold, 1862, blz. 101-102. Zie ook de
voorbeelden uit allerlei talen daaromtrent.
- i57 -
Maar dan is ook alle Vfddhi duidelijk.
Wij zagen in ons eerste deel (n^ ii3, 114) hoe schijn-
baar onverschillig nu eens de stamsilbe, dan weer de
eindsilbe of het suffix verlengd werd, zonder eenig merk-
baar verschil van beteekenis. Maar nu begrijpen wij het.
Of de aarzeling middenin of aan het einde van het woord
optreedt, doet niets ter zake. Het woord moet merkbaar
gerekt zijn, dat is de zaak.
424. En dit gebeurde niet alleen in den praehistori-
schen tijd, neen dat gebeurt nog in de levende spreek-
taal der nieuwere Germaansche dialecten. Want wat zijn
vele der zoogenaaiAde a Streckformen »(i) anders? Zeker,
er zijn er verschillende onder, die meer op innerlijke
reduplicatie lijken; maar daarnaast zijn er vele andere
waarbij van medeklinkerreduplicatie geen spraak is : het tus-
schengevoegde deel is niets dan een opvolging der in dien
bepaalden mondstand gemakkelijkste Lall-laute. Het éénige
psychologische feit is de verlenging van het woord, ge-
lijk ScHROEDER alleen door zijn titel al te verstaan geeft.
En dat ook de beteekenis dier vormingen met onze
vjrddhi wonderwel overeenstemt, kan ieder uit de lijst in
PBB. t. a. p. reeds vermoeden, maar met volle zekerheid
pas uit de voorbeelden van elk zijn eigen dialekt het ge-
makkelijkst constateeren (2).
425. « Was die sprechende Stimme in ihren Modu-
lationen ausdrückt, sind jene seelischen Stimmungen, die
die Einzelvorstellung begleiten. Weil und insoweit diese
Stimmungen von der Welt der Objecte abhangig sind,
kann ihr Ausdruck mittelbar zugleich objective Bedeutung
erlangen : was mich sehr erschreckt wird sehr schrecklich
sein; was mich \ögern macht ^ wird noch im Ungewissen
schweben, Wo aber der Ton meiner Stimme fragend.
(i) H. ScHROEDER : Streck/ormeti, PBB. 29, 1904. blz. 346, 599.
(2) Zie vooral de Boo : West-VIaatnsch Idioticon, passim.
— i58 ~
bittend, befehlend ist, da muss er als unmittelbare Ausse-
rung syntaktischer Kategorien anerkannt werden » (i).
Het poten tieele object a im Ungewissen sch webend macht
mich zögern » en vandaar de oudste verlenging van het
woord, vandaar de primaire Dehnung.
Als aanvulling bij n»" 119 van ons eerste deel, merk ik
nog op dat ik met Meillet de Germaansche en Latijnsche
gedehnte Praeterita : frëgi, brSkun, enz. voor oorspronkl.
Dehnungs-aoristen houd, die zich tot de type van occulare
juist verhouden als qSns : qinö.
426. Een zeer typische bizonderheid die het kwantiteits-
accent verder van alle andere klankkwaliteiten onderscheidt,
is hierin gelegen : dat alle constructies of psychische een-
heden omtrent denzelfden absoluten tijdsduur vorderen,
en in het licht dezer waarheid, mogen wij mits zonder
bijbeteekenissen en voorbarige vergelijkingen, onze con-
structie dus gerust met den naam Sprechtakt of spreek-
maat betitelen.
Reeds Miss Soames had bemerkt (2), dat wij de neiging
hebben, den tijdsafstand tusschen twee sterk-geaccentueerde
silben even lang te maken, en daartoe de tusschenliggende
silben verlengen als ze weinig, en verkorten als ze vele
in getal zijn. Iedereen ziet, waarin deze formuleering van
de onze afwijkt, daar het intensiteitsaccent in elke con-
structie van plaats kan veranderen.
Jespersen (3) verbetert dan ook deze onnauwkeurigheid
door op te stellen : dat de spreker zijn tempo versnelt,
wanneer hij zich bewust is een lange klankrij te moeten
uiten, die er toch liefst in één adem uitkomt Dat toont
zich vooral in tusschenzin netjes als b, v. « Met een eigen-
aardig heldere, men \ou haast \eggen zilveren stem » enz.
(i) G, V. D. Gabelentz : Die Sprachwissenscha/t^, t. a. p, blz. 376.
(2) L. Soames : An Introduction to Phonetics, London, iSQt,
blz. 69-70.
. (3) Jïspersen-Davidsen : Lehrbuch, t. a. p., § i83.
— i59 —
427, Deze waarnemingen echter, alleen op het oor
van fijngeoefende phonetici berustend, hebben pas ten volle
burgerrecht gekregen in de wetenschap, sedert ze door
psychologische experimenten zijn bevestigd en gestaafd.
En wel ten eerste in het algemeen door Bolton (i).
BoLTON vond toch, dat de subjectieve samenvatting tot
rhythmische groepen van elkander gelijkmatig- volgende
geluidsindrukken, met de snelheid hunner opvolging in
verband staat. Bij langzaam tempo worden er weinig
samengevat, bij snelle opvolging veel; en dit wel in een
tamelijk juiste verhouding : zoodat de gezamelijke lengte van
al die groepen constant namelijk iets meer dan één seconde
blijft. Er zijn natuurlijk allerlei individueele en acciden-"
teele verschillen mogelijk; maar er zijn toch dicht bij
elkander liggende minima en maxima aan te wijzen, waar
het normale individu zelden buiten gaat. Dit voor de
waarneming.
428. Nu maakte Sibvers er Meumann (2) opmerkzaam
op, dat hetzelfde voor allerlei spontane bewegingen geldt :
Vraag iemand u achtereenvolgens (telkens met eenige pauze
er tusschen natuurUjk) een tweekwarts- een drie-kwarts-, een
vier-kwarts-, een vijf-kwarts-, en een zes-kwarts-maat te
slaan, of te kloppen in het tempo, dat hem (buiten alle
bijgedachte aan bepaalde melodieën) het meest bevalt; en
ge zult vinden, dat hij met het toenemen der maatslagen
ook voortdurend, en in geleidelijke verhouding het tempo
zóó versnelt, dat het product van kwart-duur en aantal
slagen ongeveer gelijk blijkt, óf althans heel heel lang-
zaam en heel heel weinig toeneemt.
429. Alleen moet ik opmerken, dat mij persoonlijk
uit een kleine reeks van proeven gebleken is, dat de een-
(i) Bolton : Rhythm, t. a. p., blz. 214-222. •
(2) E. Meumann : Untersuchungen :^ur Psychologie und Aesthetik
des Rhythmus, t a. p., blz. 317.
— i6o —
heid dezer objectief-rhythmische bewegingen , merkelijk
langer, ja soms zelfs tweemaal zoo lang duurt dan de
eenheid der subjectief - rhythmische waarnemingen : dus
gemiddeld tjpee seconden.
Dit komt overeen met het tempoverschil dat M. Keiver
Smith tusschen den duur van spontaan geregelde en door
den metronoom opgedrongen bewegingsrhythmen heeft
opgemerkt (i).
430. Geldt dit nu ook voor de spreekbewegingen ? Ja (2).
RoussELOT vond bij zijne kwantiteits-metingen dat zoo-
wel de duur der klinkers als der medeklinkers omgekeerd
evenredig is met de lengte der geheele groep (3); en voor
de klinkers voegt hij er de merkwaardige conclusie bij :
dat blijkbaar de lange veel meer aan reduceering bloot
staan dan de korte, daar ook het verschil tusschen lange
enkorte omgekeerd evenredig blijft met de lengte der heele
groep, zoodat reeds in viersilbige groepen de lange met
de korte op ééne lijn blijken te staan (4).
Maar zijn nu daarom alle psychische taaleenheden ,
m. a, w. alle constructies even lang?
De dagelijksche ondervinding leert ons uitdrukkelijk
van niet. Zoo is b. v. « Goed zoo » zeker korter dan :
« Heb-ik je dat al niet dikwijls genoeg gezegd? » En
toch leeren ons de metingen van Rousselot zeer duide-
lijk dat er een streven en een krachtig streven in ons
werkt ze gelijk te maken : Maar weinig constructies blij-
(i) M. Keiver Smith : Rhythmus und Arbeit^ blz. 304 en passim.
(2) Paul Pierson : Métrique naturelle du langage, t. a. p.,
blz. 1 38-39 enz.
(3) Rousselot : Módifications phonétiques, t. a. p , blz. 145, 161.
(4) Dit ter overdenking aan hen die met H. Hirt : Ablaut, blz. 6,
meenen dat een reductie van lange vocalen tot 9 cc fast notwendig »
een tusschentrap veronderstelt. Ook Jes persen constateert de grootere
gevoeligheid der lange voor reduceer ing : Jespersen-Davidsen : Lehr-
buch, t. a. p., blz. 176.
— i6i —
ven in duur onder één seconde, en nog minder gaan er
de twee seconden te boven.
Ik heb Rousselot's gemeten teksten (i) in constructies
verdeeld, en nageteld en geef hier eenige voorbeelden :
de getallen bedoelen honderdsten van sekonden.
Entends-tu chanter ce coucu i55; Je puis essayer quel-
que coup 145; La mienne ne scie pas du tout 146;
Je voudrais qu*il füt étripé 147 ; Qu'a-t-il fait ton pépé 140;
Ma chausse est trop épaisse 149; Force un petit par en
sus 160, Deze vormen ongeveer de norma.
Zien wij nu eenige korte : Avec du miei 106 ; Prête-
me ta scie iii; (^b, ne fait pas bon io3; Il est content
ta 97; Une s'étouflfa 87; Pipe-s-y 74; enz.
En ten slotte eenige lange : Happer un pot 9a n'est pas
difficile 208; Qu'as-tu fait de tes petites chattes 180; On dit
que les feuilles de ronces étaient bonnes aussi 204 -f-...?;
Je prendrais bien un lait de poule aussi 170; enz.
Ik geldof dat deze feiten reeds duidelijk genoeg spreken,
maar hoop toch, dat dergelijke proeven, die zoo allereen-
voudigst zijn, spoedig op groote schaal worden hervat, om
te zien, hoe ver de reduceerende kracht der lange, en de
rekkende kracht der korte constructies strekken mag.
431. In elk geval biedt de natuurlijke versmaat der
Latijnsche comici, tragici en inscripties ons een historisch
bewijs onzer stelling. Het is toch dwaas in plaats van
al die schijnbaar niet-tellende vocaaltjes apostrophe*s te
zetten, zoodat het vers in den letterlijken zin des woords
onuitsprekelijk wordt. Neen; bijna alle letters bleven be-
houden, zoowel medeklinkers als klinkers, maar in grootere
constructies werden zij alle verkort, zoodat lange silben
(lang door vocaal of dubbelen medeklinker) kort, korte
silben nóg korter werden. Men heeft in het vers van
Plautus ooit een overgang gezien van het kwantiteits-
(i) Modifications phonétiques, blz. 166-172.
— l62 —
rhythme naar de in tensiteits- metriek. Niets is minder waar
dan dit. Integendeel : het populaire Latijnsche vers berust
op louter kwantiteit; maar op een kwantiteit die niet te
brengen is onder de simpele regeltjes onzer prosodie-boekjes,
op een kwantiteit die zich niet stoort aan taaihistorie of
Grieksche modellen, op de kwantiteit der levende smijdige
volkstaal, de eenige ware kwantiteit, die de philologen
niet kennen. £n zoo zal eenmaal de Latijnsche comedie
van onschatbaar nut worden voor de bepaling der con-
structies in de Latijnsche volkstaal.
432. En zeer terecht heeft er dus Meillet in het
algemeen al herhaaldelijk opge wezen, dat men in de histo-
rische ontwikkeling der klanken óók op de lengte van
het woord, waarin ze voorkomen, dient bedacht te zijn.
Alleen moet hier naast den term : « woord » natuurlijk
al wederom « de constructie » worden ingevuld.
De kleur der spraakklanken, of het kleuraccent.
433. Het doel van dezen bijtitel heb ik boven in het
licht gesteld. De formuleering van mijn hoofdtitel heeft
misschien nog een kleine toelichting noodig. Ik handel
hier over de kleur der spraakklanken ; maar niet, gelijk
men zou kunnen meenen alleen over de klinkers. Ook
de medeklinkers hebben dikwijls hunne eigen kleur. Want
wat is de mouilleering van liquidae, nasalen en mutae
anders dan i-kleur, en wat is de lippenronding der la-
biovelaren en labiodentalen anders dan u-kleur (i)? Daarom
koos ik deze algemeene benaming.
434. Wat de physieke natuur der vocalen aangaat, is
er weinig, dat positief !{eker kan genoemd worden. Zeker
er moet een fond van waarheid hggen in de veronder-
tcUingen van Helmholz, Hermann, Marage, enz., maar
(i) au : o = ai : e = kw : k'i = U : 1.
— i63 —
wdt precies en hoeveel? Zoolang we de mathematische
dififerentiatie der luchttrilling voor de verschillende klinker-
typen niet kunnen achterhalen, blijft ons weten in dezen
een bevroeden in het vage. En of hierin nu zoo spoedig
verandering komen zal? «Ik heb al meer dan 600 ver-
schillende a-curven » zoo schreef mij D' Struycken, « waar-
uit nooit iemand zal kunnen wijs worden, als er geen
loopje op gevonden wordt om de wiskundige analyse te
vereenvoudigen. Ons gehoor is, jammer genoeg in dezen,
nog ontelbare malen gevoeliger dan onze optische instru-
menten, zoodat wij waarschijnlijk altijd een heele boel
zullen blijven hoor en, wat we nooit of nimmer zullen ^ien. »
435. Met de physiologische of genetische definitie der
vocalen zijn wij in de laatste decenniën heel wat verder
gekomen, zoodat wij hier gerust van zekere kennis en
beslist weten mogen gewagen.
Het kan natuurlijk niet in mijne bedoeling liggen hier
deze omvangrijke détailstudie te compendieeren (i). Hier-
voor verwijs ik naar de phonetische handboeken. Voor
een vluchtige kennismaking leenen zich het best de aan-
schouwelijke diagrammen van D^ Lloyd te vinden o. a.
in VlETOR-RlPPMANN (2).
436. Een eigenaardig onderscheid der klankkleur dat
samenhangt met hare overgangsnatuur tusscben klankeigen-
schap en autonome klankwaarde, bestaat hierin, dat wel
de subordineerende differentiatie door alle tijden en eeuwen
blijft bestaan, maar dat de wijze van subordinatie althans
in zooverre wisselt, dat onder invloed der overige accenten
nu eens de hoogere kleur, dan eens de met grooter mond-
(i) Het nieuwste en beste is zeker ter eene zijde het reeds dik-
wijls aangehaalde Lehrbuch van Jbspersen-Davidsen, Leipzig-Berlin,
1904 ; ter andere zijde : de Principes de phonétique expérimentale,
Paris, 1897-1900-...? van l'Abbé Rousselot.
(2) ViETOR-RippMANN : Elemeuts of Phonetics, Londen, 1869, blz.
28-29 en passim.
— 164 —
opening, dan weer de met enger mondopening gesproken
vocalen, als dragers van het kleuraccent naar voren treden.
Gaandeweg zullen wij dit alles beter en uitvoeriger be-
grijpen, maar om haar algemeene strekking verdiende deze
opmerking hier onder de inleidende begripsfixeeringen
althans een kleine plaats.
437. A. Welnu, onder de verschillende werkingen
der differentieerende subordinatie neemt de differentiatie
der klankkleur een zeer voorname plaats in.
De meest voor de hand liggende voorbeelden daarvan
zien wij in de diphthon geering der lange vokalen.
Want de experimenteele onderzoekingen der laatste jaren
mogen nu uitgemaakt hebben, dat een lange klinker en
medeklinker gewoonlijk niet tweemaal zoo lang is als de
overeenkomstige korte; staan blijft het feit, dat de naïeve
spreker o. a. blijkens vele phonetisch opgekomen spellin-
gen, dikwijls èn de lange klinkers èn de lange mede-
klinkers, als de combinatie van twee korte voelt, wat
trouwens de nieuwere proeven zelf veelal bevestigen, daar
in het midden gewoonlijk de een of andere verzwakking
der articulatie als scheiding tusschen beide deelen merk-
baar is. In elk geval is deze tweeledige natuur een ver-
eischte voor diphthongeering.
438. Welnu twee zulke vocalen naast elkander diffe-
rentieeren nu tot een diphthong, m. a. w. de eene wordt
meer open klinker, de ander wordt meer gesloten tot een
sonantisch element.
Zoo werd Mnl. üü tot Nnl. ui (ö^i,), Mnl. ii tot Nnl.
ij (ei), Os. ü reeds Mnl. tot ou.
Ongeveer hetzelfde in het Duitsch : Mhd. üü tot Nhd.
eu (öi), Mhd. i tot Nhd. ei (a;), Mhd. ü tot Nhd. au.
Hoe hier zeker in den overgangstijd een circumflectee-
rende betoning, dus reeds een scheiding der beide elementen
voorhanden was, leze men na bij Wrede (i).
(i) ZfdA. 39, blz. 257-301.
- i65 —
Hetzelfde vindt men in het Engelsch : Mengl. i tot
Nengl. i (ai), Mengl. ü tot Nengl. ow en ou (ay).
Hoe ook hier een o zweigipflige i en ü » voorafgingen,
zie men bij Holthausen (i).
Dit vinden wij dus in het Nieuwere-West-Germaansch,
waar gelijk wij boven zagen het intensiteitsaccent vooral
op. de vokalen viel. Zeer begrijpelijk is het dus, dat hier
de differentieering de domineerende vokaal meer -open
maakte, dus meer sonoriteit gaf.
439. Het omgekeerde zien wij in de oudere taal, waar
wij vonden dat het exspiratorisch accent der consonanten
de bovenhand had. Hier wordt de domineerende vokaal
meer gesloten, dus geschikter tot exspiratorische intensiteit.
Zoo wordt in het Ohd. tusschen 8- en 900 : ó tot üo,
later ü; ê tot ia, ie, later ië (ê).
In eenige gevallen is het zeker dat de ê zweigipflig was.
Zoo in het Praeteritum der oorspronkelijk redupliceerende
werkwoorden : Got. lailöt, Ohd. lêz, liaz, liez, Nhd. liess,
Got. rairöp, Ohd. rêt, riat, Nhd. riet.
Eveneens in het OudSaksisch : Monacensis meest ê :
Cottonianus meest ië. Monacensis meest ó : Cottonianus
meest üo.
440. Verder zijn de gesloten vulgair-latijnsche lange
ê en ó in 't Noord-Italiaansch, Oud-Fransch en de Rhae-
tische dialecten tot eji, en oy geworden, lat. me : ofra.
mei; lat. pira : ofra. peire; lat. hora : ofra. oure; vlg.
lat. flore : ofra. flour.
In 't West-Raetisch, Italiaansch, Fransch, Proven9aalsch
en Spaansch zijn de open ê en ó (2) tot ji^é en ^6 gewor-
(i) Anglia, Anjeiger, 8, blz. 114.
(2) Het recht om hier gelijk in het zooeyen aangehaalde geval
in plaats van e, o, gelijk men gewoonlijk vindt, mijn ê, 6 te zetten
ontleen ik aan de kwantiteitswet door Meyer-Lübke : (Einführung
in das Studium der • Romanischen Sprachwissenschiift, Heidelberg,
i66
den : lat. breve : fra. brief; lat. heri : fra. hier; lat.; nova :
it. nuova; vlg. lat. locu : it. luoco.
Ik wijt het verschil tusschen beide hieraan, dat de ge-
sloten lange hun intensiteitstop op de eerste, de open
lange hem daarentegen op de tweede more hadden; waar
trouwens de oorsprong van beide groepen reeds op wijst :
de gesloten Romaansch ê en ó beantwoorden toch aan
klassiek-latijn ê en ö; de open Romaansche ^ en d be-
antwoorden aan klassiek-latijn e en a In elk geval volgt
uit beide feitenreeksen overduidelijk, dat in het Oud-Ro-
maansch het intensiteits-accent vooral op de klinkers viel.
Het zou mij niet moeilijk vallen deze algemeen bekende
feiten nog met tal van andere uit de Idg. taalgeschiedenis
en vooral uit de hedendaagsche dialecten te vermeerderen :
ze zijn legio (2). Maar wij moeten verder, dit hoofdstuk
zal toch lang genoeg worden.
441. Maar nu zien wij de differentiatie in ofra. ei
en oy verder gaan, en wel schijnbaar in omgekeerde rich-
ting, van den nieuw-bij gekomen consonant uit : e en i, o
en ^ zijn nóg te veel gelijk, de differentiatie wil nog ver-
1901, § 87) geformuleerd : » Vokale vor mehrfacher Konsonanz wer-
den durchweg gekürzt, vor einfacher durchweg gedehnt » èn aan
het feit, dat nu juist de besproken diphthongecringen althans in hun
centraal gebied altijd vóór enkelvoudige en nooit vóór dubbelen
konsonant optreden. Zie de vier katcgorieën van feiten bij Mever-
LÜBKE : Grammatik der Romanischen Sprachen, I, Leipzig, 1890,
§ 70, § 119, § i5o, § 184 en de besprekingen daaromtrent.
(2) Zie er nog eenige andere bij A. Meillet : De la différencia-
tion des phonemes. MSL, XII, 1903, blz. 14-34, een artikel dat ik
ook verderop nog menigmaal zal benuttigen, voor het materiaal ten
minste, minder voor de beschouwing der feiten. Het zal Meillet
misschien genoegen doen te vernemen, dat ik door psychologische
beweegredenen geleid, ep op heel andere feiten steunend, reeds tot
de bcvroeding eener dergelijke algemcene taalwet was gekomen, eer
ik zijn artikel kende, ^Ecn verschijnsel van twee zóó verschillende
kanten waargenomen kan geen zinsbedrog zijn.
— i67 —
der en zoo ontstaat oji. uit ej, en e^ uit oy ; Ofra. mei :
nfra. moi; ofra. peire : nfra. poire; ofra. flour : fra. fleur;
ofra. oure : fra. heure.
Ook ié en ^6 toonen nog een verder uiteengaan : ji^é
betrekkelijk zelden tot ji^d, zoo lat. decem : spa. diez : astur.
diaz maar ^6 zeer dikwijls tot yé, zoo ofra. cuómes :
cuémes; ospa. cuomo : spa. cuemo, enz.
Hetzelfde feit hadden wij trouwens ook in het Ger-
maansch kunnen constateeren, als wij in n' 438 hadden
willen stilstaan bij de historische spelling van het NI.
en Hd. waarin zich de ontwikkeling van den minder- tot
den meer-sonoren dominant nog duidelijk vertoont.
442. Maar nu begrijpen wij ook hoe in het Latijn
uit voster, vormis : vester en vermis, hoe uit vocuus en
vocare : vacuus en vacare ontstonden, waarom de thema-
tische o na ]4 zooveel langer weerstand bood, terwijl toch
alle andere reeds lang u waren geworden, waarom de
onbetoonde o, a en e na i in open silben niet tot i
werden (remigo : variego; veottjc;, novitas : societas, pietas;
zelfs laniêna : tonstrïna, verder : hiemis, parietis enz.)
Nu begrijpen wij, hoe in de Attische i^^ declinatie de
uitgangen -ta en -ea, de oude a behielden, maar die op
-oTi, -tüT) en -uYi den algemeen en regel volgden. Dat de
-pa-vormen aan een i-kleur der p te wijten zijn, durf ik
niet te beslissen, maar trots Meillet toch wel te ver-
moeden (i). Nu begrijpen wij waarom -ao-, -ao)- in de
verba contracta van zooveel dialecten tot -eo-, -ew- b. v. in
Tifjiwv, Ti[jiov-e(; werden, waarom reeds in het Oer-Grieksch
aa tot Eot werd in yépani : ion. yepEa, xxéavov : xtaojxai, Suv^axai :
8óva{jLat, enz. (2). Nu begrijpen wij waarom oksl jë- tot ja-
(i) Zie Havet MSL. II, blz. 167 vlgd., die door de p verschillende
a's uit E verklaart, zoo : cpdfpoj, Tpacpo), Traxapa enz.
(2) O. HoFFMANN : Der ionische Dialekt, Quellen und Lautlehre,
Strassburg, 1898, blz. 246.
— i68 —
wordt; eveneens na §, c, 2, die natuurlijk i-kleur hadden,
(zie nog andere Slavische en Baltische differentieeringen
bij Meillet, t. a. p.), waarom in het N.-Engl. yis en yit
tot yes en yet zijn gedifferentieerd.
Zoo begrijpen wij eindelijk ook den veel besproken ovei-
gang van latijnsch -ov- tot -av-. De -v- drijft de o verder
van zich af. Dit voorbeeld is vooral hierom merkwaardig
omdat klaarblijkelijk hier de sonant -v- haar afstootende
kracht dankt aan het intensiteits-accent der volgende silbe(i) :
ovis naast avillus, fovea naast favilla, fove naast favére enz.
Trouwens ook in de Grieksche voorbeelden zagen wij
reeds duidelijk dat het geen vereischte voor de differen-
tiatie is, dat de beide klanken tot dezelfde lettergreep be-
hooren.
443. Dit wordt echter nog veel sprekender, als ons
nu gaat blijken, dat zelfs blijkbaar neutrale consonanten
de differentieerende klinkers kunnen scheiden.
Zoo verhaalt R. Gauthiot (2) dat zijn zoontje de klin-
kers in tweelettergrepige woorden en constructies in een
zekere periode begon te differentieeren : pipi werd pépi,
fini werd méni, qui piqué werd quépic, cucul werd cócü,
du sucre werd cotü(c) (3).
Ook Deville vermeldt feiten van denzelfden aard (4) :
pipi wordt pépi, mama wordt méma en mané, papa wordt
pape, fini wordt moni.
Hetzelfde zien wij voor de fra. dialecten in woorden,
die ook eigenlijk wel in de kinderkamer thuis zijn (5) :
(i) F. SoMMBR : Handbuch der Lateinischen Laxit- und Formen-
lehre, Heidelberg, 1902, § 77; Brugnann : Kurs^e vergl. Gramm.,
t. a. p., blz. 255, II,
(2) Mélanges Meillet^ t. a. p , blz. 58.
(3) Over de uitstekend verklaarde medeklinkers zie ook aldaar.
(4) G. Deville : Notes sur Ie développement du langage. Ëxtrait
de la Revue de Linguistique, 23, 24. blz. 19-20, 36-37.
(5) Fr. Dikz : Gcmination und Ablaut im Romanischeu, Hoefer's
Zschr. f. d. Wissenschaft der Sprache, III, i85i, blz. 397 vlgd.
— i6g —
Henegouwsch : bébête diertje, fréfrère broertje. Picardisch :
pépère grootvader, mémère, grootmoeder.
444 Hierbij sluit zich nu eene systematische reeks van
onomatopeeën uit allerlei Europeesche talen aan, waarin
de heldere vocalen altijd voorop staan en de donkere volgen :
NL (i) zwietzwat, kiskassen, getriptrap, wielewaal, tita-
toe, pitjepatjepoe, bimbambommen, pimpampoentje,
kinkankhoorn, ringelrangelrooze kleökleekloterspaan.
Hd. (2) mischmasch, singsang, klimperklamper, wigen-
wagen, schnippschnappschnurr, piffpaffpufF, bimbam-
bum, Fichtisfechtis, Hippeheppe.
Engl. (2) chitchat, heehard, seesaw, tiptop, pingpong.
Fra; (3) zigzag, tictac, chicchac, cric et crac, patati patata,
de brie et de broc, chuchoter, sussoyer.
It. (4) trictrac, tiflfetaffe, chiccheri e chiaccheri, ticche-
tocche.
Milaneesch fliccflaccflucc, flippfloppflupp, tinton, barlich
barloch.
Spa. (4) chischas, tripitrape, nifinafe, ringorango, flin-
(i) A. DE Jager : Verscheidenheden uit het gebied d, Ned. Taal-
kunde, Deventer, 1844, blz. 127-194; Idem : Latere verscheidenheden,
Deventer, i858, blz ; J. H. v. Dale : Archief voor Nederlandsche
Taalkunde, III, blz. 207-212.
(2) Grimm. : Deutsche Grammatik^, I, blz. 56i vlgd., III, blz. 307
vlgd.; Idem : Deutsches Wörterbuch, IV, 2, 2008, 9; G. Gerland :
Intensiva und Tterativa, Leipzig, 1869, blz. 87 vlgd. ; Willmanns :
Deutsche Grammatik, II, Strassburg, 1899, blz. 21 ; meer in 't alge-
meen : PoTT : Doppelungt t. a. p , blz. 65-69; L. Tobler : Ueber die
Wort:(usammenset^ung, Berlin, 1868, blz. 7 vlgd.; .W. Wackernagel ;
Voces variae animantium^, Basel, 1869, passim; J. Winteler : iVa-
turlaute und Sprache, Aargau, 1892, passim.
(3) E. Rolland : Faune populaire de la France, Paris 1879, II,
passim; M. Grammont : Revue des langues romanes, 44, blz. 100 en 146.
(4) F. DiEZ : Gemination und Ablaut itn Romanischen, t. a. p. ;
C. Salvioni : Fonetica del dialetto moderno della citta di Milano,
Milano, 1900, blz. 267-97.
— 170 —
flon, tripitropa. Catal, flistflast, xipxap, xarric xarrac,
farrigo farrago, barliqui barloqui.
Portg. triques troques.
Kymr. wi9 wa9. Gael. chith-chath (transcriptie van Pott).
Lit (i) bistu pabèstu, czaksz czauksz, pykszt pokzst,
szwikszt czakszt, Lettisch wirSu warSu.
Latijn, (2) dida, cicabat (naast cacabat) hiare(?) tinipant,
tintinabulum, titubare enz.
Grieksch(3) xtxxapau, xixxapaJJeiv, (naast xaxxct^tj en xaxxapaJ^etv)
TTtiro^, iriTTw, TpiyOdt xe xal xETpayOa, titOo'c, titOtj, TixTupi'seiv,
XÊXXa, TTOTTTTU, Xo'xXU, XOXXU^ÊIV.
Oud-Indisch (4) ci9ca, lïla. ki§ku§, pilippil^s, cïcïkücï,
9iri9ira, titaü, vi9vas(?), pippaka, bibiba (naast bababa)
en dardurds, kêka.
445. Na al het voorgaande kan er geen twijfel meer
zijn, meen ik, of de Grieksche intensief-reduplicatie heeft
zijn Ablaut aan onze subordineerende differentiatie der
klankkleur te wijten. Gr. 7:op<pupw, xuixuw, fjLoifjLuXXw. oXoXu^w,
7roiopu(T(Tco, xovOopu^ü), yoYT^sWi t:oit:vü(o, (xop|jLupü), naast lat. mur-
murare, ohd murmulön, arm. mrmral enz. Voor de no-
mina eveneens : xovOpu<;, yoTY^^oi;, xo'xxu?, enz.
446. Maar ook de Idg.-Praesens- en Per f eet-redupli-
caties. Verderop zullen wij zien, wat hiervan de oor-
spronkelijke beteekenis geweest is. Hier beschouwen wij
alleen hun vorm.
Uit de talrijke overblijfselen van vokaalgel ijkheid tus-
schen reduplicatie- en stamsilbe, mogen wij gerust con-
cludeeren, dat onze Praesens- en Perfect-reduplicaties wel
(i) Leskien : Schallnachahmungen und Schallverba im Litauischen,
IF. i3, 1902, blz. 186, 192, 204, 208.
(2) W. Heraeus : Die Spracho der römischen Kinderstube, Arch.
f. lat. Lexikographie, i3, blz. 162.
(3) W. Wackernagel : Voces variae Animantiumy t. a. p.
(4) Voor de meeste zie C. C. Uhlenbeck : Kur^ge/usstes etymch
logisches Wörterbuch der altindischen Sprache, Amsterdam' 1898/99.
— 171 -
niet vorm voor vorm, maar ten minste als klas, op een
type met gelijke vokalen berusten. Welnu, dezelfde nei-
ging van diflferentieerende subordinatie, die in de duizenden
voorbeelden, zooeven gecompendieerd, zoo overduidelijk
aan het licht komt, heeft die beide gelijke lettergrepen
uiteen doen gaan, en in de eerste silbe een lichteren, in
de tweede een donkerder vokaal doen opkomen (i).
Hierop wijzen in 't Arisch gebied de palatalisatie, oind.
jaghana, op. ca/riyah; daarbuiten de kwalitatieve Ablaut ®/o,
gr. |ji£{iova, oier. (ro)reraig, germ haihald enz. In het
Praesens is de differentiatie nog verder gegaan, en de
heldere vokaal tot een i geworden. Oind. piparmi, g. Av.
his(5ama'dë. gr. f^^^x^y o^^- bibën.
447. Ook in de nomina (2) vinden wij juist dezelfde
verschijnselen.
Arische palatalisatie in oind. cakram, cdkoras, jaghé.nas,
av. ^a^rom.
e-trap in gr, tt^ttXoc, eizo^^ xeTavoc, irsTrotÖTifftc, lat. memor,
ags. hwéol, teter, nl. bever, opr. gegalis, Ut. bêbrus,
oksl. bebrü,
i-trap in oind. 9i9U§, gr. x^xu;, ylyapzoy, fif^x'^^ xtOiivTj,
lat. fiber, cicönia, cicada, cicaro, ohd. fifaltra, mnl.
viveltre.
448. Deze volgorde van lichte en donkere vocalen is
nu wel de gewoonste, maar niet de eenige. Ook de om-
gekeerde komt voor. En wel ten eerste weer in onoma-
topeeën (zelfde bronnen als boven) :
(i) Maurice Grammont heeft het eerst op dit parallellisme ge-
wezen. La dissimilation, t, a. p., blz. 270. Zie ook Meillet, MSL.
12, 1903, blz. 2i5-i8.
(2) Ik heb boven slechts in het voorbijgaan op de kwantitatieve
differentiatie der verbale reduplicaties gewezen. Ook deze hebben
in de nomina hunne parallellen : ÈoiiSoxa : èSüiSii, ixa^pivo^ :
— 172 —
NI, geen boe of ba zeggen, boembambeieren, poespas,
fri. boeba, gron. koeskas.
Hd. bufbaf, pufpaf, Murrmau, MuffmafF, Puspas.
Engl. gewgaw en gugaw.
Fra. tractrec.
It. a ruffa raflfa, buffa baffa, cucco.
Venetiaansch : zufe zafe.
Siciliaansch : tuppiti e tappiti.
Mlat busbas (Du Cange).
KI. lat. butu batta (Naevius bij Festus) tuxtax (Plautus)
bubalus, pupa.
Gr. TüTW, TUXed^, T^XTl^, T^Tpl^.
Pehlevi : zabzeba, sabseba, damdemia (transcr. v. Pott.)
Hindustani : püèh paJ^h, dhüm dham, hupahap, chupchap
(transcr. v. Pott.)
Oind. durödaram, kurkura, cu9cu§a, köka.
Men ziet aanstonds dat hiertoe ook de meeste der voor-
beelden van Gauthiot en Deville : pépi, quépic, méni,
moni, papé, mané, cócü en cótüc behooren.
449. Welnu juist als in de kindertaal vinden wij al
deze kategorieën in de taalgeschiedenis ook bij niet-redu-
pliceerende woorden terug. Zoo b v. in het Romaansch(i) :
I** Vïcïnum, was reeds in 't vulgair-latijn tot vecinu
geworden, gelijk rum. vecin, oprov. vezi, fra. voisin ouder
veisin, spa vecino, pte. vezinko bewijzen. Eveneens di-
vïnum : devinu, fr. devin, deviner, spa. adevinar, zoo
lat fïnïre : ofra. fenir; lat. prïmarim, prov. primier, fra.
premier, lat. prïmïtios, fra. prémices; lat. crïminalem :
ofra. creminel; lat. fibillam : spa. hebilla; spa. militar :
andalusisch : melitarse, ptg. melitar; lat. ministrum : ptg.
menistru (2).
(i) Meyer-Lübke : Grammatik d. Rom. Spr. t. a. p., passim, zie
Registers in voce : Dissimilation; Idbm : Einfühning in das Studium
der Roman. Sprachwissenscha/t, t. a. p., § ii2-ii3.
(2) « Ob diese Dissimilation schon lateinisch sei, ist weniger sicher »
- 173 -
450. Ook hier evenwel is de eerste reeks, dus de op-
volging van licht-donker meer gewoon.
7P lat. honörem : ofra. enor; lat. sorörem : ofra. seror,
vuig. lat. volontate : ospa. velontad ; lat. formösum : nspa.
hermoso; vuig. lat. *potiöna : ptg. pe9onha; vuig. lat.
♦subdiurnum : ofra. sojors : nfra. séjour; lat. rotundum :
oit. rotondo : nit. ritondo : rum. rStund, ofra. reond ; lat.
bubulcum, oit. bobolco : nit. bifolco; lat. soröcula : it.
sirocchia.
30 klass. lat. Augustus : vuig. lat. Agustus : it. agosto etc. ,
klass. lat. ausculta : vuig. lat. asculta : it. ascoltare enz.,
klass. lat. augurium : vuig. lat. agurium : rum. agurd enz.
4** lat pulmönem : it. polmone : friaulisch : palmon ;
lat. colostrum : spa. en ptg. calostro; lat. cognoscere : oit.
canoscere; lat. sorörem : obw. sarur; lat. dolörem : obw.
dalur, lat. colörem : obw. kalur; lat, honörem : obw. anur.
b^ klass. lat. farraginem : vuig. lat. ferragine : it. fer-
rana : sard. ferraina : oprov. ferratge : spa, herren : ptg,
ferrSn,
451.. Wij hebben dus in het Romaansch vijf rijen :
jo i-i .wordt e-i,
2® 0-6 wordt e-ó, i-6,
3° au-ü wordt a-ü,
4<* o-ó wordt a-6,
50 a-4 wordt e -4,
waarvan vooral de twee eerste belangrijk zijn. Hierop
berusten toch behalve de aangehaalde en vele andere op
zich staande woorden nog twee heele vormkategorieën :
zegt Meyer-Lübke. Als hij echter de latijnsche eigennamen had verge-
leken met hun Grieksche transcriptie bij Strabo, Cassius Dio e. a.,
geloof ik, dat hij zich meer beslist zou uitgedrukt hebben. Typische voor-
beelden zijn : Arminius : ApjJiivio; Domitius : Aojjiixto*;, Caecilius :
KaixAto<;, Icilius : l>ciXio<;, Cominius : Ko|Ji^vio<;, Flaminius : 4>)va{i£vto<;
enz. (Verder V^e eeuw n. Chr. Stilico : StêXi^wv) G. Kossinna. IF,
II. blz. 184.
— 174 —
lo De bekende Spa. Ablaut tusschen enkelv. en meerv.
in pido, pedimos; digo, decimos; rido, reiinos; frigo,
freimos.
Eveneens in het Oud-Portugeesch : escrivo, escrevimos,
escriver; conhosco, conhecemos, conheceis, conhecer. In
dit laatste ww. dus omgekeerd o -e uit o -o. Bij hetzelfde
WW. in het fra. differentieert o-oi tot o -ei, b. v. conneis- |
sons, waaruit nfr. connaissons en connaitre in plaats van
connoitre.
2° De ofra. s-Perfecta : lat. dixit : ofra. dist, maar lat.
dixisti : ofra. desis; lat. misit : ofra. mist, maar lat. misisti :
ofra. mesis enz.
452. Al deze gevallen komen hierin overeen, dat de
tweede vocaal om het accent altijd domineerde, en zich
den eersten door differentiatie subordineerde.
In de nog-klassiek-Latijnsche voorbeelden (i® en 3*>) ging
dit van de meest-gesloten vocalen uit, dus overeenkomend
met het medeklinker-accent. (Zie n*" 442.) ^
In de Romaansche gevallen (2^, 4° en 5°) van de open
vocalen, dus overeenkomend met het klinker-accent. (Zie
n^ 440 en 441.)
453. Maar zou het nu niet vreemd zijn, dat van deze
vokaaldifferentiatie die ons bij een kleine omwandeling op
het Romaansch gebied van alle kanten tegemoet komt,
nu heelemaal geen sporen zou hebben nagelaten op het
veld dat de Indogermanisten onderzoeken? Te meer, daar
wij boven reeds aan verschillende voorbeelden zagen dat
vokalen en sonanten daar ook wél differencieerden, als zij
onmiddellijk op elkander volgden ? Te meer, daar wij toch
in de alleroudste lagen ook in verschillende lettergrepen ^
reeds den kwalitatieven Ablaut der reduplicaties aan de-
zelfde psychologische neiging hebben moeten toeschrijven?
En toch. Brugmann behandelt zoowel in zijne Kurze
als in zijne lange vergleichende Grammatik wel Assimila-
- 175 -
tion von Konsonanten an Konsonanten in Fernstellung,
en Dissimilatorische Aenderung von Konsonanten durch
Konsonanten in Fernstellung; óók Assimilation von Vo-
kalen an Vokale in Fernstellung; maar waar blijft het
vierde lid, dat alleen reeds de symmetrie hier vordert?
Laten wij trachten deze leemte aan te vullen : ik geloof
dat het Idg. vocaalsysteem er wel bij zal varen.
Ik waag mij natuurlijk niet aan een systematischen
opzet. Daartoe is meer voorwerk noodig, dan mij ten
dienste staat (i). Ik bepaal mij echter bij het bewijs, hoe
deze vokaaldifferentiatie allerlei duistere onverklaarde pun-
ten der Idg. klankleer met een onverwacht licht bestraalt.
454. Op de eerste plaats : de ®/o Ablaut.
Wij hebben reeds gezien, dat de natuurlijke kleurdif-
ferentiatie in de volledig-geredupliceerde onomatopeeën èl
te sprekend gelijkt op de Perfect-vocalisatie, om hier nog
aan een toevallige overeenkomst te gelooven. Trouwens
de oorspronkelijke beteekenis van het Perfectum, die later
ter sprake komt, zal deze parallelle vorming zóó begrij-
pelijk maken, dat wij als zekere waarheid mogen aan-
vaarden : De Perfect-vocalisatie is door kleurdifferentiee-
ring ontstaan.
Nu zagen wij echter in de Romaansche talen, dat ook
de gewone woordvorming maar al te dikwijls de twee
(i) Terloops wil ik hier echter nog wijzen op een zeer instruc-
tief voorbeeld in het West-Germaansch, dat vooral in het Hoogduitsch
sprekend is gebleven,
eu
j * : eu — I ( ) ™2Lar eu — < o : io, ie — |( ° 1
m. a. w. door den dififerentieerenden invloed der tweede silbe, bleef
in het eerste geval een open e of ö domineer end , in het tweede
geval werd de dominant tot een gesloten i Vgl. siech met Seuche
(ohd. siuhhi-) diet in Dietrich met deutsch (mhd. diutisch) Beiersch ;
Liecht (nhd. licht) met leuchten (got. *liuhtjan) enz.
— 176 —
gelijke vocalen van twee opvolgende lettergrepen op een
dergelijke wijze weet te differentieeren. Want ook hier
b. V. ontwikkelden zich de Ablaute «/o */o en */a. (Zie
n»" 450.)
En nu vinden wij in het Idg. naast onze Perfecta
eveneens eene reeks van niet-geredupliceerde nominale en
verbale vormen die eenzelfde opvolging van ®/o vocalisme
vertoonen, en wier verwante vormen toch bewijzen, dat^
dit evengoed heel anders kon. Zouden wij daarin óók
geen kleurdifferentieering * mogen zien ?
Er is noch a priori noch a posteriori iets tegen in te
brengen.
Ik noem slechts eenige der voornaamste kategorieën.
I® X^yu), T^iü), f^(p)ü), [jLEvü), ^épü), orefj^ü), ^euytü, jicivSco,
l'piro), enz.
1^ v^(F)o?, tvo?, Xêuxo?, epyov, ^b^p^o^, xAaov, jépao^, enz,
3® eiro;, S^oc, Y^^°^» ^^^1 öepo;, eiiBo?, y^^^'^^^» xép8o<;,
, ëXxo;, enz.
40 irXeufAwv, oind. klóman, xépfjLwv, oind. jéman, got.
hiuhma, milhma, t^xtwv, itéirwv, enz.
50 l'flTCWp, xivTlOp, *'ExTü>p, M^VTtOp, N^ffTtOp, SxivTCüp, ^I^TlOp,
EopE^y enz.
60 S^ptpov, x^vTpov, cpipTpov, X^xTpov, enz. en nog veel meer;
maar dit kan ter illustratie van de algemeenheid
van het verschijnsel volstaan.
Maar kunnen wij nu hier, gelijk in het Romaansch
óók verklaren, waarom in de eerste silbe een e en in de
tweede een o verschijnt? O zeker.
Wel schijnt het Perfectum-Singulare, dat wij tot norma
voor deze klas hebben gekozen, ons op het eerste gezicht
niet gunstig, daar iedereen weet, dat afgezien van elk
Ablautsysteem de vroegere bewijzen voor de Idg. beto-
ning der reduplicatielettergreep al even zwak zijn, als die
thans gewoonlijk voor de betoning der stamsilbe plegen
- 177 -
te worden bijgebracht. Maar de Idg. betoning kan ons
hier ook niet helpen. Wij zijn hier toch bezig met den vóór-
tijd toen het Perfectum nog in de woordklasse hoorde,
waarvan wij thans niets dan onomatopeeën meer bezitten.
Wij laten dus de Idg. Perfectbetoning in het midden,
maar beweren, zonder vrees voor dwalen, dat in veel ouder
tijd het muzikaal accent op de reduplicatiesilbe viel, om
de eenvoudige reden, dat overal waar deze woordklas
van reduplicaties met lichte vóór donkere vokaal optreedt,
zij overal en altijd het muzikaal accent op de eerste silbe
heeft.
Welnu, al onze genoemde zes klassen hebben eveneens
het accent op de eerste silbe; en zijn er onder sommige
van hen uitzonderingen (zoo b. v. de Grieksche woorden
op -fxwv), dan heeft men te gedenken : !<> dat vele secun-
dair om begrijpelijke reden van accent zijn veranderd,
gelijk in n' 372 duidelijk is gebleken; 2^ dat ook hier
gelijk in het Romaansch de andere accentcondities, maar
eene gelegenheid, eene aanleiding, geen definitieve oor-
zaak zijn van het kleuraccent. Was daar toch de algemeene
conditie dat de tweede silbe het intensiteits-accent had,
ofra. creminel, andal. melitarse waren daarmee in flag-
rante tegenspraak en tóch kwam uit het overzicht van
alle gevallen deze aanleidende conditie zeer goed aan het
licht.
Welnu, dat een silbe met het muzikaal-accent aan een
lich teren en .de volgende lettergreep aan een donkeren
vokaal de voorkeur geeft, is onmiddellijk voor ieder on-
bevooroordeelde klaarblijkelijk, maar zullen wij later toch
. nog uitvoerig toelichten. Eveneens hoe het komt, dat b. v.
naast onze 2*^* klas van tetos- er zoovele totos-nomina
in 't Grieksch, Balto-Slavisch en Arisch (i) voorkomen.
(i) Deze beperking is van Meillet, MSL. Xl.blz. 3o6 : In he*
Germaansch, Keltisch en Italisch zijn de totos-nomina zeer dun
gezaaid.
12
- 178 -
Wij hebben hiermee natuurlijk nog volstrekt niet alles
verklaard, wat men gewoonlijk onder den Idg. «/o Ablaut
pleegt samen te vatten, maar het andere behoort weer
elders thuis, en zal dus verderop pas ter sprake komen.
Dat wij evenwel in dit korte nummertje wel degelijk
het grondbeginsel en de ware oorzaak van dit wijdver-
takte verschijnsel hebben aangeraakt, zal nog duidelijker
blijken, als wij in aansluiting hierbij weer een ander kruis
der Indogermanisten in behandeling nemen : ik bedoel
de wet van Brugmann ; Gr. e : o = Ar. a : a (in open
silben).
465. Dat deze gelijkstelling in hare algemeenheid geen
steek houdt, gelooven thans bijna allen. Maar de weinige
voorstanders ervan blijven toch sterk staan met het nooit-
afdoende-weerlegd argument : Zoo'n serie van overeen-
komsten kan niet op toeval berusten. En zeker, de spontane
evidentie is hier te dwingend, die serie berust niet op
toeval. Dat begin ik met toe te geven. En ik ga zelfs
trachten aan te toonen, waarop die overeenkomsten dan
wèl berusten : namelijk op dezelfde psychologische neiging
van diflferentieerende subordinatie. Alleen werkte deze
neiging blijkens de beperking voor open lettergrepen in
het Arisch op de kwantiteit, en buiten het Arisch of
liever ifi het Vóór-Idg. op de kwaliteit der klanken. Hierin
ligt al hun gelijkheid en al hun verschil.
Gaan wij slechts de gevallen na.
10 De 3<ie pers. Sing van het Perfectum : oind. jajSna :
gr. ysYove, maar oind. dadar9a : gr. S^oopxe; verder wel
oind. bibhdya en susrÉva, maar weer niet oind. bibhéda
en tutóda. ^
Alles is duidelijk meen ik. Zien wij in Y^YO'^e de kleur-
difFerentieering, in jajdna, dat oudtijds (en nóg in den
jsten persoon) uit drie korte lettergrepen bestond, werkte
de kwantiteits-diflferentieering of m. a. w, het kwantiteits-
— 179 —
rhythme. Deze effectieve oorzaak bestond niet in gesloten
lettergrepen, vandaar dadar^a (i), bibheda en tutóda.
20 De i*^« persoon Dualis en Pluralis van het Praesens :
oind. bhdravas : av. *baravahi (2), got. bairös en oind.
bhé-ramasi, av. baramahi, dor. <pépo(jL€<;. De kleurdifferen-
tieering verklaart zich uit i^ in 449. De kwantiteitsdiffe-
rentieering uit de opvolging der drie laatste korte letter-
grepen in de oorspronkelijke vormen (3).
3° Het Participium Medium : bhdramanas, av. yazam-
na-, gr. <pep(^|X3vo<;, lat. Vertumnus. Ik houd — gelijk trou-
wens voor de hand ligt (4) — dat bharamanas enz. naar
analogie der athematische vormen op -anas, uit *bhdramanas
is ontstaan. Beide differentieeringen zijn weer duidelijk,
de kwalitatieve uit i® van n*" 449 en de kwantitatieve uit
de drie laatste korte lettergrepen.
40 De Accusatief Sing. en de Nominatief Plur. der
consonant-stammen : gr. eop6<; : oind. svdsaram, gr. ^'xjjiova :
oind. é9manam, maar <5(p<ieva : oind. vr§anam. Alles weer
even begrijpelijk : alleen moeten wij bij 4'xjxcüv bedenken,
dat hier blijkens ohd. hamar, aanvankelijk een korte vo-
kaal tusschen de palatale Ar en de m heeft ingestaan. En
zoo hebben wij overal weer drie korte. Waar niet, gelijk
in vr§anam, daar treedt ook geen Dehnung op. Nu wil
het louter toeval, dat dit woord geen Idg, Vollstufe in
de eerste silbe had, vandaar ook geen kleurdiflferentieering.
50 De causatieven : oind. bhardyati : gr. tpopiw, maar
tar§dyati : lat. torret, en rocdyati : lat. lücet (ü uit ou en
(i) Leerzaam is de Avestische vorm : dadaresa.
(2) Bartholomae : Grundriss der Iranischen Philolgie, I, t. a. p.,
blz. 62.
(3) Leerzaam is wederom de Oud-hoogduitsche vorm : beramês.
(4) Zoo heeft reeds de Saüssure gemeend. (Mém. blz. 88.) De
vormen als sasjrmaijés die hem ten slotte van deze analogie terug-
hielden, bewijzen dunkt me niets, daar zij athematisch zijn. (Vergl.
nog opr. poklauslmanas ?)
— i8o —
nog duidelijk causatief bij Plautus). Overal dus kleur-
difFerentieering, en waar de drie eerste lettergrepen kort
zijn, komt ook de kwantiteitsdifFerentieering aan den dag.
En dat dit de definitieve oorzaak is, komt in 't Vedisch
nog zeer duidelijk uit. Want als in een of anderen vorm
door flectie of positie er geen drie korte lettergrepen meer
zijn, dan blijft ook aanstonds de rekking achterwege :
nadiyanta, naddyan prthivyi, naddyann eti, gamaya,
gamayamasi, (RV. : i,i66,5; 7,7,2; 9,97, i3; 10,152,4;
10,145.4; alle duidelijk causatief) (i). Maar de iteratieven
dan? zij hebben in Veda noch Avesta Dehnstufe. Hadden
die dan ook geen drie korte silben achtereen ? Neen, want
ik meen met Bartholomae, dat de iteratieve klas van
patèyati enz. uit de klasse van grbhayati is voortgekomen.
Hier was dus oudtijds reeds de tweede silbe lang door
potentialiteits-vrddheering.
6^ De oorspronkelijke deelen van samenstellingen en
constructies : oind. jitiu- : gr. y^^^ï oind. ddru- : gr. 8dpu;
oind. bhdras : gr. cpopo;; oind. bhigas : oksl. u-bogü; oind.
tSrds : gr. Topd< enz. dat dit inderdaad oorspronkelijk dee-
len en wel tweede leden van samenstellingen zijn (2), wordt
hieronder (n*" 481) uitvoerig bedacht. Dat nu in dergelijke
samenstellingen bijna altijd nog een derde ^korte silbe voor-
afging weet eenieder.
(i) Deze plaatsen door Buck (AJPh. 17, blz. 454-55) bijgebracht
om de algemeenheid der lange a bij de causatieven te bestrijden,
en zoo van de argumenten voor Brugmann's wet een der voor-
naamste te verduisteren, blijken nu dus juist tot een omgekeerd
resultaat te moeten leiden.
(2) Men meene niet, dat ik hiermee terugtrek, wat ik in het eerste
deel nr ii3 heb opgezet. Ik houd beide verklaringen voor waar, •
maar beide ook slechts op haar eigen gebied. Al te dikwijls meent
men in de Indogermanistiek, dat twee verschillende verklaringen van
ééne type elkander noodzakelijk moeten uitsluiten Alsof een zelfde
gevolg bijwijlen niet uit zeer uiteenloopende oorzaken kon voort-
komen 1
— i8i -
7® Ten slotte eenige Grieksche Aoristen met o in de
stamsilbe, overeenkomend met Arische a. De Saussure(i)
wees al op So4(J(j«to naast Ssato, Codiorov (Hes.) naast ^d^\i}uy
en sedert dien heeft men hier nog xopiaaaxo naast lit.
szérti en eaTopeaa naast lat. sternere aan toegevoegd (2).
Het Oud-Indisch beantwoordt met akani§am, k4ri§at, ava-
di§uli, acari§am, atarït en dasït. Dat hier wederom kwan-
titeits-rhythme in het spel was (3) blijkt uit de tegenstelling
der gesloten lettergrepen (4) : atak§i§ub, bÓdhi§at, a9aipsït,
enz. en van het Medium, waar de bijna uitsluitend voor-
komende 3<*« pers. Sing. altijd eene lange door positie
vormt, zoo akrapi§ta, jini§ta, pani§ta, pavi§ta, yami§ta,
vasi§ta, enz. De kwaliteitsdiflferentieering wordt duidelijk,
als men aan het augment denkt, dat altijd betoond was
en e-kleur had.
Wat blijkt dus? De Europeesche o beantwoordt aan
Arische 5, waar beide produkten zijn van de difFeren-
tieerende subordinatie. Dat ook in de Europeesche talen
sporen zijn na te wijzen van die kwantitatieve diflferen-
tieering, die soms dus ook bij kwalitatief gedifferentieerde
vokalen optreedt (als b. v in y^y^'^^)» daartoe levert de
literatuur over de wet van Brugmann bewijzen te over.
En zoo spreken ten slotte zoowel de wet als de uitzon-
deringen eenstemmig voor onze verklaring.
Maar ook hier is het weer nuttig niet slechts op oor-
zaken, maar ook op aanleiding en gelegenheden te letten;
vooral daar dit ons helpen kan, om de relatieve chro-
nologie der beide differentieeringen met zekerheid nader
te bepalen.
(1) De Saussure : Mémoire, t. a. p., blz. 73.
(2} HiRT : Ablaut, t, a. p., blz. iSS-Sg.
(3) Reeds opgemerkt door de Saussure, t. a. p.
(4) A. Meillet : Vocaiisme de VAoriste védique en -i§-, MSL.
XI, blz. 319 vlgd.
l82
De kwaliteitsdifFerentieering is Vóór-Indogermaansch;
de kwantiteitsdifferentieering is Arisch. Want de gevallen
2°, 3*^, 40 en 70, getuigen ^^eker (i), de gevallen 1^ (2),
en 6® {4) allerwaarschijnlijkst, en het alleen overblij-
vende 50 misschien (3), dat de svarita-betoning aanleiding {/[)
was ; maar de svarita met meer energie dan de udattasilbe
. is zeker niet Indogermaansch, dus in casu Arisch.
456. Het was aanvankelijk mijn plan hier ook den
verschopten ^/o Ablaut, en den zelfs heel-en-al onbeken-
den «>/u Ablaut in het kort te behandelen. Ook de a*i / ^x en
de %x afwisselingen hadden een plaats in mijne gedachte.
Maar ik voel te wel, dat ik, als ik bondig alleen de
feiten gaf (wat reduplicaties en woordtypes), toch nie-
mand zou overtuigen; en voor een uitvoerige Idg. Ablauts-
theorie is hier geen plaats. Verderop bij de behandeling
der bizondere eigenaardigheden van het kleur-accent zal ik
(i) C. C. Uhlenbeck : Zur lautgeschichtc PBB. 22, 1897, blz. 543
^ vlgd. Vergelijk ook al vroeger Victor Henry : Bulletin de la Société
de Linguistique, VII, 58, 14 Dec. 1889.
(2) Wordt in nr 000 bedacht.
(3) Ik kan mij toch niet onttrekken aan de dwanggedachte, dat
de Idg. causatieven ooit reduplicatie hebben gehad met het accent
op de reduplicatie-lettergreep, en dat de eene of andere nog in 't
Arisch veel voorkomende vorm zóó aanleiding tot onze type is ge-
worden en daarmede is dan tevens de causatieve beteekenis der
geredupliceerde Aoristen verklaard.
(4) Geen oorzaak, want onder allerlei nummers zijn uitzonderin-
gen met de vleet op dezen accentregel : zoo spreken in 2° alle verba
I der 6**e klas tegen, onder 3° was een kleine analogische invloed al
j voldoende om een anderen klinker te rekken, onder 40 zijn er bijna
I evenveel voorbeelden die tegen- als vóórspreken, en die dus ook weer
I aan een zweempje van analogie genoeg hadden (zie C. C. Uhlenbeck
I t. a. p. en Meillet, MSL. XI. blz 11 vlgd.); onder 6° blijft de
I 3de type van oxytona onwrikbaar protcsteeren. Dit alles evenwel kan
niet opwegen, tegen de svarita- tendenz , die uit de geheele groep
duidelijk sprekend naar voren treedt.
— i83 ~
in de gelegenheid zijn althans mijne algemeene gedachten
over al deze feiten kort uiteen te zetten, en tevens te
bewijzen dat wederom de kleur differentiatie niet alleen
werkt in het woord, maar ook en vooral in de con-
structie. Dit te hebben verwaarloosd is de groote fout
waarvoor de Indogermanisten met poovere resultaten in
dezen hebben moeten boeten.
457. B. Maar ook de inertie werkt zeer duidelijk op
de klankkleur.
En zoo verklaart zich als vanzelf het wijd- verspreide
verschijnsel der vokaalharmonie.
De eenvoudigste voorbeelden, die evenwel niet zoo al-
gemeen schijnen te zijn, bieden de Maya-talen.
Om van den werkwoordsstam een infinitief te maken,
dient (gelijk b. v. het engl. to) een-1-suffix. dat altijd den
klinker van 't stamwoord aanneemt. Zoo : nac-al : zich op-
heffen, uen-el : slapen, cim-il : sterven, oc-ol : binnentreden,
lub-ul : vallen (i), enz.
458. Maar het eigenlijk gebied dezer verschijning is
de Oeral-altaïsche talengroep.
Hier kunnen wij de vokaalinertie in drieërlei richting
constateeren (2) :
lo De inertie der tongbuiging. Heeft het stamwoord
een klinker respectievelijk achter of vóór op de tong,
dan heeft ook het suffix respectievelijk een klinker met
dezelfde tongbuiging.
2° De inertie der lippen. Heeft het stamwoord een
klinker met lippenronding dan heeft ook het suffix lippen-
ronding; heeft de stamklinker gespleten lippen, dan moet
de suffixvocaal hetzelfde hebben.
(i) W. Seler : Das Conjugationssystem der Maya-Sprachen, Ber-
lin, 1887, blz. 39 vlgd.
(2) Jos. Grunzel : Entwurf einer vergleichenden Grammatik der
altaischen Sprachen, Leipzig, iSgS, blz. 12 vlgd.
— 184 —
3o De inertie der mondopening. Is de stamklinker open,
dan moet ook het suffix een open klinker hebben, en
omgekeerd.
Ik geef hierbij geene voorbeelden omdat er een heel
systeem nieuwe transcripties noodig is, om al deze ver-
schillen duidelijk voor te stellen (i).
Ik volsta dus met er op te wijzen, hoe dit eigenaardig-
gecombineerd phaenomeen, door afzonderlijke inertie in
de verschillende articulatie-bewegingen geheel en al wordt
verklaard.
469. De Idg, driemorige langen leveren ons weer een
heel ander voorbeeld van klankkleur-inertie. En de Aus-
gleichung des Silbengewichtes in de nieuw-Slavische en
nieuw-Germaansche talen staat hiermee op dezelfde lijn,
In West-Germaansche dialecten (óók Nederlandsche b. v.
in de Meierij van 's Bosch) werd van tweelettergrepige
woorden, met den klemtoon en den hoogtoon op de eerste
silbe, de tweede silbe afgeworpen Het intensiteits- en
toonhoogte-accent bleef evenwel behouden. En \oo kreeg
de eerste silbe een tweetoppig accent zoowel van inten-
siteit als toonhoogte Dit is de gangbare verklaring.
Maar afwerping en uitstooting, maar aphaeresis, apocope
en syncope zijn, wij zagen het al dikwijls, geen namen
van bekende werkende oorzaken, maar verwarrende pseu-
doniemen ervan, uitgevonden door menschen die hebben
moeten benoemen zonder te begrijpen.
Wij echter kunnen het heel eenvoudig zoo zeggen :
Door de vereeniging van intensiteits- en muziek-energie
op de eerste silbe was er een gunstige gelegenheid om
op die lettergreep ook de energie van de klankkleur te
concentreeren. Dank zij die nieuwkrachtige energie kreeg
(i) Zie uitvoerig Jos. Grunzel : Die Vokalharmonie der altaischen
Sprachen, Wien. Ak. 1888; Idem : Zur Phonctik der altaischen
Sprachen, Techmers Zeitschrift, 5. blz. 48 vlgd.
— i85 -
de klankkleur inertie; intensiteit en muziek handhaafden
niettemin hunne diflferentieering, en zoo ontstond het twee-
toppig accent en de overlange vocaal (i).
Welnu, bijna hetzelfde is nu gebeurd in Vóór-Indoger-
maanschen tijd; alleen was hier geen intensiteits-accent ,
en moest dus het muzikaal accent alleen de aanleiding
bieden tot de frissche energie der klankkleur, en tot de
inertie die eruit volgde (2).
En nu begrijpen wij ook waarom Michels en Streit-
BERG toch weer wél gelijk hadden met hunne vordering
om muzikaal accent op de silbe, die door Dehnung drie-
morig werd ; maar eveneens waarom deze Dehnung toch
niet in alle niet-laatste betoonde lettergrepen optreedt, daar
de toonhoogte niets dan een aanleiding was tot het op-
treden der kleur-inertie : de eigenlijke oorzaak.
460. Een geheel ander geval van kleur-inertie leveren
ons weer de gepalataliseerde en gemouilleerde vocalen. Het
feit is algemeen bekend : In het Romaansch is her en der
de 1 door een voorafgaande i gemouilleerd ; in het Nhd.
is de oorspronkelijke gutturale spirant al druk op weg een
palatale sisklank te worden, vergl. ach en ich. En hier
zijn in allerlei andere talen nog veel meer voorbeelden
van. Deze toepassing is echter zoo eenvoudig, dat wij er
niet langer bij hoeven stil te staan.
461. Maar de inertie werkt niet alleen in woorden
gelijk in de Maya-talen, in de allereenvoudigste construc-
ties gelijk in de Oeral-Altaische talen, maar ook in meer
samengestelde constructies, gelijk in de Ban toe-talen.
(i) O. Brenner ; Ein Fall von Ausgleichung des Silbengewichtes
in bairischen Mundarten. IF. 3, 1894, blz. 297 vlgd.; Idem : Zur
Ausgleichung des Silbengewichtes, IF. 5, 1895, blz. 345 vlgd.
(2) Deze verklaring geldt natuurlijk speciaal de perispomeneering
bij silbcnverlies. In de twee andere gevallen van contractie en reductie-
der-langdiphthongen, was het verzwakkende tweede sonantisch element
natuurlijk de aanleiding dat het eerste meer energie kreeg. Vgl. nr 3io.
l
f -
— i86 —
Want zonder partij te kiezen tusschen hen, die de ge-
slachtspraefixen in deze talengroep voor eene soort prono
mina, en hen, die ze voor bloote eerste lettergreep der
nomina uitgeven (i), houd ik dit voor zeker : dat de her-
haling dier woordstukjes door inertie is ontstaan.
Zoo is b. V. het éénige vormteeken van een attribu-
tieven Genetief : de min of meer kompleete herhaling der
eerste lettergreep van zijn regens ; maar dit wisselt natuur-
lijk aanhoudend. En zoo vinden wij nu : a^antu ^en-
kosi : de mannen van den koning, isizwe yenkosi : het
volk van den koning, wArwtanda /fj^enkosi : de liefde van
den koning (2).
• De adjectiva insgelijks : mti mzuri : arbor pulchra, miti
mizuTi : arbores pulchrae.
Ook de praedicativa : m^nèno haya (3) ni mazuri : woor-
den deze-deze zijn mooi.
Ook de verba, waarbij het nomen onderwerp is : kiti
hiki(3) /rftafaa : bankje dit-dit komt te pas.
Ook de verba waarbij het nomen voorwerp is. Zoo
kan achter de juist aangehaalde constructie nog staan : nita-
A"/twaa : ik het nemen zal ; Ar/tu ktle Ar/tafaa na A/taka :
ding dat-daar komt te pas ik het wil.
In het Avaarsch en andere Kaukasische talen treffen
wij een dergelijk verschijnsel aan. De broeder is goed
heet daar : wats lijaü wugo, wat de la Grasserie (Du
verbe être, t. a. p , blz. 57) typisch vertaalt met w-frère
hon-w w-est,
462. Maar is de Indogermaansche congruentie, de
zoogenaamde motie der attributen wel iets anders?
(i) Zie het laatst hierover : Ch, Sacleux : fnti-oduction a F étude
des langues bantoucs. La Parole, 1903, blz. 366 vlgd. aan wien ook
de meeste der volgende voorbeelden zijn ontleend. Vcrgl. verder Bleek
en TORRBND.
(2) Men bemerkt dat ik hier de inertie der klinkers en der mede-
klinkers samenneem, om het innig verwante niet uiteen te rukken.
(3) ha-ya voor ya-ya voor ouder ma-ma, hi-ki voor ki-ki.
- i87 -
Een klein beetje lectuur in talen als b. v. het Baskisch
overtuigt ons weldra zóó innig van het onlogische, on-
praktische, ja onmotiveerbare van de herhaling der ge-
slachts-, naamval- en getalken merken bij elk attribuut, dat
hiervoor een onbewuste psychologische uitleg moet ge-
vonden worden. Welnu, dien hebben we kant en klaar
in de Bantoe-talen voor ons.
Rom^ antiqua, in villa nov5, anno primo, virorum
clarissimorww. Les ^Wes que j'ai Siimées, allemaal loutere
inertie [i].
Natuurlijk heeft hier de psychologische voorbarigheid
met de psychische inertie samengewerkt, want in vele Idg.
talen ging het attribuut vooraf.
463. C De psychologische voorbarigheid werkt op
de klankkleur al even typisch (2) : de enkele woorden
Umlaut en Brechung brengen eiken Germanist aanstonds
zoovele voorbeelden voor den geest, dat ik het nutteloos
vind hier langer bij stil te staan.
Alleen wijs ik erop, dat de Brechung of de anticipatie
der mondopening gewerkt heeft in den tijd der eerste
klankverschuivingen, toen ongetwijfeld in het Germaansch
het klinkeraccent, gelijk wij later nog zullen zien zeer
levendig was.
Daarop is gevolgd de periode van den i- en u- Umlaut
de twee meest gesloten en dus min of meer consonanti-
sche klinkers, in een tijd dat gelijk wij gezien hebben,
(i) Zie hierover uitvoerig : O. Jbspersen : Progress of langttage,
t. a, p., Chapter IV.
(2) Ik zonder echter met name vele van de klankovergangen uit,
die JoA. ScHMiDT heeft trachten te bewijzen in zijn opstel over :
Assimilationen benachbarter einander nicht berührender vocale im
griechischen KZ. 32, blz. 321-394. Niet, dat deze overgangen psy-
chologisch niet begrijpelijk, en ook feitelijk in 't een of ander alleen-
«
staand voorbeeldje niet reëel zouden zijn. Maar in de meeste ge-
vallen zie ik Idg. Ablaut, en ik vrees, dat het heele artikel een
ramp is geweest voor de Idg. Ablautstheorie.
— i88 -
het intensiteitsaccent of de psychische energie in het Ger-
maansch vooral op de consonanten of de gesloten taai-
klanken viel.
Bij het opkomen van het stemspleet-accent der vocalen,
hield de i- Umlaut van lieverlede op nieuwe veroveringen
te maken; maar ten huidigen dage zien wij in allerlei
talen nog overblijfselen van zijne vroegere heerschappij.
Ten slotte zien wij ook hier weer, dat deze klankver-
andering niet alleen in het woord werkt, maar ook m
de constructie. Zoo ohd. drenk ik uit drank ih, wez ih
uit waz ih, meg ih uit mag ih. Verder waarschijnlijk
ook nog onder invloed der pronominale i : kunnen wir
uit kunnen wir, en evenzoo müezen wir, dürfen wir,
mügen wir, sullen wir, en türren wir (i).
464. In de anticipatie komt verder vooral de klank-
kleur der consonanten duidelijk uit.
Wat is toch de palatalisatie der gutturalen, wat is de
sibilant-wording der dentalen in den aanvang anders dan
een anticipatie der lichte vocalen, dan een kleuring dier
gutturalen en dentalen met de kleur van den volgenden
klinker? In het Romaansch en Slavisch vinden wij dezen
overgang wijd en zijd. Voor de ïdg. labiovelaren en velaren
is dit in de satem-talen overvloedig bewezen.
Dat ook de Idg. palatalen in de satemgroep althans ge-
deeltelijk door volgende lichte vocalen zijn gepalataliseerd
is een waarschijnlijkheid, die het merkwaardige artikel van
H. HiRT (BB. 24, blz, 218 vlgd.) mij opdringt.
Dat evenwel de algeheele opklaring van dit laatste ver-
schijnsel niet te hopen is, eer wij er de ontwikkelings-
geschiedenis der zoogenaamde Idg. s mee verbinden en
vergelijken, dat hoop ik te gelegener tijd in eene afzonder-
lijke studie met stoere bewijzen te staven (2).
(i) Zie : Brenner, PBB. 20, blz. 84.
(ii) Ik meen namelijk te hebben op^^cmerkt, dat de ld*r. s niet
oorspronkelijk is, m. a. w. altijd op een gutturaal of dentaal of op
— iSg —
Maar de Idg. palatalen staan met de labiovelaren dia-
gonaalsgewijze om de zuivere velaren. Zou ook hunne
lippenronding niet uit een volgenden klinker met lippen-
ronding zijn geanticipeerd? Zoo doceert althans Prof. C. C.
Uhlenbeck sedert eenige jaren in zijne colleges. En ik
zou dezelfde vraag voor de labiodentalen willen stellen,
en beide vragen, weer als boven bij de palatalen met
een : althans gedeeltelijk ( i ) willen beantwoorden (2).
Als bewijzen zou ik willen aanhalen : ags. hu : ital. pufe :
av. ku- : oind. ku : gr. aet : oitui : Vóór-idg. *ku : Idg. *k^ «[o
(Pron. interrog.) ; got. pu : oier. tü : lat. tu : av, tü : oind. tü :
gr. dor. TU, TUTE : Vóór-idg. *tu : idg. *t; «/o (Pron. de-
monstr.); gr. xuxXo; : ags. hweol; gr. yuvii : got. qinö, enz.
Tot nog toe beschouwden wij alleen het geval dat con-
sonanten hunne kleur door anticipatie aan vokalen ont-
leenden.
465. Maar ook het omgekeerde komt voor.
een combinatie van beide teruggaat. Iedereen begrijpt aanstonds
dat hier de Balto-Slavische en Armenische (denk aan den uitgang
kh) naast de Arische repraesentanten der 5 een grooten rol zullen
spelen, dat verder de zoogenaamde Idg. p-rij niet te versmaden
bewijzen zal bijbrengen. Ik geef hier slechts raadsels op; het ant-
woord komt mettertijd. Maar men begrijpt mijn genoegen, toen ik,
na reeds een aardige verzameling met Idg. feiten hieromtrent
te hebben verzameld, bij Alfredo Trombetti : L'unita d origine del
iingnaggio, Bologna igoS. blz. 90 las : Intanto — riserbandomi per
un altro lavoro di dare la dimostrazione compiuta — esprimo la
mia convinzione ormai saldissima che s non è un suono primitivo.
Ognuno comprende la straordinaria importanza di questo fatto fisio-
logicamente spiegabilissimo. Di ogni s dovrè, in seguito ricercarsi
l'origine. En mijn bevrediging was te grooter, toen ik bemerkte
dat Trombetti op geheel-en-al verschillende gegevens als ik (zoo-
ver tot nu toe blijkt ten minste) tot deze conclusie gekomen is.
(1 ) Een anderen mogelijken oorsprong van sommige palatalen en la-
biovelaren zie men hieronder bij de differentiatie van het articulatie accent.
(2) Vgl. H. Grimme : Theorie der ursemitischen labialisierten Gut-
turale ZDMG. 1901.
— igo —
Baudouin de Courtenay heeft er IF. 4, blz. 53 vlgd. op
gewezen, dat volgende niet-palatale medeklinkers een voor-
afgaande palatale e tot o deden worden of ontpalataliseerden.
In de condities van dezen overgang, die zich in het
Groot-Russisch tot tweemaal toe herhaald heeft, vinden
wij een treffende bevestiging onzer stelling, dat om de
anticipatie mogelijk te maken, de geanticipeerde klank
relatief meer psychische energie hebben moet, dan de
voorafgaande. In het gemeen-Groot-Russisch toch werd al-
leen een korte e (uit e of 1 ontstaan) ontpalataliseerd, in
het nieuwere Noord-Groot-Russisch alleen de ongeaccentu-
eerde e (uit ë ontstaan). In beide perioden hadden
respectievelijk de lange ö en de geaccentueerde e relatief
meer psychische energie dan de ontpalataliseerende mede-
klinker, en daarom bleven zij onaangetast. Dat gelijk
Baudouin de Courtenay geloofde deze ontpalatalisatie de
reden is van den Idg. «/o Ablaut, neem ik natuurlijk niet
aan. Wél is het mogelijk en zelfs zeer waarschijnlijk dat
bij de differentiatie voorafgaande en volgende medeklinkers
invloed uitgeoefend hebben, zoo o. a. op het ontstaan
sommiger a-tjes en u-tjes, maar de afwisseling ^/o heeft,
gelijk wij gezien hebben, een veel algemeener reden.
466. G. De associatie of contaminatie der klankkleur.
Men heeft al dikwijls kunnen merken, dat ik geen voor-
stander ben van spontane klankveranderingen. Verderop
zal ik zelfs uitdrukkelijk de stelling verdedigen, dat spon-
tane klankveranderingen in de geijkte beteekenis verstaan,
tot de onmogelijkheden behooren, en daarom ten spoedigste
uit de werkformules der vergelijkende taalwetenschap die-
nen te worden geroyeerd.
Als men echter in een analogen :{in voor één overgang
dezen term zou willen bewaren, dan zou ik hem voor ver-
kieslijk achten als benaming voor het nu te bespreken feit.
Wanneer toch onder invloed der drie besproken wetten van
differentieering, inertie en anticipatie, nu de een of andere
— IQI —
klinker is veranderd, dan begint zoo'n veranderde klinker
dikwijls bedenkelijk veel overeenkomst te vertoonen met
een anderen in de taal reeds bestaanden klinker. Deze
gelijkenis verwekt dan natuurlijk assimilatie aan den reeds
bestaanden. Zoo is b. v. in het Germaan sch de door op-
volgende X Umgelautete e in de eerste werkwoordsklas :
got. greipan enz. met de lange Idg. f, b. v. in got. wein :
lat. vïnum, got. veleima : lat. velïmus samengevallen. En
zoo in alle talen in ontelbare gevallen.
467. Bijna alle klankveranderingen (i) maken dus twee
perioden door : i® die van « bedingten Lautwandel », onder
invloed der omgeving ; 2° die van a spontanen Lautwan-
del », door spontane assimilatie aan de bestaande norma's.
Eigenlijk gezegd is evenwel deze laatste verandering
weer even « bedingt » als de eerste, daar zij geheel en
al van de bestaande normale klanken in de taal afhanke-
lijk is, en de nieuwe klank door de bestaande typen in
Herbartschen zin geappercipieerd wordt; maar in zóóver
mogen wij hier van spontane verandering spreken, dat
de klank, die zijn eerste phase van beweging onder in-
vloed der omgevende klanken heeft afgelegd, nu een tweede
bewegings-phase ingaat heel-en-al onafhankelijk van de
toevallige klanken van deze omgeving hier en nu,
468. Behalve dit homogeen geval zijn er natuurlijk
nog ontelbare andere van allerlei soort en gading.
Één ervan wil ik hier even bespreken, omdat het ons de
verklaring geeft, van een tot nog toe onbegrepen vormen- "
klas, ik bedoel de pronominale declinatie der Germaan-
sche adjectiva.
In den tijd toen zich adjectief en substantief nog niet
geheel en al gescheiden hadden, was zeker de bij eenstel-
ling van het pron-demonstrativ. met een nomen reeds een
(i) Want alles wat hier gezegd is, geldt natuurlijk van de mede-
klinkers eveneens, wij komen daar dus niet meer op terug.
— jga —
vaste attributieve verbinding : oergerm. b, v. *pazmë /aneni,
aan den haan. Toen nu twee nomina in appositie naasteen
langzamerhand ook als attributieve verbinding begonnen
gevoeld te worden (m. a. w, toen de adjectivische functie
zich van de substantivische scheidde) kwam het adjectief
in de zelfde functie als het pronomen, dat dus oogenblik-
kelijk in den spreker opwelde en zich niet heelemaal liet
verdringen, maar met het adjectief tot ééne contaminatie
versmolt. Uit *pazmc ysmeni en * blinde yaneni ontstond
♦blindazmê yaneni aan den blinden haan.
Zoo : uit *blindon en *panö : *blindan5;
uit *blindon en *patö : *blindat5;
uit *blindös en *pai : *blindöi;
uit * blinden en *paiz5n(i) : *blindaizên;
uit *blindamiz en *paimiz : *blindaimiz;
uit *blindos en *paizös (2) : *blindaiz5s;
uit *blindön en *paizon(3): *blindaizön.
Met den oudgerm. Nominatief mannl. en vrouwl. van
tu^ee is het zelfder wijze gegaan.
469. E. Ook de differentieering der klankkleur met
inertie en anticipatie verbonden levert kunst, en wel de
meest karakteristieke de meest populaire kunst die in de
taal mogelijk is. Wij vinden die dan ook in allerlei kinder-
en volksrijmen zonder zin, maar met heerlijke klanken :
aboli bibelot d'inanité sonore.
Dat alle klinkerrijm en assonantie (maar vooral de af-
' wisselende) hier eveneens uitstekende voorbeelden zijn, is
een conclusie, die ieder bij zich zelf al wel zal hebben
getrokken.
470. En nu ten slotte over h^t typisch-eigenaardige
der klankkleur in de taal
In vele zaken heeft men mijns inziens tot nog toe veel
(i) Volkomen gelijk aan on. peira : oind. tësam.
(2) Volkomen gelijk aan on. J)eirar, ags. dure,
(3) Volkomen gelijk aan on. |)eira.
~ 193 —
te weinig rekening gehouden met de gegevens die het
schrift ons bijwijlen aanbiedt.
En hieronder reken ik vóór alles het feit, dat de oudste
talen over 't algemeen uitsluitend of althans hoofdzakelijk
de medeklinkers schrijven, en het A/mAr^rverschil niet of
slechts, als b. v. het accent, met secundaire, diacritische
teekentjes aangeven
Nü weet ik wel, dat men dit verschijnsel aan kant
pleegt te schuiven met de bemerking/ dat het domineeren
der medeklinkers eene oer-semitische eigenaardigheid is,
en alleen daarpm b. v. ook in de Oud-Indische schrift-
systemen voorkomt, omdat deze alle op een Semitisch
alphabet berusten. Maar ik weet ook, dat men gewoonlijk
bij de aanpassingen van een vreemd alphabet aan een
andere taal en met name bij de Oud-Indische aanpassing
van het Semitische alphabet overigens volstrekt niet slaafsch
is te werk gegaan.
En zoo meen ik verder, dat zoowel het Oud-Perzisch met
zijn onvermogen om consonantengroepen weer te geven, dat
(blijkens de tallooze zoogenaamde voorbeelden van anaptyxe
óók in het Avestisch) niet uitsluitend Semitisch kan zijn ;
evenals het Armenische schrift, met zijn consonantengroe-
pen voor gesproken syllaben met een stomme 9 tot klin-
ker (i), ons een merkwaardig vergezicht geven op het oudst-
benaderbare vokaalsysteem der Indogermaansche talen.
471. « Une racine arabe », zegt Meillet (2) o n'est
caractérisée que par les consonnes; quant aux voyelles,
chaque consonne de chaque racine peut être suivie de
S, a, ï, ï, ü, ü OU zéro, soit en tout sept formes, et
(i) Zie A. Mbillet : Esquisse cTune grammaire comparée de Var-
ménien classique^ Vienne 193, blz. 3o. Zoo schrijft men gnal maar
spreekt ganaU srti maar spreekt sartif Ikhi maar spreekt hkhi,
serndean maar spreekt ser9ndean, enz.
(2) A. Meillet : Introduction a V étude comparative des longues
indo-européennes , t. a. p., blz. 123-124.
13
— 194 —
chacune de ces sept formes sert è caractériser non la
racine, mais la fonction grammaticale.
« Lindo-européen emploie ses voyelles exactement de la
même maniere. Une racine ou un suffixe n'est jamais
caractérisé par les voyelles, mais seulement par les con-
sonnes et les sonantes, et c'est uniquement Ie type de
formation qui est indiqué par Ie vocalisme.
o D'une maniere générale, les voyelles ne servent qu'a la
flexion et la signification de la racine est attachée seule-
ment aux consonnes » (i).
472. Welnu, daar de beteekenis van den wortel na-
tuurlijk altijd ouder is dan zijn flexie of grammaticale
functie, volgt daaruit met onverbiddelijke noodwendigheid,
dat zoowel het Semitisch als het Indogermaansch een
oer-periode hebben beleefd, waarin het kleur-accent nog
niet bestond, waarin alle lettergrepen dezelfde klankkleur
hadden, waarin onze klinkers zich nog niet hadden ge-
differentieerd.
473. Tot eene dergelijke conclusie was reeds Ferdinand
DE Saussure, ten jare 1879, i" zijne beroemde Mémoire
genaderd. Deze conclusie ligt tot grondslag aan het nieuw-
ste Idg. Ablaut-systeem van Herman Hirt, anno 1900(2).
Beiden — en trouwens bijna alle andere Indogermanisten —
meenen echter, dat deze klank zonder kleur-accent toch
reeds eene bepaalde kleur had, m. a. w. de open e was.
Deze meening heeft haar grond hierin, dat zij alle kleur-
verandering beschouwen als het gevolg van algeheele of
(i) Op blz. 129 maakt hij natuurlijk de noodzakelijke restrictie
voor de é-, a- enö-rij. Daarbij deze evenwel met de Saussure voor
combinaties houdt van de oervókaal met een sonantischen coëfficiënt,
kan hij hier zoo radikaal spreken. Voorloopig maak ik ook voort-
durend dezelfde restrictie, die trouwens weinig ter zake doet, daar
al de andere Ablauts-rijen samen slechts een nietige minderheid
vormen naast de overgroote meerderheid der zoogenaamde «/o gevallen.
(2) Wederom met de restrictie voor de andere Ablautsrijen.
— igS —
gedeeltelijke toonloosheid. Welnu, er zijn nog al veel talen
waarin de open e als drager van het Idg. muzikaal accent
is bewaard gebleven ; in de andere talen heeft men althans
in de palatalisatie duidelijke sporen van een vroegere e
gevonden, de conclusie lag dus voor de hand.
474. En toch, het is mijn innigste overtuiging dat
deze conclusie niet overeenstemt met de werkelijkheid.
Reeds theoretisch kon men het verwachten : in een tijd
zonder kleuraccent hadden de syllaben volstrekt geen kleur :
de eenige pseudo-klinker was de volstrekt kleurlooze §va :
de 9, Maar ook praktisch.
Ten eerste hebben wij, meen ik, bewezen, dat behalve
toonloosheid er nog heel wat andere factoren zijn, die op
de klankkleur kunnen werken. En hiermee valt de heele
redeneering, ook al zou het overige onweerlegbaar zijn.
Maar ten tweede volgt uit de palatalisatie der velaren
en labiovelaren vóór een Arische j, waaraan een Euro-
peesche e beantwoordt, uitsluitend en alleen, dat de vocaal
die aan deze latere Arische a en Europeesche e in den
tijd der palatalisatie beants^^oordde, een klinker met hel-
dere kleur moet geweest zijn, maar daarom nog niet
noodzakelijk de open e. Dit is weer een van de gevallen
waar men zich niet de moeite getroost heeft, de drie
vragen te stellen, in dergelijke gevallen altijd noodzakelijk ;
Is a oorspronkelijk? Is e oorspronkelijk? Of gaan beide
op een derde terug?
Toen het antwoord op de eerste vraag, door de ont-
dekking der palataalwet, beslist bleek negatief te moeten
zijn, antwoordde men aanstonds positief op de tweede.
Aan de derde mogelijkheid werd niet gedacht.
En toch juist die derde mogelijkheid heet ik de eenig-
ware : De Europeesche e en de Arische a, met al hunne
verdere varianten, gaan terug op de pseudovocaal Sva of a(i).
(i) Raoul de la Grasserie : Essai de phonétique dynamique ou
— 196 —
475. Ten eerste dan verklaren zich de juist-besproken
feiten uitstekend. En dat kunnen wij zelfs experimenteel
bij ons zelve nagaan : spreek eerst op de middelbare hoogte
van uwe stem een d uit. Haal nu goed adem, en ga
dan de 9 aanzettend, met de middelbare toonhoogte be-
ginnend, allanger hoe hooger, hooger tot den hoogsten
toon uwer kopstem toe, niet van noot op noot 'springend,
maar voortdurend stijgend.
Het is natuurlijk beter de proef té doen, eer men mijne
conclusie leest.
Welnu, na deze eerste proef een tweede : zet weer op
middelbare hoogte de 9 aan, en ga nu omlaag, voort-
durend dalend omlaag, zoo diep, zoo diep als u halen kunt.
Dit laatste : \oo diep mogelijk zeg ik er niet voor niets
bij ; evenmin als in de eerste proef : \oo hoog mogelijk.
Want zóó, kalm aan de studeertafel zittend, is men ge-
woonlijk niet geneigd nu zoo maar op aansporing van
een vrijpostig auteur in eens erg hoog op te gieren, of
erg laag uit te zoemen, men stelt zich tevreden met de
gevraagde beweging aan te leggen, en men blijft binnen
de perken, die een beschaafd man zich ook in de een-
zaamheid van zijn studeervertrek pleegt te stellen; maar
ik kan het nu eenmaal niet helpen, de menschen uit den
oertijd, die ons nu bezighouden, waren zoo beschaafd
nog niet als wij. En juist bij de beide uiterste, komt
het sprekende der proeven het beste uit. Wij hebben dus
de beide proeven gedaan? En wat bleek? Dat de 9 bij
het stijgen tot è, tot e(2), ja, in de hoogste tonen tot /werd.
historique comparee, Paris 1891, blz. 92 vlgd. is de eenige, zoover
ik weet, die (evenwel zonder afdoende bewijzen, en daarom onop-
gemerkt gebleven) tot nog toe deze stelling heeft voorgestaan.
(2) Hiervoor hebben wij een interessante bevestiging uit het
Fransch. In n' 36o hebben wij gezien, hoe en waarom in een vraag
de muzikale toon omhoog ging. Welnu, de Fransche vraagzinnen
als tremble-je enz., werden oudtijds krachtens dit muzikaal accent
— 197 -
Dat de d bij het dalen tot a, tot 6, ja bij het altijd
dieper dalen, en door een instinctmatig ronden der Irp-
pen tot een volslagen u werd.
Het feit, dat zoo'n 9 met het muzikaal accent, (dus op
een hoogeren toon) gesproken, buiten het Arisch tot è
werd, verklaart dus zich zelf.
Wat de. a in oer-Arischen tijd geworden was, kunnen
we onmogelijk mét juistheid achterhalen ; maar dit is zoo
goed als zeker, dat zij op den weg naar i was; nog tus-
schen p of è? of è zelf? of tusschen è en i? of zelfs i?
Wij weten het niet, maar wij behoeven niet te schromen
deze oorspronkelijke Sva tot / op te voeren, daar toch
ook in andere talen waar zich geen o ontwikkeld heeft
de / met de niet-Arische 9 correspondeert (zoo b. v. in
het Gotisch) ; daar wij bovendien toch reeds een Idg.
klank in het Grieksch door e en in het Arisch door i
gerepraesenteerd vinden (hitds : Oexó;, oind. janita : gr.
yevextip); daar ons ten slotte de latere overgang in een
zoogenaamde a volstrekt niet behoeft te verontrusten : in
het Servisch is b. v. Oksl. tinüka tot tanka en lYgüka
tot la(g)ka geworden (i) Ik noem de Oind. a een zoo-"
genaamde a, omdat het vaststaat, dat deze letter reeds
in Paijini's tijd geen a maar d was, en of zij wel ooit
een a geweest is, mag met reden worden betwijfeld (2). In
dit geval zou het Oud- Indisch ons dus na allerlei peri-
petieën toch den alleroorspronkelijksten klinker nog het
trouwst hebben bewaard.
476. Ten tweede — en dit bewijs acht ik beslissend —
is op geen enkele andere wijze het naast elkander van
betoonde diphthongen en onbetoonde i en u's te verkla-
tot tremble-jé of tremblay-je. In de tegenwoordige taal bestaat alleen
nog de laatste vorm, tremblé-je geschreven, maar tremblè-je gesproken.
(i) Zie meer dergelijke gevallen bij Berthold Delbrück : Die
neueste Sprachforschung, Leipzig i885, blz. 3o vlgd.
(2) J. Wackernagel : Altind, Gramm., I, blz. i vlgd.
~ 198 —
ren : tts^Oü) : Iic^iciOjasv, got. kiusan : kusum, oind. ydjati :
i§t^; oind. svApiti : suptds.
Want dat i en u door muzikale onbetoondheid uit ei,
e^, ie, ye zijn ontstaan, gelijk totnogtoe algemeen wordt
aangenomen, is een onhoudbare stelling. Reeds voor jaren
zijn de moeilijkheden tegen een dergelijken overgang door
MisTELi en CuRTius (i) uitstekend geformuleerd. En alleen
het gebrek aan iets beters voorkwam dat deze bezwaren
algemeenen bijval vonden. Passy en N. Finck meenden
er nu wel iets op gevonden te hebben met hunne Flüster-
stimme voor al deze vreemdheid aansprakelijk te stellen,
maar wij hebben boven gezien, dat dit niets anders is
dan een vermomde opvoering van het stemspleet- of in-
tensiteits-accent dat naar aller oordeel hier buiten spel
moet blijven.
Er rest ons dus niets anders dan hier weer 9^, 9^, ^9,
y9 voor oorspronkelijk te houden, waaruit dan in muzikaal-
geaccentueerde silben ei, ey, ie, ^e, en in muzikaal-on-
geaccentueerde lettergrepen i en u zijn ontstaan.
Dat hiertegen volstrekt geen phonetische bezwaren
bestaan, kan men weer het gemakkelijkst uit eenige proe-
ven aan zich zelf gewaar worden. Men heeft toch slechts
de bovenaangehaalde voorbeelden tot de Vóór-I dg. -oertaal
te reduceeren, en een groot verschil van muzikale hoogte
tusschen geaccentueerde en on geaccentueerde silben te leg-
gen. En aanstonds zullen wij of nog beter zal een getuige
(want het is het beste hierover een oningewijden huisge-
noot te laten beslissen) in plaats van de hooge 9i een ei
en voor de lage 9i een i hooren, enz.
477. Ik mag echter van de diphthongen en sonanten
niet scheiden zonder een protest tegen de meer en meer
(i) MiSTELi : Zeitschrift für Völkerpsychologie, XI, blz. 240 vlgd.;
Georg Curtius : Das Verbum der Griechischen Sprache, II*. Leipzig
i883, blz. 38 vlgd.
199
toenemende gezindheid om alle ®i/i en ^/u Ablaute enz. op
de \elfde wijze te verklaren. Bovendien zal ons deze
digressie te pas komen bij onze algemeene conclusie.
Zoo meen ik toch dat deze zelfde afwisseling bij de
-i- en -u-stammen op diphthongeering berust. Door inertie
van het kleur-accent ontstond hier volgens n»" 469 de ge-
perispomeneerde eenigermate dubbele uitspraak. Hieruit
volgde naar n** 488 vlgd. klankkleurdifferehtiatie : l werd tot
€\ en u tot a^ juist als b. v. in het jongere Germaansch.
Zoo is ten eerste de Genetief Sing. al zeer duidelijk.
Vóór-Idg. na^ktisa* : na'^ktls : Idg. noktels : nokto^s. Even-
eens de Locativus : Vóór-Idg. a'^gnl : Idg. a'gnel. Even-
eens de Vocatief met Pluteering : Vóór-Idg. a^gni* : Idg.
a^gnet : oind. dgnê : lit. naktë. Eveneens de Nomin. Plur.,
hier is de oorspronkl. ongediphthongeerde vorm nog be-
waard in den Ved. Nom. en Akk. Plur. der vrouwl.
i-stammen en ook in het Litauwsch : Ved. nAktl§ : Lit.
naktys. De gediphthongeerde vorm in got. gasteis, ansteis
en de klassiek-Sskr. vormen op -^yas kunnen best analo-
gisch zijn. Eveneens is het met de u-stammen gesteld.
Dus de i- en u- zijn niet altijd Schwund- of Reduk-
tionsstufen, zij zijn ook Normalstufe, en Voor de i- en
u-stammen moet de oude guiia- theorie dus in eere her-
steld worden. Dat er behalve deze twee groote kategorieën
nog wel andere gevallen zijn waar -i- en -u- ouder zijn
dan -eji^ en -e^- lijkt mij zeer waarschijnlijk. Het is echter
hier mijn doel nergens een kompleete optelling der geval-
len te geven, ik bepaal mij tot het onderscheiden der
meest opvallende typen.
478. Welnu aan de tegenovergestelde pool der -i- en
-u- Ablaute staat nu een e andere klas, die ons weer naar
de oorspronkelijke Sva terugvoert : Ik bedoel den tamelijk
frequent vertegenwoordigden drievoudigen sonan ten-Ablaut :
ei : ie : i ; e^ : ye : u ; en : ne : i? enz. Zeker vooral bij
— 200 —
r en l kan hier veel secundair zijn, maar bij de andere
sonanten niet evenzoo.
Welnu, voor ééne zeer speciale maar toch tamelijk om-
vangrijke kategorie : de -n-praesentia, meen ik dat de Idg.
wisseling van i met e^ en ie enz. zeker op een oervorm :
aia, 9^8, ana teruggaat, want alle basen van -n- praesentia
hebben een sonant in den wortel (i) en alle basen van -n-
praesentia gingen» uit op een vokaal (2).
479. Er zouden nog vele argumenten van allerlei aard
voor een 9, die aan alle klinkers te gronde ligt kunnen
worden aangevoerd. Maar wie in de genoemde feiten wel
aanleiding vindt om de Idg, Ablautsgevallen eens uit dit
oogpunt te bezien, zal er van zelf nog vele bewijzen voor
vinden; en wie in het hier-bij gebrachte geen aanleiding
vindt om zijn opvattingen in Ablauts-zaken nog eens op-
nieuw te toetsen, zou ik ook met een uitgebreid materiaal
van kleine indicia, niet tot wankelen kunnen brengen.
Veel liever, geef ik dus voor hen, die bevroeden dat
ik wel eens op den goeden weg zou kunnen zijn, zon-
der mij aan de totnogtoe gevolgde beji/ijs- methode te
houden, min of meer volledig, hoe ik mij het ontstaan
der vóór-Idg, vokalen denk. En dat dit geen louter sub-
jectief denken is, zullen toch, meen ik, de veel-omvattende
kategorieën, die zoo ter verklaring komen, voldoende kun-
nen staven.
480. Geschikte demonstratie- voorbeelden hebben wij
natuurlijk alleen in volledige Vóór-Indogermaansche con-
structies te verwachten. Nu zijn er ons evenwel van zulke
oeroude volledige constructies al heel weinig met zeker-
heid bekend; wij moeten ons bij de composita (3) en de
(i) Otto Keller : Die nasalprdsentia der arischen Sprachen, KZ.
39, 1904. blz. iSj.
(2) HiRT : Ablaut, t. a, p., blz. 45.
(3) H. Jacobi : Compositum und Nebensat^, Bonn, 1897,
— 20I —
attributieve verbindingen (i) bepalen. Vooreerst dan de oude
relatiefzinnen met eerste 'of tweede werkwoordelij k lid.
£ens hadden alle lettergrepen gelijken klank 9 Deze
constructies waren echter eenvoudige mededeelingen, had-
den dus de gewone toonbeweging; m. a. w. zij zetten op
hoogen muzikalen toon in, om daar een oogenblik te
verwijlen, desnoods nog iets hooger te klimmen, en daarna
tamelijk snel tot den grondtoon te dalen.
Dienovereenkomstig ontwikkelde zich nu het vocalisme :
*bhere(ti)voiko, in het eerste lid : e-e, de eventueele
derde silbe : i, dan het tweede lid : o-o, waarvan de
laatste silbe een bedenkelijke u-kleur vertoonde. Alles dus
overeenkomstig onze proeven van no 475.
Is dit waar, dan begrijpen wij :
lo de vokaalwet door Aug. Fick reeds in 1877 gefor-
muleerd (2) : Für die Composition gilt das ausnahmslose
Gesetz, dass im ersten Gliede die (verbale) Stammform e-e,
im Schlussgliede die (nominale) 0-0 erscheint. êXxey/xiuv :
SfoXxo^. eyeireuxti^ : ouvo^^i^, uire^po^o^. Xeyeitodj; : diXoy^o^, vaoXo';^o^.
(AeveydtpiJLT^C, (jLeve7üT(^E[Jioc : irapd^ixovo^. (jTpecpeSivitu : suarpo^o^.
Tpey^eSeiirvo^ : icepfipoyo^. «pep^xapiro^ : xapiro^dpo^ ; ^epexX^^ :
KXeo-«pdpo^, AeiyT^vtop, Aet^^oTrivaJ : alfjLaTo-Xofj^cJ^
20 het ontstaan, en de vokalisatie van den 3^«° persoon
Sing.-vorm *bhereti. Dat de vorm van den bijzin later de
alleengeldige is geworden, behoeft ons niet te verwonderen.
Hetzelfde zien wij ook elders, b. v. in al de onscheidbare
samengestelde werkwoorden in het Germaansch.
3® het ontstaan en de vokalisatie der totos-nomina .
Dat deze aanvankelijk altijd tweede-leden van samenstel-
lingen waren, blijkt trouwens ook nog overduidelijk uit
het feit : dat ^eer vele totos-vormen nog in de historische
taalperioden uitsluitend in samenstellingen voorkomen.-
(i) N. VAN Wijk : Der Nominale Genetiv Sing. t. a. p.
(2) BB. I, blz. 16-17. Wat ik tusschen haakjes zet, laat ik voor
Fick's rekening.
— 202 —
Hiermede is dan tevens verklaard, wat onder 60 van
n"" 455 nog duister moest blijven. Dat de laatste o eene
neiging naar de u vertoonde ontleen ik aan vele feitjes,
o. a. in het Latijn, verder de Grieksche nomina agentis
op -euc, maar vooral aan het naast-elkander der ibidem
behandelde typen : yovu : janu = «j/o'po; : bhdras enz.
481. Zien wij nu maar de attributieve verbindingen
en nominaal-composita, dan dringt zich al aanstonds de
gedachte aan ons op, dat het bekende onderscheid tus-
Schen cppr^v : eucppiüv, iroX'j',ppwv, aw'f pojv, Saicppwv, of^ptav ; ivijp :
Suffi^vwp, ^Tj^iivtüp, (pÖKnivwp, avTjvwp enz. op dezelfde wijze
moet worden verklaard : de simplicia zijn eerste leden
van constructies of vormen zelfstandig een constructie,
de composita daarentegen geven ons — in hun type ten
minste — duidelijk het geheele klankverloop eener op- en
afgaande betoning : dus op het einde stemdaling, doffe
klinker; want ook zij werden immers aanvankelijk als
relatieve of appositieve zinnen, dus als afzonderlijke con-
structies, achter het hoofdwoord gebruikt.
Maar nu wordt ons ook de vokalisatie van vele Vóór-
Indogermaansche eerste constructieleden duidelijk; of deze
later als Genetieven dan wel als adjectieven optreden is
hier natuurlijk Van geen belang. Heele constructies zien wij
zoo b. V. nog in de tegenstellingen van irapo; : Trpsjpu;, èy/o(; :
ÈYyEcnraXo^, avOo; : Miioopo^y téXoi; : TeXsV^opo;, enz. Alleen
de eerste leden zien wij in <)^£'jSt5(;, iaOeviJ;, eujiEVTi;, euyevii;,
cp£p£(j(jaxT(5<, aivo7:a6T(i<;, iY/i^aOii;, (vergl. n*" 372) die vooral
vergeleken met hun tegenhangers isO^o;, aOÉvo;, jjiévo;, y^vo;,
(jaxo<;, ir£*/6o<;, pévöoi;, duidelijk spreken, en gelijk uit de
overeenstemming van Latijn (b. v. genws : degencr) en
Oud-Indisch blijkt, oeroud mogen genoemd worden. Ge-
heel en al in overeenstemming met deze adjectieven zijn
nu de Genetieven : lat. vetms, gen^ris, naast vetus
en genus, Aniënis, hominis, got. gumins, oksl. kamene,
lit. pëmeiis, sesers naast lat. Anio, homo, got. guma,
— 203 —
oksl. kamy, lit. pëmü, sesü, enz. De verhouding van
Prixr^p : piixoip, irpaxTiJp : irpaxTOjp, TraxTip : cppaxwp, is nu Ook
even duidelijk als die tusschen ipo-zr^p : apoxpov (vgl. n*" 372) :
de eerste voorbeelden zijn telkens eerste leden van con-
structies, de laatste zelfstandige zinwoorden (i). Deze feiten
geven, meen ik, weer een steun te meer aan de Saussure's
veronderstelling, dat de oorspronkelijke Idg. a secundair
uit ê zou ontstaan zijn, vergl. n»" 370. En wat de korte
a betreft, Meillet (2) heeft zeer scherpzinnig opgemerkt,
dat ze vooral in eerste lettergrepen voorkomt, wat met
den indifferenten mondstand, dien deze klinker vordert,
zoo al zeer begrijpelijk wordt.
482. Ik hoop dat men aan dezen stouten slag in het
duister niet meer waarde toedichte, dan ik er zelf uit-
drukkelijk aan gehecht heb : Het is een gedachte. Ook
met gedachten wordt de wetenschap gebaat bijwijlen.
Mocht echter deze gedachte een deel waarheid bevatten,
dan is er een tijd geweest, dat het kleur-accent, in slafe-*
lijke onderworpenheid aan het muzikaal accent was ge-
bonden. De aanleiding kan evenwel slechts tijdelijk tot
oorzaak zijn geworden. Ten eerste wederom om de uit-
zonderingen. Ten tweede om de vokaal-symboliek.
483. Er waren toch in de vokalisatie dei: a behalve
deze algemeene automatismen nog andere factoren in het
spel die wij alle onder den complexen naam van vokaal-
symboliek kunnen samenvatten.
(i) Iedereen ziet zelf wel, hoe mijne beschouwing haar voordeel
heeft gedaan met alles wat Fick, Möller en Hirt hieromtrent
hebben bijgebracht; het was mij onmogelijk uit elkander te houden
aan wien ik telkens het meeste Aniegung te danken had, en daar-
om heb ik, behalve een schijnbaar vergeten artikel van Aug. Fick
geen va\i drieën geciteerd. Eens voor al verwijs ik dus hier ten
slotte naar A. Fick : GGA. 1880, blz. 417 vlgd ; Möller PBB. 7,
489 vlgd.; Hirt : Ablaut, t. a. p.
(2) A. Meillet : Introduction, t. a. p., i38.
— 204 —
Wij zullen ons hier natuurlijk niet ophouden bij de
speelsche fantasieën die vele dilettant-etymologen met even-
veel overtuiging als willekeur hebben voorgedragen. Even-
min bij hetgeen de nieuwere dichtscholen omtrent den
gevoelstint der vokalen leeren, al is hier een glimp van
schemerende waarheid dikwijls niet te miskennen.
Slechts ééne serie van gevallen lijken ons met eenige
zekerheid bewezen Wij kunnen het toch tegen de een-
stemmige uitspraak van zoovele en uiteenloopende talen
niet ontkennen, dat het gevoel van onze onmiddellijke
ikheid zich gaarne uitdrukt in heldere, het gevoel der
objecten rond ons en bij ons, in middelbare, het gevoel
onzer herinneringen of dingen op verren afstand in don-
kere vokalen,
M. a. w, voor den !«'«" persoon en de plaatsadverbia
voor onze onmiddellijke nabijheid dient bij voorkeur de
vocaal f, voor den 2<*«n persoon en de daarbij aansluitende
plaatsadverbia de vokaal a, voor den 3^*^" persoon en
bijbehoorende plaatsbepalingen de vokaal u.
Bedenken wij nu, dat wij vroeger zagen (n" 231^^ en
248) hoe zich bij den derden persoon de casus activus,
bij den eersten persoon de casus passivus aansluit, en
dat de oorspronkelijke beteekenis van den Activus waar-
deering, van den passivus daarentegen geringschatting
was; dan zal het ons niet verwonderen, als wij nu ook
in het algemeen in de namen van min-of-meer gewaar-
deerde objecten en augmentatieve suffixen een donkeren
vokaal (meest u) ontmoeten, en in de termen van min-
der-geachte dingen, en deminutieve suffixen een helderen
vokaal (meestal i of /-kleurige consonanten) terugvinden.
(Zie nr 25o.)
Herinneren wij ons verder -uit n** 245, dat de geslachten
in de taal oorspronkelijk niets anders zijn dan kategorieën
van waardeering, dan begrijpen wij ten slotte ook dui-
— 2o5 —
delijk genoeg, dat over 't algemeen / het vrouwelijk en
u oï a het mannelijk karakterizeeren.
En als wij nu eindelijk ook voor het meervoud in
vele talen eene u vinden in tegenstelling tot eene / voor
het enkelvoud (zie n^ 247); dan hebben wij zoo eene
merkwaardige bevestiging gevonden van bijna alles, wat
wij in ons kleine hoofdstukje over a de waardeering in
de taal » hebben in het midden gebracht (i).
Het articulatie-accent.
484. Toen ik in n" 294-295 voor het eerst de con-
clusie trok, dat het intensiteits-accent eener lettergreep
soms voornamelijk op een medeklinker kon rusten, ging
ik met opzet tamelijk haastig dit allerbelangrijkste feit
voorbij ; en toen ik in n" 3oi-3o4 daaruit toch eenige
belangrijke conclusies te trekken "had, kon ik mij eenige
onzekerheid bij het rondtasten niet ontveinzen. Want ik
moest daar ter wille van orde en regelmaat noodzakelijk
onvolledig blijven Maar nu is het tijd die leemte aan
te vullen
Eer wij echter dieper op het verschillend accent der
medeklinkers ingaan, eerst nog een illustreerend bewijs,
waaruit eenieder bijna zonder nader betoog kan voelen en
(i) De feiten waarop deze allerelementairste proeve van vokaal-
symboliek berust, vindt men bij Aug. Pott : Das indogennanische
Pronomen, ZDMG. 33, 1879, blz. 5 vlgd.; Idem ; Verschiedene
Bej[eichnung des Perfects in einigen Sprachen, und L autsymboHk
Zeitschr. f. Völkerpsychologie, 16, 1884, blz. 124-138; Georg v. d.
Gabblentz : Die Sprachwissenschaft, t. a. p., blz. 255, 379, 408-409;
R. de LA Grasserie : De V origine et de Vévolution première des racines
des langues. Paris. 1895, blz. 94 vlgd.; W. V/vvdt : Die Sprache,
I', t a. p., blz. 230-32; A. Trombetti : L'unita tforigine del linguaggiOj
Bologna, 1905, blz. 74 vlgd., blz. 121 -122.
— 2o6 —
tasten : dat bijwijlen het accent op de medeklinkers valt :
ik bedoel de proeven van Rosengren (i).
Deze ontdekte namelijk het merkwaardige feit, dat som-
mige woorden in den phonograaf gesproken met duidelijk
intensiteits-accent op een bepaalde lettergreep, dat accent
schijnen te verplaatsen, als men den rol of de schijf van
den phonograaf den verkeerden kant uit laat draaien.
Zoo klinkt het omgekeerde sórragis niet, gelijk men
verwachten zou, sigarrós, maar sigdrros, dttigas klinkt
niet sagitta maar sagltta, sibylle niet ellybis maar ellybis,
kylmaga niet agamlyk maar agdmlyk.
Deze proeven hebben al heel wat opschudding verwekt
in de phonetische wereld; en toch, als wij ons nu het
accent-streepje eens dachten op de rr, tt, b en lm, zou
er dan wel reden tot verwondering zijn?
Dat dus een accent op de medeklinkers kan vallen is
hiermee zoo duidelijk als men het maar verlangen kan.
Iets anders evenwel is het : te bepalen, waarin telkens
dat medeklinker-accent bestaat.
485. Naast het exspiratorisch accent, dat wij hierboven
behandelden bestaat er toch een articulatie-accent, d. w. z,
behalve door overmaat van exspirium kan een medeklinker
ook uitmunten door grootere spanning der articuleerende
spieren, en wat het gevolg daarvan is, door scherper of
sneller beweging der articulatie-organen.
486 Experimenteel is dit het eerst met Hensen's
Sprachzeichner waargenomen door Hugo Pipping(i); en
(i) Vgl. nf 389 noot. De heele literatuur over deze proeven vindt
men in het Uppsala-sche tijdschrift Spr&k Och stil, II, III, IV, V,
190205 in artikelen en wederzijdsche kritieken van E. Rosengren
en E. A. Meyer. Vergl. ook Jespersen-Davidsen : Phonetische
Grundfragen, Leipzig-Berlin, 1904, § i32.
(i) H. PiPPiNG : Zur Phonetik der Finnischen Sprache. Untersu-
chungen mit Hensen's Sprachzeichner. Mémoires de la Société Finno-
Ougrienne, XIV, Helsingfors, 1899, blz. 227 vlgd.
— 207 —
na hem heeft H. Zwaardemaker met zijn eigen registreer-
apparaten hetzelfde feit bevestigd (i).
487. Van historische zijde vond ik alleen eene aanwij-
zende gedachte bij Louis Duvau (2) :
Rappelons que dans Ie gallo-roman, les syllabes initiales
non accentuées ont un sort différent d la fois de celui
des syllabes toniques (fortes) et des syllabes atones (faibles)
non initiales. Elles ont dans une certaine mesure échappé
aux altérations qu'ont subies les premières, et aux affai-
blissements qu'ont subis les secondes, c.-i-d. qu'elles ap-
paraissent moins comme ayant été prononcés avec plus
dintensité (Vintensité est une cause frequente cCaltération
du timbre), qu'articulées avec plus de netteté que les
non-initiales. De 14, par exemple, les doublements de
consonnes a l'initiale en italien, étudiés autrefois par
M. H. ScHUCHARDT {Romunia, 6, SgS vlgd). Une telle
qualité de l'initiale, sans être exactement Tintensité, est
plus compatible avec Tictus qu'avec la dépression rhyth-
mique ; de la une certaine propension d faire tomber Tictus
sur les initiales. Mais toute la versification de Plaute
contredit Thypothèse d'une intensité propre aux syllabes
initiales, a cette époque.
488. Deze geleerden bepaalden de draagwijdte hunner
opmerkingen evenwel alle drie tot de uitsluitende verge-
lijking van spraakklanken, die met hetzelfde letterteeken
worden weergegeven. Zij onderscheidden b. v. een geac-
centueerde t van een ongeaccentueerde t, maar kwamen
er niet toe in de t een dentaal te zien met de volle
articulatie-energie (natuurlijk nog vatbaar voor een meer
(i) H. Zwaardemaker : Ueber den Accent nach graphischer Dar-
stellung. Onderzoekingen Physiologisch laboratorium Utrecht, V, II,
1901, blz. 226 vlgd. (= Medizinisch-padagog. Monatschr. für die
gesamte Sprachheilkunde, X, 1900, heft g-io.
(2) L. Duvau : A propos des initiales latines. MSL. 12, 1903,
blz. 138-40.
— 2o8 —
of minder) en in de d, p, d en n ook dentalen maar
met minder articulatie-accent.
En toch moet deze stap gedaan worden, meen ik. De
parallelle werking onzer wetten van psychologisch auto-
matisme zal het overvloedig bewijzen.
489. In de articulatie moeten wij verschillende elementen
onderscheiden : I de sluiting van het luchtkanaal,
II de trilling der stembanden,
III het luchtkanaal zelf : mond of neus of beide.
I. De kanaalsluiting kan :
I" plotseling, volkomen en krachtig zijn — tenues.
2^ plotseling, volkomen en zwak zijn — mediae, lenes.
3** plotseling en onvolkomen zijn — aspiraten.
4° durend en onvolkomen zijn — spiranten, nasalen, liquidae.
3** durend en half zijn — gesloten klinkers, f, u.
6° durend niet zijn ~ open klinkers, a, e^ o.
II. De stembanden trillen :
i^ bij de tenues nooit.
2^ bij de lenes niet, bij de mediae wel
3*» bij de aspiraten, spiranten, nasalen en liquidae al of niet,
40 bij de gesloten en open vocalen altijd,
III. Het luchtkanaal :
i® is alleen de mond bij de tenues.
2® is mond en neus beide, maar vooral de mond bij
lenes, mediae, aspiraten, spiranten en liquidae.
30 is mond en neus beide bij gesloten en open vocalen.
4^ is alleen de neus bij de nasalen.
DQze drie elementen vormen samen nu één accent,
dwz. ééne duidelijk onderscheidbare soort van psychi-
sche energie.
De plotselinge^ volkomen en krachtige occlusie s[onder
stembandtrilling en met den mond tot luchtkanaal, dat is
hier de hoogste top der golvende groep.
- Door vermindering of verdwijning van schielijkheid,
kracht of volkomenheid der occlusie, door 't opkomen of
— 209 —
vermeerderen van stembandtrilling en door *t gebruik van
den neus als luchtkanaal neemt het accent af.
Op dit eigenaardig-samengesteld accent nu werken weer
onze bekende automatismen ;
490. A En wel ten eerste wederom de diflferentiee-
rende subordinatie.
Twee volkomen centrale krachtige mondsluitingen on-
middellijk na elkander in hetzelfde woord, kunnen niet
gelijkwaardig tegenover elkander blijven staan. Één van
beide domineert, en de andere wordt gedifferentieerd tot een
durende onvolkomen mondsluiting : de stemlooze spirant.
Domineert de tweede, dan vinden wij : oind, sapta :
iran. haft, oind. dtkas : av. adkö (gr. ajxo'c), lat. recte :
umbr rehte, lat. scriptae : osk. scriftas, lat. octo : oier. ocht,
idg. *sitkjjos : lat. siccus : oier. sesc, lat. lucta : alb. lufte,
lat. trocta : alb. trofte,. gr. xXéttttjc : got. hliftus, russ. -kto :
dial. -xto, oind bhattaka : Magadhï : bha^t^ka, oind. sattds :
zd. hastö, oind. vrtti§ : lit. virsti, oind. dtti : oksl. jastï,
oind. triip9attanas : gr. Tpiaxooroc, oind. adatkas : ags. tüsc,
idg. *krtkos : ohd. horsc, got. blötan : blöstreis, got. beitan :
beist, lat. factum : Rom. fahtu, lat. lacte : Rom. lahte,
ogr xXétttw : ngr. xXÉcpxco, ogr. xti'^w : ngr. /tti'^w, nl. acht-te :
achste, oier. accain : schotsch a/kain, oier. macc : sch.
msê/k (i), enz enz.
(i) Het zou mij weinig kosten, bij al deze etymologische lijstjes,
naar aanleiding van veel literatuur, veel in het midden te brengen.
Maar natuurlijk volstaat het opnemen van één teekenend voorbeeldje,
om mijn opinie over een heele reeks van gevallen te verklaren.
En dat is dan ook dikwijls inderdaad mijn bedoeling. Van naïviteit
behoeft men mij hier maar zelden te verdenken. Wat ik over de
theorie der klankwetten houd, zal ik verderop in den breede uit-
eenzetten. Alleen dus, als ik mij voor 't een of ander aan een bizon-
der auteur verplicht voel, zal* ik verwijzen Zoo op de eerste plaats :
ééns voor immer ; A. Meillet : De la différenciation des phonèmes^
MSL. XII, 1903, blz. 14-34.
14
— 2IO —
491. Domineert de eerste, dan vinden wij het om-
gekeerde : ogr. Xixxo; : ngr. v. Kalymna Xcix^o;, lat. sagitta :
ngr. (jatTÖa, ogr. xdirTia ngr. xAtz^ol, lat, vecto : vexo, lat.
fluctus : fluxus, (lat. abs uit *apt?), lat. labi : *laptus :
lapsus, lat. sua-pte : i-pse : gr. ^é, lat. capere : *capta : capsa,
lat. fingo : fictus (Varro) : fixus, lat. frigo : klass. frictus :
vuig. frixus. In de talrijke andere gevallen is lat. ts uit tt,
gelijk in edse : etse : esse, in ss overgegaan (i). Os. sceppian :
ohd scepfen, os. hittia : nhd. Hitze, mlat. baccïnum :
ohd. becchï(n), gr. xx^ai; : oind. k§iti§. gr. t^xtüjv : oind.
tak§an, gr. xtêivo) : oind. k§anÓti, gr. xxaofxat : oind. k§éyati,
gr. TTxQov : *7rpiXov : lak. ^^Xov, gr. tttuw : eirwpOuffStü : «J/ymo
492. In aansluiting bij dit laatste geval merk ik op, dat
soms ook de tenuis tot stemlooze aspirata gedifferentieerd
wordt : ogr. èLTZiza : ótircpa, otTr^paptov, «tt^uc, iir^iov, i7r^i8iov,
Ogr. 'ATnrtavd<; : 'Airtptavó;, lat. via Appia : CIL. v. 538o Sentia
Apphia.
Verder wordt ook soms een van beide verdubbeld, dan
is de subordinatie natuurlijk ook voldaan : lat. voluptas :
CIL. VI, 20,337, volupptate, enz.
493. Dit waren dus diflFerentieeringen der mondsluiting ;
maar ook differentieeringen van het mondkanaal komen
bij de dubbele tenues voor : De tweede domineert en be-
houdt den mondweg, de eerste wordt gediflferentieerd tot
nasaal, en dus door den neus gedreven : lat. volupptate :
volumptate, lat. *nupptiae : *numptia (Sard. nunta), lat.
Moppsuestia (2) : ngr. Mo\x.^ojz(rziai, lat. Neppsis : lat. Nem-
psis, lat. cappsarius : ngr. xa|jL«];apto;, att. èxxaiÖExa : lyxatoexa,
(i) Zie het vergeten artikel van F. de Saussürb : MSL. III,
blz, 293 vlgd.
(2) Het recht om deze en de twee volgende vormen met dubbele
tenuis te schrijven ontleen ik aan nr 5ii-5i2. De meeste dezer na-
saalgevallen reeds bij W. Schulze : Samstag, KZ. 33, 1894, blz.
366 vlgd.
— 211 •—
semit. Sakkuniaton : Sayxo'^^'^iöwv (i), gr. xéircpo; : xefxcpó;, gr.
'Aitiriavo'c : 'AfiirtavcJc;, gr. MeviiriTTjc; : Mev^jiTTTj;, kret. iTijraptov :
otranto ampari, gr TrairirdiSoufftv : irajxTra^oujiv, gr. iTriréfx^et :
<i|X7r^jx<];ei, gr. FldTTTTo; : üajAiro;, lat. Pampus, enz., gr. KaïriraSoxfa :
Kap-TiaSox^a, nl. appart : ampart, mnl. pappier : mnl. pan-
pier, pampier, mnl. rappier : mnl. rampier, mlat. capprifo-
lium : nl. kamperfoelie, mnl. cappellaen : mnl. campelier,
nl. tacht-tig : dial. tachijtig : tachentig.
494. De diflferentieering der mediae is begrijpelijker-
wijze niet zoo frequent (2) ; voor het luchtkanaal evenwel
hebben we geen gebrek.
Dat in het oude Grieksch gg tot ng werd blijkt duide-
lijk uit de schrijfwijze van dezen laatsten vorm als yy, verder
hebr. Debbora : gr. AejA^wpa, gr. 'Apu^pac : 'Apup.pa;, gr.
xap^aXe : xdjApaXe, gr. xa^pi? : xap-^a;, gr. Topuppa<; : Topup-Pac,
gr. Sap^twv : SajjLptcuv, lat. Sabbatis : gr. Safx^aT^c, lat. sab-
batum : ohd. sambjiz-tac, Ulfilas : sabbatö : got. samba tö.
arab. gabbaru : syr. ganbara (3), Bantoe : edda : enda,
todda : tonda, labba : lamba, lidda : linda (4).
495. Ook twee aspiraten difTerentieeren. In het Idg«
konden nooit twee aspiratae naast elkander blijven :
óf de eerste domineerde en werd ongeaspireerd : *yudh-
bhis : oind. yudbhi§. In het Grieksch en Armenisch ver-
mijdt men althans dubbele homorgane aspiraten; want
in deze is er natuurlijk meer drang tot differentiatie om
(i) Zie nog vele andere Grieksche nasaliseeringen van Semitische
dubbele cousonanten bij J. Lévy ; Revue Archéol. 1904, 4, blz. 388.
Over hebr. kikkar : xiYyap(e<) zie G. F. Hill : The classical Review,
1905. 5, blz. 256.
(2) Misschien eyy^^ "<• ^^(X^ = 'AirTTiavo; : 'A7r(piavo<;
(3) ZiMMEKN, t. a. p., blz. 35.
(4) Trombetti : Uunitd cT origine del linguaggio, t. a. p., blz 219,
hij voegt hierbij : Nell' Uraloaltaico e Dravidico sono in uso ambedue
i processi (la nasalizzatione e il raddoppiamento delle consonanti),
che si possono considerare come equivalettti '• kapp = kamp.
— 21:2 —
de algeheele gelijkheid. Zoo : arm. vaththar : vatthar, gr.
'^^//^ • '^^7.^ (i) Maar in lateren tijd werd ook zeker eyOpo;;
als ^xOpo'c, a«p6iTo<: als arOixo; gesproken blijkens den ver-
deren overgang : [j.opo'/Oo<; : |jLopo$o<;, È/ötorov : e^kjiov, cpOiat; :
4^i<ii;, enz.;
496. óf de tweede domineerde, en de eerste werd tot
spirant : *bhebhidhdhi : gr. ir^irKrOi, *kudh-dhos : gr. x'j<;eo;,
lat. custos, got. huzd. Hetzelfde gebeurt in de oer-la-
tynsche groep dh + 1, waar de t natuurlijk domineert :
gr xaOapo'c : lat. castus, gr. aVOo) : lat. aestus, lat. fendo :
infestus, manufestus, gr. iriOo; : lat. fistula, got. gazds :
lat. hasta, lat. jubeo : justus.
497. Ten slotte toont zich ook bij de aspiraten weer
de differentieering van het luchtkanaal : * Tu'^^^-pTjoro; (2) :
TujjL©pTjO-ro<, * ÏTacpcpXavovtov : na[j.'iXaYOva)v.
498. Ook de spiranten zijn aan differentiatie onder-
hevig. Ten eerste wederom van de mondsluiting. Hier
wordt de domineerende tot tenuis. De tweede domineert
in : ngr. cpOavo) : «pxavto, ngr. èXcóOspo; (elefperos) : IXeuTspoc
(elefteros), ngr. eu/ti (efyi) : süxtI (efki), ngr. o/iCw : <txi?w,
ngr, aUOavo|jLai : aljTavoaai, dial. acta^to ; Jira^to, dial. tj'^i'^yto :
airtyyto, it pesce : rum. peste, oier. baithis : baitsimse,
dothuichsimem : tuicse, loisthiu : cichloiste, taschidetaid :
• tascide.
499. De eerste domineert in : ngr. èxXauja (eklafsa) :
exXa']>a, ogr. EXsjj^s; : ngr. As^J^Tva, ngr. xaöids : xdtTffs, hd.
sechs : seks, hd. Ochs : oks, hd. Fuchs : fuks.
500 Zoo domineert dus meest de muta over de s,
In het Nieuw-Perzisch heeft de explosief bovendien nog
de meest energieke tweede plaats bemachtigd : jodenperz.
yufsad : nperz. /uspad, dial. cafsad : nperz. ^aspad.
(i) A. Meillet : Sur la pronsnciation des aspirées grecques La
Parole, 1901, blz. 449 vlgd.
(2) Zelfde bemerking als boven in nr 493.
— 2l3 —
601. Zonder metathesis en met difFerentieereng der
stemtrilling : lat. Massilia : fra. Marseille, lat. Cadussa :
fra. Chaourse, got. *nasjanps : nasjands, gadêps : gadëds.
602. Tot nog toe zagen wij meest stemlooze spiranten,
maar voor de stemhebbende gelden dezelfde regels : ngr.
auyo' (avgo) : Cyprisch : auxov (afkon), ngr. (i)pSoïxa8a : cypr.
ipTop-aSa, ngr. ycÉpvw : cypr. ytEpvw, got. *ög-da : *ögta :
öhta, got. ba u g-da : baugta : bauhta, got. *mag-da : magta :
mahta, got. *biag-da : *bragta : brahta.
603. Eveneens voor stemlooze -[- stemhebbende spi-
ranten ; ags. ciesd : ciest, ags. réceliesdu : réceliestu, got.
*paurf-da : paurfta, got. *aih-da : aihta, got. *gamös^da :
gamösta, got. *kaupas-da : kaupasta.
In brühta en *pahta uit brük-da en *pak-da werkte, ge-
lijk wij later zullen zien, eerst de anticipatie van den
spirant tot *brüh-da en *pah-da en verder gingen zij als de
andere. Voor gamösta en kaupasta zou men hetzelfde
kunnen aannemen, maar de s is waarschijnlijk reeds vroe-
ger uit differentiatie ontstaan.
604. Ten slotte zien wij ook bij spiranten de mond-
kanaaldifFerentieering : fra. picardisch cauflFoir : nl. komfoor.
Ten slotte differentieeren twee spiranten hunne mond-
opening tot vokaalmore. De eene wordt x • ocech. mlazSi :
mlajSi, ocech. sezzcn ; sej2en, ocech. pózciti : pójciti, pol.
wies*ski : wiejski, pol. oc'ca : ojca, pol. bezsebe : bejsebe.
606. Verder difFerentieeren de nasalen zelf hun lucht-
kanaal (i) : lat. anima : it. spa alma, prov. sic. arma,
oksl mene : kroat. mie, sorab. * mnogi : mlogi, nbulg.
mnogo : mlogo, serv. cümna : cümla, spa. pennone : pen-
don, zdl. sardin *lummuru : lumburu, milan. vendemnia :
vendembia, oier. immed : imbed, aithchumme : aithchumbe,
ags. stemn : stefn, lat. nomen : on. nafn, lat. Damniorum :
ags. Defna scir (Devonshire), ags. samnian : on. safn,
(i) M. Grammont : La dissimilation consonantique. Dij on, 1895.
— 214 —
ags. emn : got. ibns, lat, -umnia : got. -ubni, -ufni, slov.
*lakomnik : lakovnik, slov. *mnoge : vnoge, slov. gumno :
gubno, serv. gumno : guvno, ^ech. *pisemne : pisebne,
hd. nl. niemann : niemand, oier. cenn : eend.
506. En de liquidae : ohd, elilenti : on. erlendis, lat.
ululare : fra. hurler, sp. pillora : pildora, spa. buUa : bulda,
spa. apellar : apeldar, on. falla : mn. faddla : nn. fadtla,
on. vil : mn. vill : nn. vidtl, ^ech. Snorlik : Snodlik, hd.
kerl : J^ech. khédl.
507. Deze voorbeelden zijn niet schaarsch, maar even
talrijk zijn ook de onderlinge verbindingen van liquidae
met nasalen en van liquidae of nasalen met spiranten,
die altijd een van beide tot explosief verheflfen : zd. mrü»di :
oind. brühi, oind. marmaras : gr. Pp^p-oi : lat. fremo : ohd.
brimu, oind. mlayati : gr. pXTj/poq, fra. *marmre ; marbre,
mnl. marmer : marber, on, mannr : madr, on. horn ;
mn. hoddn, ngr. èpyaTTjc : ipxaT7i<;, ngr. irepSixa : irepTtwv,
cypr. o'pöo'c : o'pTo<;, ngr. xoXuiJLpö (t5o) : xoXufjiTrw (bo), ngr.
èvSexa : Ivxexa, ofra. corf : nfra. corbeau, lat. corvum : it.
corbo : rum, corb, lat. infernum : cal. mpiernu, got. nepla :
ags. naïdl : os. nadla, got. gulp : ags os. ohd, gold ;
508. Die soms echter alleen de differentieering der stem-
bandtrilling toonen : lat. pingere : sic. pinëiri, lat. angelum :
sic. an^ilu, lat. spargere : spa. esparcer, got kunda :
got. kunpa.
509. Men zou zelfs met Meillet heel in 't algemeen op
de dififerentieering van twee stemhebbende kunnen wijzen,
en oksl poz-dü : av, pas-ca : lat. post, of lit : daüg zuvü :
daük zuvü of nl. dial. (Aalst) lang genoeg : lank-enoeg,
méd vier : mee fier, enz. als voorbeelden kunnen aanhalen.
510. Ditzelfde vinden wij ook bij de mediae in con-
nectie met r : lat. *taid-ros (taedet) : taeter, gr. uopi'a : lat.
utris, lat. andruare : redantruare, enz. (i).
(i) Thurneysen : KZ. 32, blz. 5 vlgd.
2l5
511. Bij dit laatste geval sluiten zich ten nauwste
een heele reeks andere aan, want tr is hier blijkbaar uit
ddr ontstaan.
Welnu, wij hebben reeds hier en daar bij de diflferen-
tiatie den dominecrenden consonant zien verdubbelen;
maar dit is eigenlijk de karakteristieke subordinatie- manier
der sonanten. Bijna overal wordt elke konsonant naast
een onsilbischen sonant verdubbeld : oind. putrds : puttrds :
prakr. puttas, oind. agnl§ : aggni^, oind. satyds : sattyés,
oind. sarpas : sarppds, oind. órtham : drththam, oind. sdr-
vas : sarvvas, gr. irdXio^ : thess. irdXXio;, gr. ïlaudaviic; :
riauffavvia;, gr. AXXdxpioc; : gortyn dtXXoTTpio;, lat. suprema :
supprema, lat. agro : aggro. lat. matrona : mattrona, lat.
exempli : exemppli, lat. sociorum : socciorum, lat. quatuor :
quattuor, osk. Viteliü : Vitelliü, lat. Decii : osk. Dekkieis,
lat. alteram : osk. alttram, oksl. zelïje : ukr. zilTa, oksl.
korenije : ukr. korin'n'a, oksl. bratYja : ukr. brat't'a, oksl.
sadïja : ukr. sud'd'a, got. hafja : ohd. heffiu, got. saljan :
os. sellian, got, akris ; ohd. ackres, got. sitlis : ohd. sëttles,
ohd. lougnen : ohd. louknen (h uit gg), got. naqaps :
ohd. nackot, ags. bitur : bittres, ags, ator : attres.
512. Aan dezen algemeenen regel (die ook soms voor
5 en f geldt) ontleende ik in de bovengenoemde (n"4g3,
497) gevallen het recht als oorsprong der nasaleering een
dubbelen consonant aan te nemen. Ik laat nog eenige
dergelijke voorbeelden volgen : gr. 'ASpap-uc : 'AxpatxuTaov
(x voor fio) : mgr. Andremiti, mgr xé8po; : x^Spoc, ogr. ó'pptjjLo; :
ojA^pifjioc;, ogr. vsSpoij : v£|jL,3pou, ogr. 'AvpojAaytj : 'AvSpofxa/Tj,
ogr. "Ofxpixo; : *'0(xpptxo;, oind. amlas : amblas : nl. amper,
oind, tamras : mind. tambras, narm. manr : mandr, gr.
[jLoXstv : [jL£|jipXtoxa, umbr. seples : lat. simplum, lat. camera :
Cambrianus, lat. eximo : exemplum, lat. numerum : fra.
nombre, lat. cumulum : fra. comble, got. timrjan : tim-
brian, ags. simle : simble, mhd., mnl. mime : minder,
— 2l6 —
got. *svisr : swistr, on. *As-ra(lr : Astrapr, lit. aszrüs :
asztrüs, oksl. ostrii, ngr. [XTiXta ; [xiuXidt, oksl. zemji : *zemjji :
zemlji ; voorbeelden van 5 en / ; lat. hiems : hiemps, osk.
Niumsieis : Numpsi, nhd. hamster : dial. hampster, lat.
sumo : sumptus, demo : demptus, lat. emptus : umbr. emps,
mhd. samt : sampt.
613. De sonanten j en w vertoonen echter, als ze
verdubbeld worden, nog een heel eigenaardige diflferen-
tiatie. Eerst ontwikkelen zij eene media, die daarna vol-
gens een zelfden regel als boven verdubbeld wordt :
ohd. zweijo : got. twaddjë : on. tueggia, oind. dhayati :
got. daddjan : ozw. da?ggia, ohd. glauwër : glaggwuba :
on. gloggr, ohd. triuwi : got. triggws : on. tryggr. Wij
zien hier weer dezelfde overdrijving van boven : de diffe-
rentiatie is zoover gegaan, dat het gesubordineerde lid
(b V. in het on ) meestal in het domineerende is opgegaan.
514. Dat zien wij nog sterker in de groep kt. Deze
werd zeker in sommige dialecten van den Idg. oertijd
reeds tot kf>. Verder kon de differentiatie gaan tot ki : IxtTvo^; :
oind. 9yënds, (vergl /ös'c : hyas) of tot k^ : zd. /Saëta :
oind. 9vetas. En deze k; werd nu tot Ic, deze kp tot k;.
De K werd veralgemeend in het Balto-Slavisch. De k;j
vinden wij in een paar onmiskenbare Grieksche parallellen :
XTiifJiaTa : TrdfjLoiTa, XTiJjaaOai : TrajadOai, 7:oX'jxtt5|jliüv : TcoXuTrajjitüv,
ê'yxxtjctk; : sjjLTraji;, oxxaXXo; : üï>OaX[jLo;, oculus : OTTwira en nog
vele andere (i).
Een zelfde behandeling vind ik ook waarschijnlijk voor
de Idg. groep pt. Ik houd toch de Grieksche werk-
woordsklasse op -TTTO) voor oorspronkelijk, en de corres-
pondeerende vormen der andere talen op -pi- daaruit
onstaan met wederom -pp- als overgang. Eveneens ttt-jtjoj :
pyük§ija-, TTTuo^ : lit. spiduju (oksl. pljuja : Ij uit jjj.
(i) Op dezen oorsprong der Idg. palatalen en labiovelaren doelend,
maakte ik in nr 464 bij de verklaringen van Hirt en Uulbnbeck
de restrictie : althans gedeeltelijk.
— 217 —
Niet juist dezelfde, maar toch soortgelijke overgangen
vindt men in de Romaansche en Keltische talen; ik
althans zou nooit tot de zooeven meegedeelde hypothesen
gekomen zijn, als ik de volgende feiten niet had gekend :
lat. noctem : nohte : fra. nuit, lat. fructum : fruhte : fr.
fruit, lat. lacte : lahte : fra. lait, lat. tectum : tehte : ofra.
teit : nfr. toit, oier. nocht : inscr. noyt : corn. noyth, lat.
captivum : spa. cautivo, lat. baptizare : ptg. bautizar.
En hiermee genoeg van de subordinatie van twee con-
sonanten naast elkander in het enkele woord.
515. Dat al deze kategorieën ook in de constructie
voorkomen, wil ik nog in het kort met een reeksje geïso-
leerde voorbeelden bewijzen : ngr. iTió to : i-'-có : i'^-cè,
prakrit. -rp viva : -ip piva, ags. hilpes pu : hilpes tu, hafas
pu : hafas tu, oind. pitar mama : pitar mmama, idg. -m
Xék^V • liék^r • yek;;r • arni. leard enz., oind. rajan söma :
rdjant- söma, oind. vajrin 9nathihi : vajrinchnathihi, oier.
nl-m-tha : nïmptha (non sum) enz enz. (i).
516. Tot nog zagen wij alleen subordinatie van arti-
culaties als zij onmiddellijk op elkander volgden.
Na al het vorige zal het ieder echter wel duidelijk zijn,
dat wij hetzelfde hebben te verwachten bij allerlei paren
van consonanten die wedijveren in energie van articulatie,
mits zij maar binnen de perken van onze secundaire een-
heid, de constructie, staan.
En hierover handelt in het bizonder het reeds genoemde
werk van Maurice Grammont : La dissimilation consonan-
tique dans les langues indo-européennes et dans les lan-
gues romaneSj Dijon, 1895.
Vooral heeft deze met groote zorg nagegaan, aan welke
combinatorische condities gewoonlijk de meerdere psycho-
logische energie van één der wedijverende consonanten
(i) Verderop komen wij terug op een ontzaggelijke reeks gesyste-
matiseerde voorbeelden hiervan, ^ie ook reeds nr 509.
— 2l8 —
schijnt gebonden te zijn (i), en al lijkt mij nu dit systeem
wel wat al te rigoristisch bijwijlen (vooral voor de uit-
zonderingen), zeker is en blijft zijne conclusie op blz. i86 :
La dissimilation c'est la loi du plus fort.
617. Hiertoe behooren dan ten eerste de gevallen waar
slechts één medeklinker tusschen de twee wedijverende
instaat. Zoo vooral de liquidae : ogall vertragos : lat.
veltragus, germ. Bertrand : spa. Beltran, nd. beerbrot :
lit. bembrotas, oksl. velYbladü ; russ. verbljud.
c
Maar verder ook al de andere, met één of meer klinkers of
medeklinkers, zelfs heele lettergrepen ertusschen. Daar deze
kategorieën reeds dikwijls zijn behandeld mag ik me hier
in mijn voorbeelden tot het allernoodzakelijkste beperken.
518. De nasalen en liquidae zijn het talrijkst ver-
tegenwoordigd : gr. vEoyvó; : got niuklahs, lat. caelum :
caeruleus, fra. corridor : russ. kolidór, lat non magis :
it. noma : lomé, it. veneno : veleno, enz. enz. enz.;
*mermero : bermo : berbelo : mei : bel enz. Zie Grammont,
t. a. p., blz. 162 vlgd., dus m tot b; gr. *aFeF^w • isiSw,
dus w totj; cat. mentida : spa. ptg. mentira, spa Gaditana :
Garitana, spa. quijada : quijarudo, hom. 'OSuaasu; : att.
'OX'JTT£J<;, dus dentaal tot liquida; lat, quinque : rom, cinque,
* k;i;erkuero, kerk;jo, kerkelo, kjjel, kei, enz., zie Grammont,
ibidem, dus labiovelaar tot velaar; got. wundufni : fraistubni,
got, gabaurjöpus : wratödus, got. agisis : riqizis, got. wal-
wisön : hatizön (2), dus stemloos tot stemhebbend en om-
gekeerd; oind. *ana(Ju(j[bhyas : ana<Jüdbhyas, oind. *pa-
rioak§ati : parinak§ati, dus cerebralen tot dentalen; av,
(i) De hoofdregel is dezelfde, dien wij boven reeds bij de andere
differentiaties bevestigd zagen : De klanken cener groep, die al
een ander accent heeft, zijn in de gunstigste gelegenheid om ook
in dit opzicht het meeste psychische energie te verwerven.
(2) R. Thurneysen : Spirantenwechsel im Gotischen, IF, 8, 1898,
blz. 208-244.
— 219 —
yuipba : oind. kumbhds, lat. fundus : oind. budhnas, osk.
feihüss : gr. x£T/o<;, ohd. deda : gr. stéOtiv, ved. bharibhrati :
oind barïbharti, dus geaspireerde tot ongeaspireerde mediae
en tenues; gr. <I»to<jcpopo<; : lat. Posphorus, lat. gr. philo-
sophus : lat. philosopus, lat. gr. Philadelphus : Philadelpus,
lat. gr. chirographum : chirograpum (i), dus spiranten tot
tenues; gr. y^«Yo« • kret. xX^yo^, ipXaps'c : kret. i^Xoizé^, dus
media tot tenuis ; lat. titillum : it. ditello, ags. clucce : ohd.
glocka, idg. *pipömi : oind. pibami, oier. ibim, dus tenuis
tot media (2). Verder hooren hier ook bij de totale redu-
plicaties met differentieering van den i^^en consonant als
hinkepinken, enz., zie de feiten bij Pott : Doppelung,
t. a. p.
519. Ten slotte zien wij ook hier, evenals bij de vroeger
behandelde subordinaties, dat het domineerend element
het ondergeschikte meer en meer verdrukt, zoodat er ten
slotte niets van het gedifferentieerde lid meer overblijft.
Hiertoe behooren op de eerste plaats de gevallen, waar
niets dan een medeklinker tusschen de twee wedijverende
instaat. Zoo worden c (t§) en dï voor dentalen tot
§ en z. Eigenlijk valt hier dus de eerste dentaal uit.
Zoo : fra. dial. (3) rètsta : rèSta, ödzdoe : özdoe, slov.
vracïstvo ; vraStvo, slov. cetyrije : Stirje, slov. cetvrütyj :
strti, serv. *zamacitati : zamaStati, serv. *po^Ytenje :
poStenje, serv. cïto : §to.
520. Verder werden in vele oude Idg. talen reeds
(i) W. ScHULZE : Posphorus. KZ. 33, 1894, blz. 386 vlgd.
(2) Zouden niet vele Idg. wisselingen van tenuis en media op
dergelijke wijze te verklaren zijn? Later zullen we zien, dat hier
echter ook andere factoren in het spel zijn.
(3) Damprichard in Franche-Montagne. Deze overgang komt ook
buiten de woordgrens maar binnen constructies voor. Zoo pw6
l'ènwüdz du : pwó Vèmwöï dü (pour l'amour de Dieu) enz.
Zie M. Grammont : Le patois de la Franche-Montagne, MSL. VII,
1892, blz. 471. Cf. La dissimilation, t. a. p., blz. 5i.
220
ksk, psp, tst, gzgh, bdbh en dzdh respectievelijk tot sk,
sp, st, zgh, dbh en zdh.
En zoo met alle dergelijke consonanten verbindingen,
als slechts de eerste en laatste een of ander element van
articulatie hetzelfde hadden.
521. Maar verder weer al de gevallen, waarvoor bij
Grammont in de Commentaires : O d. w. z. nul voorkomt.
Ik herinner b. v. slechts aan gevallen als : gr. ittjw,
♦ttt'jti^w : TT'jTi'iaj, gr. jTpaTo; : dial. apa-co^, oksl. skolïka :
lat. siliqua, oksl. bratrija : bratija, lat. praestrïgiae : praestï-
giae, mhd. pfenninc : pfennic, gr. opu^ipaxto; : Spj^axToc,
oind. vardhras : vadhras, enz. enz.
522. B en G. Maar ook de psychische inertie en
voorbarigheid werken op het articulatie-accent zeer duide-
lijk. En hier zie ik zelfs van alle voorbeelden af, daar
zij in alle handboeken te kust en te keur, wel is waar
onder de min-of-meer bedenkelijke namen van progressieve
en regressieve assimilaties maar toch in alle wenschbare
volledigheid staan bijeengebracht. Ik herinner er alleen
aan, wat mijns inziens niet genoeg in het oog is gehou-
den, dat Bartholomae's Idg. aspiratenwet, niets anders
is dan inertiewerking, met onmiddellijk daaraan verbonden
kapitale differentieering of uitstooting der eerste aspiratie.
Verder wijs ik er op, dat deze gevallen zich nu vooral
sterk buiten de woordgrens in de constructies vertoonen.
Allerlei Sandhiregels zijn niets dan toepassingen (gedeel-
telijk overdreven toepassingen, gelijk wij later zullen zien)
van de inertie en de voorbarigheid der articulatie.
Voor het overige, zijn, zooals ik zeide, de handboeken
volledig genoeg. Evenwel met ééne zeer zeer gewichtige
restrictie : Men vindt er assimilatie van vokalen aan vo-
kalen, van consonanten aan consonanten, maar van den
invloed der articulatie van vokalen op consonanten :
geen spoor (i).
(i) Wel gelijk wij boven zagen : invloed van de vokaalkleur
— 221 —
523. En toch, dat lag zoo voor de hand (i). Wij weten
toch al lang, dat een stemhebbende media, aan een nabije
tenuis hare stemtrillingen kan mededeelen, wij gelooven
vast, dat eene meer open aspirata op een sterk gesloten
media of tenuis hare mondopening kan overdragen (wet
van Bartholomae) en wij denken er niet aan, schijnt,
dat de vokalen, die immers stemhebbend en open zijn
bij uitnemendheid, dienzelfden invloed toch misschien ook
wel eens zouden kunnen uitoefenen.
524. En dit zelfverwijt drukt te zwaarder als wij zien,
dat reeds in den jare 1854, Professor Boller (2) te Weerten,
b. V. in de al te duidelijk sprekende palatalisaties. Alleen Paul
Passy : Étude sur les changetnents phonétiques. Paris, 1890, blz. 168,
maakt eene gunstige uitzondering.
(i) Eene theoretische moeilijkheid kan er gemaakt worden. In-
ertie en phonetische voorbari^rheid toonen zich uitsluitend bij klan-
ken die veel psychische energie hebben. Nu blijken echter de klin-
kers (trouwens even als de mediae en aspiraten) naar de boven
gegeven bepaling relatief niet rijk te zijn aan articulatie-energie.
Dus mogen ze ook in de articulatie althans geene inertie of voor-
barigheid vertoonen. Maar een klinker is één psychologisch geheel.
Heeft dus zoo'n geheel onder een of ander opzicht energie, dan kan
zich die door de associatie, die eigenlijk het geheel tot geheel maakt,
allergemakkelijkst op alle andere deelen overdragen. Dit voor de
theoretische weerlegging. Op de praktische bizonderheden komen we
later terug.
(2) Die Consonanten' Erweichung. Sitzungsberichte der Phil. Hist.
Classe der k. Akademie der Wiss. Wien 1854. Bnd. XII, blz. 441-
467, blz. 037-666, Bnd. XIII, blz. 184-211. Als een uitstekende inleiding
tot onze behandeling vatten wij hier zijne hoofdconclusies samen :
lo Die Erweichung der Consonanten findet sich überhaupt in allen
Sprachen. 20 Die Erweichung tritt sporadisch au f. 30 Wo sich die
systematisch ausgebildete Erweichung bis zu ihrem Ausgangspuncte
verfolgen lasst, zeigt sie sich auf einen cngen, durch erkennbare
Grenzen bezeichneten Umfang beschrankt. Ueber diese schreitet sie
erst spater hinaus. 40 Die Veranderungen erstrecken sich nicht auf
alle Consonanten glcichmassig, sondern werden durch die Quantitat
und Qualitat der Laute bestimmt. 5o Die Lautbewegung ist eine
222 —
steunend op een eerbiedwaardig materiaal uit meer dan
zestig Oeral-Altaïsche, Indogermaansche, Chamito-Semi-
tische, MaleischPolynesische en Indo-Chineesche talen in
juist dienzelfden verweekenden invloed van de vokalen op
de consonanten, een verschijnsel had gezien van zóó al-
gemeene diepgaande inwerking op de ontwikkeling der
talen, dat we tot nog toe bijna tevergeefs naar andere
wetten zoeken, die met deze in algemeenheid kunnen
wedijveren,
Maar laten wij nu dan, eindelijk tot inzicht gekomen,
met beschaamden maar daarom verdubbelden ijver de lang
vergeten of veronachtzaamde feiten bijeenbrengen, en er
van leeren, wat ze zoo duidelijk te leeren aanbieden.
Hier ter plaatse kan het evenwel mijn doel niet zijn
het werk van Boller over te doen, en zoo compleet
mogelijk het thans toegankelijke materiaal hiervoor bijeen
te brengen. Slechts zooveel wil ik bij eenzetten, dat het
algemeene van dit verschijnsel voldoende aan het licht komt.
525. Ten eerste dan : het experimenteel bewijs.
« Ce que nous ne cherchions pas, et que nous avons
été bien aises de trouver, c'est Tintervention anormale
du larynx pour des consonnes fortes intervocaliques »,
continuierlich fortschreitende, sie bricht sich aber an bestimmten
Puncten und bildet einen Niedcrschlag, womit die Bewegung ent-
weder erlischt, oder neuerdings in Strömung gerath. 60 Die Bezeich-
nung ist den neu entwickelten Lauten nicht adaequat. 70 Die Er-
weichung der Consonanten hangt mit den umgebenden, und insbe-
sondere mit den vorausgehenden Lauten zusammen, so dass diese
als disponirende Ursache angesehen werden mussen. Sie erscheint
regelmdssig nur innerhalb eines durch den Accent abgegren^ten Laut-
complexes (Wort oder durch Construction enger verbundene Sat^glieder) .
80 Die Natur jeder einzelnen Sprache bcstimmt die Grenzen, in-
nerhalb welcher die bedingenden Momente wirksam werden. 9o Die
Erweichnng selbst charakterisirt sich dadurch, dass sie der Intension
der articulirenden Muskelthatigkeit Abbruch thut.
— 223 —
ZOO eindigt Rousselot zijne inleiding der « Recherches de
phonétique expéri mentale sur la marche des évolutions
phonétiques daprès quelques dialectes-bas-allemands » (i).
In *t Rijnlandsch van Greifswald klonk at-u-ra-noch
(habt ihr deren noch) als ad-u-r^-noch. De kromme wijst
uit, dat de stembanden tusschen a en w in trilling zijn
gebleven. In op èmól (auf einmal) was de p ook voor
het grootste deel stemhebbend (t. a. p., blz. 787-88).
Hier zien wij dus onmiskenbaar, de inertie of de voor-
barigheid (waarschijnlijk beide) van de stemtrilling der
klinkers.
526. En nu de mondopening?
De sluiting der lippen bij de p van op (auf) en lópm
(laufen) is even onvolkomen als b. v. tijdens de m van
hetzelfde woord, terwijl b. v. de b in bereg een vol-
komen sluiting vertoont, a Le /? tend a devenir spirant.
De même, en poméranien Ie p et Vm de lópm ne sont
pas plus fermés que Ie v (t. a, p. blz. 781 en 788-89.)
Hier spreekt dus duidelijk althans de inertie der mond-
opening.
527. Men heeft zich misschien met verwondering af-
gevraagd, waarom wij hier in tegenstelling tot de vroegere
hoofdstukken B en C, m. a. w. inertie en voorbarigheid
niet afzonderlijk behandelen. Dit vindt zijn reden in de
moeilijkheid die wij hier al aanstonds bij het experimenteel
bewijs ontmoeten :
Meestal treedt de verweeking (in dezen term vatten we
mondopening en stemtrilling onder invloed van vooraf-
gaande of volgende vokalen samen) op, bij intervokalische
consonanten. Zeer dikwijls ook als alleen een vokaal voor-
afgaat. Tamelijk zelden als alleen een vokaal volgt.
(i) La Parole, 1899, blz. yCxy-ygi. Vergl. ook Rousselot : Modi-
flcaüons phonétiques, blz. 109-izo.
— 2^4 —
Hieruit meenen wij te mogen besluiten, dat de inertie
eigenlijk de voornaamste factor is, maar dat de anticipatie
toch ook in dezelfde richting werkt, evenwel met minder
energie.
528. Als wij de verschillende theoretische mogelijk-
heden waarin deze verweeking zal kunnen voorkomen
nagaan, vinden wij de volgende gevallen (i) :
lo p, t, k : b, d, g, invloed der stembandtrilling.
20 s, f, p, X : z, b, d, g, » » »
30 p, t, k : f, p, /, invloed der mondopening.
40 b, d, g : b, d, g, » » »
50 z, b, d, g : vokaalmore, » » »
Bij een aandachtige beschouwing dezer gevallen, doen
zich aanstonds nog eenige gecombineerde mogelijkheden
op, waarvan wij slechts de twee voornaamste noemen :
6° p, t, k : b, g, d, invloed van stembandtrilling en mond-
opening.
7** b, d, g : vocaalmore, » » » » »
N*" 6^ is een combinatie van i^ en 4° of van 3® en 2°.
Nr 70 » » » 40 en 5*^.
Welnu voor al deze theoretisch-mogelijke gevallen bieden
de Idg (en ook bijna alle niet-Idg.) talen, talrijke en on-
dubbelzinnige voorbeelden.
Dikwijls behandel ik met de vocalen ook de liquidae
en sonanten mee, daar zoo de overgangen en samenhang
van twee verwante verschijnselen het bestaan het licht komen.
Om plaatsruimte te sparen geef ik geene voorbeelden
van algemeen erkende overgangen, als daarvoor niet een
bizondere reden voorhanden is.
(1) Later zal blijken, dat deze gevallen nog allerlei tusschen-
stadiën toelaten. Onze opnoeming is dus alleen in zoover volledig,
dat ze alle mogelijke richtingen aangeeft, niet alle mogelijke rust-
punten.
— 225 —
529. i<> Tenues tot mediae. Armen, na nasalen en
liquidae (i). Ogr. dial. (Pamphyl.) (v)S uit vt. Ngr, na na-
salen (2). Albaneesch na nasalen. Pruis, k :g vóór stem-
hebbende H en r (3). Oer-italisch tusschen nasaal of vokaal
en vokaal of liquida. Oier. na nasalen. Idg, afwisseling
na nasalen of in ww. die althans elders een nasaal-infix
vertoonen. Nper:[, na vokalen, r en n (4). Ossetisch na
vokalen, r en h (5). Apabhramqa en andere prakrits na
vokalen, en althans t tot d na nasalen (6). Oeritalisch
na vokalen als de tenuis in Auslaut staat. Kymrisch na
vokalen. Nieuw-I er sch in leenwoorden na (lange) voka-
len (7). Romaansch (8) (behalve Rumeensch en Zuid-Ita-
liaansch) tusschen betoonde en onbetoonde vokalen of
tusschen vokaal en liquida (9). Oud-Deensch (i20o-i35o)
(i) A. Meillet : Esquisse dune grammaire comparée de VArménien
classique, Vienne, 1903, § 11.
(2) A. Thumb : Handbtich der neugriechischen Volkssprache, Strass-
burg, 1895, § i5.
(3) H. HiRT : Zur Betonung des Preussischen, IF. 18, 1899, blz. 37.
(4) H. HÜBSCHMANN : Pcrsische Studiën, Strassburg, 1895^ blz. 188
vlgd., 237 vlgd., 175 vlgd.
(5) H. HÜBSCHMANN : Etymologie und Lautlehre der OsseUschen
Sprache, Strassburg, 1887, blz. 93. 97, 98.
(6) R. PiscHEL : Grammatik der Prakrit-Sprachen, Strassburg,
1900, § 192, 198, 202, 204, 275.
(7) L. Chr. Stern : Tec, tegach, teckaf, tecket. Zeitschr. f. cel-
tische Philologie, III, 1901, blz. 148.
(8) RoussELOT : Changements phonétiques, t. a. p., blz. 278 vlgd.
(9) Wij deden in de lijst onzer theoretische gevallen (nr 528) juist
of de overgdiiig van tenuis tot media niets anders was dan invloed
der stembandtrilling. Dit is natuurlijk wel het gewone en voornaamste,
maar niet het eenige, daar, gelijk uit onze voorafgaande bemer-
kingen reeds bleek, dan de mediae toch ook altijd een minder ener-
gieke mondsluiting hebben dan de tenues, en hier dus ook invloed
der mondopening mogelijk moet zijn. Dit zien wij nu duidelijk in
het midden-Italiaansch : na zoogenaamd gesloten vokalen is de lat.
tenuis gebleven; na de meest-open a is zij tot media verweekt;
15
— 226 —
intervokalisch en in Auslaut na vokaal (i). Indoger^
maanschy intervokalisch, zoogenaamd « in Wurzelauslaut » .
Zoowel in het Oind. als in het Armenisch . Grieksch
en Italisch, om van het Keltisch en Germaansch (waar-
over later) nu maar te zwijgen, ontmoeten we sporadisch
dergelijke verschijnselen. Laat men de Oud-Indische voor-
beelden aan de volkstaal wijten, goed, maar moet die
altijd jonger, onoorspronkelijker zijn, dan de Veda? In
het Armenisch vinden wij *auti : awdi (Genetief) ; het
demonstratief ayd, -d, gaat zeker op een Idg. / terug.
In het Grieksch tracht men natuurlijk ook alles afzon-
derlijk te verklaren; maar het wordt gewoonlijk niet op-
gemerkt, dat naast oexa8oc nog een heele kategorie moet
meetellen : de nomina agentis op -a;, -aoo<;. Blijkens oind.
bharatas : lat. ferentis tegenover cpspovToc en got. bairan-
dins, had deze formatie Ablaut in het suffix : naast Ace.
♦bhugónto stond een Genetief *bhugiTLtós. Welnu, hieraan
beantwoorden gr. ^puYovta, en *<puYaTo<; : (p-jyaoo;, en nu ont-
wikkelden beiden verder een zelfstandig paradigma. Voor
het Italisch denken wij buiten de aangehaalde voorbeel-
den, nog aan lat. vicesimus : vigesimus, viginti, sucus :
sugo, verder vooral aan de -d, van het Neutrum Sing.
en den Instrum. (2), maar toch het meest aan de fre-
quente Oskisch-Umbrische verwisselingen, die er Conway
zelfs toe brachten de mediae voor stemlooze lenes aan
te zien.
530. 2» Scherpe spiranten tot zachte spiranten.
Voor de intervocalische s die tot jf en dan dikwijls tot r
wordt, zijn de voorbeelden te veelvuldig en bekend, dan
lat caecum : cieco, maar lat. acum : ago ; lat. petram : pietra, maar
lat. patrem : padre. Cf. Passy : Changements phonétiques , t.a. p., § 396.
(i) A. Noreen : Geschichte der Nordischen Sprachen. Pauls Gi-un-
driss I«, § 180-182.
(2; A. Bezzbnbergbr : Idg. tenuis im Auslaut, BB., XIV, 1888.
— 227 —
dat ik er hier eene bloemlezing van zou trachten op te
maken. Keltisch passim intervokalisch. Portg. en Spaansch
intervokalische f tot b. Skandinavisch na vokalen, / en r.
Oud'Saksisch u in stemhebbende omgeving ». Angelsak-
sisch eveneens, maar hier is de klaarblijkelijkheid door
de slordige schrijfwijze verduisterd. Middelhoogduitsch « in
stemhebbende omgeving » ƒ tot v. Ossetisch o zwischen
tönenden » (i). Afghaansch intervokalisch. En Gray (2) zegt
in het algemeen zelfs : « In the Iranian dialects a voiceless
intervocalic consonant regularly becomes voiced ».
531. 3^ Tenues tot scherpe spiranten (de aspiraten
vormen den overgang). Oud-Iersch na vokalen. Latijn
« in stemhebbende omgeving » tot aspiraten, (later, min-
stens de ph ook tot f) (3). : gr. : dtyxupa : lat. anchora;
sepulcrum : sepulchrum; lacrima : lachrima; Cartago :
Karthago; Cetegus ; Cethegus; centurio : centhurio; sulpur :
sulphur : sulfur; gr. xoXtto? : laat-latijn colfus; Trophime :
Trofime, enz. Nieuw-Iersch-Engelsch intervokalisch : ma-
king : mei'^ing; eating : eaping; blacking : bla/ing. Neder-
duitsche dialecten eveneens gelijk wij leerden van Rousse-
LOT : zie n^ 525-26. Nederlandsch tusschen vokalen en 1 :
Kiliaen : bokel : nnl. bochel; nijpen : 17^ eeuwsch nijfelen(4).
Grieksch tusschen vokalen en nasalen eerst tot aspiraten,
later tot spiranten : hom. XiTra (oind. limpdti) : <i7.£t'fü>,
ion. lesb. dor. Sixoixat : att. S^^^ofxai, hom. xÉxoira : att. xixo'^a,
(geen loutere analogie cf. oind. su§vapa = jav. hus/vafa),
xoXox'jvtV) : xoXoxuvOtj ; TcefxireXoi; ; SOa-TriiJLcpsXoi;, lit. per.-leiikis :
(i) WsEwoLOD MiLLBR : £)ie Sprackc der Osseten, Strassburg 1903,
§ 23, 5; § 29, 2; § 37, 4.
(2) Louis H. Gray : Indo-Iranian Phonology, New-York, 1902,
blz. 48.
(3) F. Sommer : Handbuch der Lateinischcn Laut- und Formenlehre,
Heidelberg, 1902, § i5g.
(4) W. V. Helten : Iets over de aspiratie in het Nederlandsch,
Taal- en letterbode, 1873, blz. 296.
— 228 —
B^' ^*YX*^^> S^* ^^^'^ • a>ta/.|X£vo;, gr. iSaTr^vtjc : i^abvrj^ (i).
Armenisch inlautend na liquidae, nasalen en intervoka-
lisch (2). Arisch intervokalisch en na liquidae en nasa-
len : gr. TtXatuc : oind. prthü§, av. par90u§, gr. ttovtoc :
oind. pdnthas : av. pa6-, lat rota : oind. rathas : av. raOo.
Oud-Iraansch werden de tenues aspiratae en eenige tenues
na vokalen tot stemlooze spiranten : g.av. sta : )^§ayaOa;
oind. sékha : av. lia^a, oind. 9aphé.s : av. safa; oind.
asmikam : operz. amayam : oss. ma/, oind yu§mikam :
oss. smay, oind. tdkati ; oss. ta/un, oind. su§vapa : jav.
huSyvafa. Noord-Balü^i na vokalen (3) : zuid-bal. kapag :
noord-bal. khafay, zbal. suc5og : nbal. suSay, zbal. data :
nbal. daöa, zbal. gwat : nbal. gwaO of gwas, zbal. dap :
nbal. daf, zbal. rëk : nbal. rêy.
532. 4<> Mediae worden tot zachte spiranten (de
mediae aspiratae vormen den overgang). Oer-keltisch na
vokalen (4). Latijn (100 na Chr.) intervokalisch b en g :
incomparabili : incomparavili ; triginti : trienta ; quibus :
quivus; jubente : juvente. Romaansch her en der inter-
vokalisch (d : dh : d : r ; g : g : y) : lat. fabam : it. prov.
fava, fra. fève; lat. mutum : ofra. mudho; lat. credere :
Montferrat krairir; lat. rugam : oraet. ruye; lat. legat :
ofra. leie. [Middelhoogduitsch na vokalen en liquidae :
gëben rijmt op lêwen; Wolvolderode : hess. Wolvolderore,
age : pfalz. age). Albaneesch intervokalisch en na r : d
(i) Voor deze gevallen sluit ik mij in het algemeen bij Brugmann
aan, die de verklaring door een in h overgegane s niet voor alle
voorbeelden kan aanvaarden.
(2) Meillet : Grammaire comparée de l'Arménien classiquey t. a. p.,
§ 10; ScHEFTELOWiTz : Zw altarmenischen Lautgeschichtc, BB. 28,
blz. 382 vlgd., 29, blz. i3 vlgd. Ook reeds Hübschmann natuurlijk.
(3) W. Geiger : Dialekspaltung im Balücï. Sitzungsber. d.
k. bayr. Ak. d. Wiss. phil-hist. Cl. 1889. Bnd i, blz. 75 vlgd.
(4) HoLGER Pedersen '. Aspirationcu i Irsk, en sproghisto-
risk undersj^gelse, forste del, Leipzig, 1897, blz. 171-172.
— 229 —
tot d. Armenisch na vokalen b, ), j tot v, 2, z : vgl. har-b
met bani-v; in-j met khe-z; ^er met 12, i^i (i). Prakrit
intervokalisch b : v, kalebaras : kalevaras; kabaras : ka-
valas (2). Beide voorbeelden komen ook in het Oud-Indisch
reeds voor, en nog in veel andere gevallen trefifen wij
hier een sporadische wisseling tusschen b en v ; maar de
eenige regel, dien Wackernagel (3) heeft kunnen ontdek-
ken, is : dat de vormen der werkwoorden bfh- en vj-h-
dan alleen werden verward, wanneer de Anlaut tusschen
vokalen stond» Dat hier de vokalen (en liquidae?) wel
altijd de induceerende factor zullen geweest zijn blijkt ten
duidelijkste uit de verwante Oud-Perzische gevallen. Oer-
Iraanschy na vokalen, alle mediae aspiratae en spoedig
daarna ook de mediae. Noord- Baiuci na vokalen (4) :
zbal. Södag : nbal. Suday, zbal. janaga : nbal. janaya,
zbal. pad ; nbal. phaS, zbal. wab : nbal. whaw.
533. 50 Zachte spiranten worden tot vokaalmore.
Voor ;f is het geval bekend genoeg evenals voor de nasalen
en liquidae. Ik bepaal mij dus tot b, d, g, Oud-Iersch
na vokalen, vóór liquidae en nasalen : nkymr. niwl : nël,
gall. Bracagnos : Broccan, oind. jajné : okelt. *gegnar :
ro-gênar, *tlagm : tlam; *^egno : fën. Laat-latijn gm :
um, fragmentum : fraumentum, pegma : peuma, pigmen-
tum : oit. piumento, mlat. sagma : sauma, ags. seam, ohd.
soum en onder invloed daarvan got. bagms : ags. beam,
ohd. boum. Skandinavisch na vokalen : got. mag : *mag :
on ma; got. mapl. : *madl : mdl. gh na ^ gaat in Schonen
tot i in Seeland tot u over; schon. h^i ; seel. h^u (hoog)
enz. Angelsaksisch g in frignan : frinan, enz. Neder-
landsch : zegde : zeide, gezegd : gezeid. Romaansch her
en der intervokalisch : lat. plagam : Engad. pleya, fra.
(i) Meillet, t. a. p., § 8.
(2) PiscHEL, t. a. p., § 201.
(3) Altind. Gramm., I, § 161.
(4) Geiger : Dialektspaltung, t. a. p.
23o
plaie; lat. cretam : ofra. crara : nfr. craye. Nieuw -Ir aansch,
passim na vokalen : np. lab. lau, np. ab : au, np.
mada : maya, np. bad : vai.
534. Welnu al deze veranderingen komen ook buiten
de woordgrens in de constructie voor.
Ik noem hier niet al de voorbeelden van Oud-Indische
en Oud-Iraansche sandhi, die elk voor zich onder de
genoemde of niet genoemde groepen kan thuisbrengen.
Alleen wijs ik erop dat de klassieke Sanskrit-gramma -
tica ons heel weinig helpen kan bij het opsporen der con-
structies, omdat de Indische sandhi door kunstmatige
ontwikkeling tot een kweekplant, tot een sierbloem is gewor-
den. Dat blijkt duidelijk uit de veda. Dat hier niet gelijk
later zoo maar alles-en-nog-wat met sandhi aan elkander
werd gelijmd, maar syntactische samenhang voor de ver-
binding der woorden gevorderd werd, hebben Benfey,
Oldenberg en Bartholomae reeds bewezen (i) Maar ook
in 't Pali en de Prakrits wordt de sandhi weer aan-
stonds tot hare natuurlijke functies beperkt : « In Sandhi
stehen nur Wörter, die der Construction nach oder sonstwie
in der Gliederung des Satzes enger zusammengehören :
Substantiv und attributives Adjectiv, Pronomen und Sub-
stantiv, Verbal form und der dazu gehörige Casus, besonders
das ihr vorausgehende Object, die Negation und das ne-
girte Verb, bei Vergleichen das verglichene Wort und die
Vergleichungspartikel iva; ebenso schlsessen sich die Par-
tikel ca und das hervorhebende eva eng an das vorher-
gehende Wort an, bisweilen auch ein Adverb an die
folgende Verbalform u. a. m. » (2).
(i) Zie een korte samenvatting der uitgebreide literatuur hier-
omtrent bij Wackernagel : Altindische Grammatik. I, t. a. p., blz.
3o6 vlgd.
(2) WiNDiscH : Ueber die Sandhiconsonanten des Pali, Ber. d. Sachs.
G. d. W., 1893, blz. 228. Voor de Prakrits zie Pischel, t. a. p.,
§ 169 vlgd. en § 353.
— 23l -
Waar secundaire eenheden uit meerdere woorden be-
staan, is er overal Sandhi. De Grieksche en Latijnsche
inscripties wemelen er van. In alle moderne talen komt
ze voor. Maar onder al de Indogermaansche talen is zij
wel nergens zoo duidelijk en sprekend als in de ge-
schiedenis van de Keltische idiomen. Reeds J.C. Zeuss (i)
gaf in i853 al de constructies aan, waarin ze voorkomt;
en deze uitvoerige lijst is opnieuw een heerlijke bevestiging
der hoofdstelling van dit tweede deel. Weldra zullen wij
het ondernemen uit deze Keltische sandhi, veel, zeer veel
te concludeeren. Maar hier eerst eenige voorbeelden van
wijd en zijd.
536. 10 Nederlandsche en Nederduitsche dialecten b. v.
Leuvensch : ge gïit : ge güd af (ge gaat af). Oudiersch :
innan tuath : inna duath, innan eert : inna gert. Bretonsch :
kein : he gein, teod : he deod, pen : he ben, he (= zijn) =
*esio (2). Logudoro : sas cosas : una gosa, sos poveros : su
boveru, sos tempos : su dempu (3). Latijn : oind. jravasydm :
-gloria. Ossetisch : jav. enclitisch tü : du (« ^ im Satz
nach Sonoren » Bartholomae). Armenisch : Idg. tu : du.
Prakrit : Oind tu : du. Nieuw -P er :{isch : Pamir dial.
mu pucik : mu bucik; a pic : a bic. Yaghnöbi it wiara :
ïd wiara, rat aSavar : rad aSavar. Oudhoogduitsch : Notker's
canon (p t k : b d g).
536. 2® Neder duitsch(/\) : der brief ist da : da braevis
(i) Grammatica celtica, Lipsiae i853, I, blz. 191-228.
(2) H. d'Arbois de Jubainville : Éléments de la Grammaire cel-
tique. Paris, 1903, blz 79-80.
(3) H. ScHUCHARDT : Phonétique comparée, Romania III, 1874,
blz. 10, een fundamenteel artikel, waarvan de resultaten door de Ro-
man isten oogenschijnlijk zijn verwaarloosd. Vergelijk nog het materiaal,
niet de onwetenschappelijke tirades van Prince Louis Bonaparte :
Initial mtttations in the living celtic, basqiie, sardinian and italian dialects,
Transactions of the philolog. Soc. London, 1882-84, blz. i55-202.
C4) F. HoLTHAUSEN : Die Soester Mundart, Norden-Leipzig, 1886,
blz. 49.
— 232 —
ta ; mach ich : mag ik; hals ab : halz af. Nederlandsch (i) :
gaf ik : gav ik maar gaf (h)i : gaffie; las ik : laz ik maar
las (h)i : lassie; als ik : alz ik maar als (h)i : assie.
Middelengelsch (2) : peos fondunges : ilke vondung ; pet
fifte : pe vifte. Oudhoogduitsch : Notker's canon (f : v).
Fransch : neuf heures : neuv-eur; dix heures : diz eur.
Florentijnsch : divien celebre : uomo Selebre ; gran gelo :
molto zelo.
537. 3® Oud-Iersch : lat. ö care : a chara; lat. duo
cari : da charit; *do tol : do thol. Kymrisch : calon : ei
chalon, troed : ei throed, pen : ei fen. Florentijnsch (3)
« gorgia fiorentina » : il cavallo : questo yavallo ; in croce :
la yxocQ\ parti contento : sono yontento. Avestisch : gr.
EUTratpic : jav. huf^drïs. Oudindisch : 9raddhd : suhfd-.
538. 4® lersch oud en nieuw gelijk algemeen bekend
is. Bretonsch : breac'h : he vreac'h, dourn : he zourn,
gar : he c'har, sae : e zae. Latijn : gr. Mp ' lat. lëvir;
olat. dingua : lat. lingua; olat. dacruma : lat. lacruma;
olat. dautia : lat. lautia. Vergl. *mados : malus; odor :
olëre ; sedêre : solium ; pedes : peres ; madidus : maridus ;
*medidies : meridies; 'Aodcpeiov : 'AXapeiov (4).
639. Tot nog toe zagen wij alleen de inertie en an-
ticipatie van het medeklinker-accent werkend op de on-
middellijk-nabije omgeving. Ook hier evenwel komen al-
( 1 ) A. CoHEN Stu ART : Ecnc bijdrage tot de Nederlandsche uitspraak-
leer. Taal- en Letterbode, III, 1872, blz. 298 vlgd.j W. L. v. Helten :
Over de verscherpte uitspraak van i(achte, en de ver^^achte uitspraak
van scherpe stomme consonanten in het normale Nederlandsch, Taal
en Letteren, V, iSgS, blz. 229 vlgd.; Tii. Colinet : Lewv^nsc/re By-
dragen, I, 1896, blz. iii vlgd.; L. Goemans ; Leuvensche Bijdragen, II,
1897, blz. 112 vgld. ; W. V. Schothorst ; Het dialect der Noord-West-
Veluwe, Utrecht, 1904, blz. 71.
(2) JESPERSEN : Studier over engl, Kasus, 1891, blz. 173 vlgd.
(3) ScHUCHARDT : Phonétique comparée, t. a. p., blz. 21 vlgd.
(4) Archiv f. lat. Lexicogr. XIV, igoS, blz. 284.
— 233 —
thans bij de inertie gevallen voor, waar een klinker ge-
volg en oorzaak scheidt.
Het is toch duidelijk, dat alle oorspronkelijk gedeelte-
lijke reduplicatie aan inertie van den meest- energieken
klank (i) is te w^ijten. Nu is het zeker onloochenbaar,
dat in den loop der taalgeschiedenis her en der gedeel-
telijke en verminkte herhalingen door differentieering uit
volle herhalingen zijn ontstaan; maar daaruit volgt vol-
strekt niet, dat de Idg. reduplicatie oorspronkelijk altijd
een volle herhaling geweest is. Te meer daar wij ook
in nieuwere talen zulke reduplicaties nog voortdurend
zien ontstaan als bébête, fifille, enz. (2).
Voor de verdere motiveering dezer inertie in de redu-
plicaties moet ik naar ons hoofdstuk over de semasio-
logie verwijzen.
540. D. Ook de contaminatie heeft krachtig op het
articulatie-accent ingewerkt.
Om nu maar bij het Keltisch te blijven begrijpen wij
dat het object of een noodzakelijke bepaling na een ver-
haalvorm met klinker in Auslaut de zoogenaamde aspiratie
kreeg. Dat is heel regelmatige psychische inertie.
Maar wat er van te zeggen als reeds in den codex
van Sankt-Gallen (oier.) het geaspireerde object van het
werkwoord door het subject gescheiden is; en toch altijd
aspireert, ook al ging het er-tusschen-staande subject niet
op een klinker uit? Wat er van te zeggen als langza-
merhand ook na niet-op-vokaal-auslautende-verbaal vormen,
het object en de bepaling tóch aspiratie vertoonden; ja,
als ten slotte in het nieuwe lersch de aspiratie in al
dergelijke bepalingen en objecten tot vasten regel werd,
waar of hoe ze ook stonden (3) ?
(1) Meringer-Mayer : Versprechen und Verlesen, Stuttgart, 1895,
blz. 160 vlgd.
(2) HuLTENBERG, t. a. p., blz, 24, 25 en 48.
(3) HoLGER Pedersen : Die aspiration im Irischen. KZ. 35, 1897,
blz. 3i5 vlgd., § 16-22.
— 234 —
Niets anders dan dit. Aan het eigenaardig phaenomeen,
dat wij boven als overgang tusschen absolute en relatieve
beaming karakteriseerden (n" 94-95) is doordat de over-
groote meerderheid der verhaalvormen op vokalen uit-
gingen, de aspiratie vast geassocieerd gaan vi^orden; en
zoo trad deze langzamerhand overal op, waar dit eigen-
aardig phaenomeen zich vertoonde.
Bij HoLGER Pedersen t. a. p. kan men nog tallooze
andere voorbeelden van verdwaalde aspiratie naslaan. Hier
herinner ik nog slechts aan de aspiratie na alle voorto-
nige praeposities (§ 44), het optreden der eclipse-n als
relatief-n (§ 73-75), de Genetief van eigennamen en andere
substantiva, het tweede volgende adjectief na een aspireerend
substantief (§ 95) enz.
M. a. w. gelijk Boller al opmerkte, « Indem diese
Gesetze mit gewissen grammatischen Bildungen in ursach-
lichem Zusammenhange stehen, gewinnen sie eine secun-
dare begriffliche Geltung die ihnen vom Hause aus fremd
ist », t. a. p., blz. 20 3. Zoo ten slotte verliezen de decla-
maties van Prince Lucien -Bonaparte (Initial mutations)
tegen HuGO Schuchardt tot het laatste schijntje van
redelijkheid ; daar hiermede zoowel de opkomst als de
uitbreiding der verweeking psychologisch volkomen zijn
gerechtvaardigd.
541. E. En nu weer de samenwerking al dezer krach-
ten in het vers.
De alliteratie natuurlijk in de eerste plaats.
Maar niet slechts de bekende tamelijk eenvoudige oud-
Germaansche allitteratie; neen vooral de nieuw-Keltische
speciaal Kymrische metriek getuigt het duidelijkst, hoe ook
weer hier differentiatie en inertie moeten samengaan om
een harmonie te zijn voor onze zinnen. Eenige voorbeel-
den van cynghanedd met cursiveering der rijmende klan-
ken zal duidelijker spreken dan een lange beschrijving :
— 235 —
teg edrych \ /ua^ arfref. ca/iwn gerdd || pe | cawn un
gair. bygv/th || y maer gloe\v | bigan, saer nid óes | ewiaur
un dyn. penllad \\ ar bob | pennill öedd. fynwes gwkwd \
fy nysg ydoedd (i).
Maar verder ook weer de kinder- en volksrijmen. In
n' 469 hebben wij alleen op de vokaalkleur gelet. Nu noo-
dig ik mijn lezer uit er nog eens eenige over te lezen met
het oog op de differentiatie, inertie en anticipatie der
articulatie, en dan merkt men weder veel nieuws en
treffende eigenaardigheden (2). Die halfbewuste volks- en
kinderkunst levert den psycholoog overvloedig en vrucht-
baar materiaal.
542. Als typische eigenaardigheden der articulatie
eindelijk zou ik nu ten eerste nog dieper moeten na-
gaan wat ik in mijn eerste deel in de noten op blz.
i83 en 222 heb aangestipt ; verder zou ik er met
WuNDT (3) op kunnen wijzen, dat b. v. de naam der
tong in de meeste talen culmineert in een dentaal of
linguaal; dat de woorden voor mond bijna altijd een m
vertoonen, en die voor bladen een labiaal; ook is het
onbetwistbaar waar, dat de « onmiddellij ke-ikheidsgevoelens »
een voorliefde hebben voor de gutturalen, de « gevoelens-
voor-de-objecten-bij-ons » graag dentalen gebruiken (/, 5),
en ten slotte de « gevoelens-voor-herinneringen-en-subjec-
tieve dingen » meestal een nasaal m oi n verkiezen (4). Maar
(i) Zie hiervoor niet M. Loth : La métrique galloise, I, Paris,
1900 (een boek, dat voor de laatste eeuwen volstrekt onvertrouwbaar
is), maar wel : J. Morris Jones : Welsh Versification, Zeitschr. f.
eelt. Philblogie, IV, 1903, blz. 106-143.
(2) Met het oog hierop vergelijke men vooral G. Verriest : Over
de grondslagen van het rythmisch woord, t. a. p., blz. 17-22.
(3) Die Sprache, I, blz. 324-25.
(4) Zie veel materiaal bij R. de la Grasserie : De Vorigine et
de Vévolution première des racines des langues, Paris. iSgS, blz.
17 vlgd.
— 236 —
al deze dingen zijn voorloopig nog niet grondig dieper te be
handelen, en op slot van rekening voor de taalgeschiedenis
van weinig gewicht. Des te meer belangstelling heeft men
altijd aan de klankverschuivingen betbond, en de vraag
of die misschien ook uit het articulatie-accent te verkla-
ren zouden zijn, dient althans te worden gesteld. Om
hier echter het antwoord op te geven, zullen wij her en
der al de andere accent- verschijnselen moeten in aanmer-
king nemen, en daarom beginnen wij voor dit betoog
het best een nieuw hoofdstuk, dat dan als een proeve
der beloofde combinatie (blz. 49) onze algemeene histo-
rische klankleer kan besluiten.
De klank wetten (i).
543. Wij hebben in deze « Grondbeginselen » al ver-
schillende psychologische taalwetten trachten te bewijzen.
Zoo in ons derde hoofdstuk, toen wij aantoonden, dat
zich overal en altijd, waar de condities gunstig waren,
twee verschillende taalvormen ontwikkelden voor de ab-
(i) Van de zeer uitgebreide literatuur over de theorie der klank-
wetten citeer ik alleen het beste èn het nieuwste .- N. Kruszbwski :
Ueber die Lautabwechshtng , Kasan, 1881; H. Schuchardt : Ue^er
die Lautgeset!(e, Berlin, i885 ; P. Passy : Étude sur les change-
ments phonétiques et leurs caracteres généraux. Paris, i8go; L'abbé
RoussELOT : Les modifications phonétiques du langage. Paris, 1891-93 ;
J. Baudouin de Courtenay : Versuch einer Theorie phonetischer
Alternationen, ein Capiteï aus der Psychophonetik, Strassburg, 1895 ;
Hermann Paul : Prini^ipien der Sprachgeschichte^, Halle a. S., 1898,
Kap. I, II, III; E. Wechssler : Giebt es Lautgeset^e, Halle a. S.,
1900 ; W. WuNDT : Die Sprache, I, Leipzig, 1900. Cap. IV; H. Oertbl :
Lecttires on the Study of Language, New-York-London, 1901; B. Del-
BRÜCK : Das Wesen der Lautgeset:(e, Annalen der Naturphilosophie, I,
1902, blz. 277-309: J. Vendryes : Réjlexions sur les lois phonétiques,
Mélanges Meillet, Paris 1902, blz. ii5 vlgd. ; P. de Reul : De klank-
wetten, Taal en Letteren, i3, 1903, blz. 333-357; H. Schuchardt :
— 2^7 —
solute en de relatieve beaming, twee voor de realiteits-
en potentialiteitsbeaming, twee voor de aanduidende en
de teekenende beaming.
In ons vierde hoofdstuk hebben wij trachten te insi-
nueeren, dat zich overal en altijd weer het streven ver-
openbaart, om van de gevoelswoorden beamingswoorden te
vormen door te beamen ofte reflecteeren op het gevoel (i).
De vier beginselen van psychologisch automatisme zijn
alle van denzelfden aard maar nog algemeener. Zij werken
overal en altijd, als de omstandigheden het gedoogen,
544. Dit zijn dus natuurwetten. Evenals de natuur-
wet van de zwaartekracht in het wereldsch physieke, evenals
de natuurwet van de voortplanting in het biologische,
zoo zijn dit natuurwetten der menschelijke psyche; want
ipsas naturales inclinationes rerum in proprios fines di-
cimus esse leges naturales.
En nu geef ik graag alle termen dezer definitie prijs,
als er maar in blijft staan, dat : gegeven de vereischte
omstandigheden een wezen van dien aard (physiek, bio-
logisch of psychisch) volgens die bepaalde norma uit
zich zelf handelen moet overal en altijd, en niet anders kan,
ponder eenige uitzondering.
545. Een psychologische taalwet is dus een tendenz,
een streven van een of meerdere gecombineerde psychi-
sche krachten; om, een zeker taalfeit, of een groep van
Zeitschr. f. roman. Philol., 25, blz. 244 vlgd., 253 vlgd. ; Eugen
Hbrzog : Streitfragen der Romanischen Philologie, Erstes Bdndchen,
Die Lautgeset:(/rage, Halle a. S. 1904; Karl Vosslek : Positivismus
und Idealismus in der Sprachwissenschaft, Heidelberg. 1904; A. Meil-
LET ; Quelques recherches de linguistique, L'année psychologique, 1905,
blz. 462 vlgd.
(i) Of deze twee wetten primaire verschijnselen, dan wel of zij
misschien slechts bizondere gevallen van de algemeenere differen-
tiatiewet zijn, is eene vraag, die wij in het hoofdstuk over de sema-
siologie zullen onderzoeken.
— 238 —
parallelle taalfeiten, in een bepaalde richting te veranderen;
waaraan gevolg wordt gegeven ten allen tijde, te aller
plaatse en telkens weer opnieuw mits de vereischte om-
standigheden aanwezig zijn.
Zoo worden b. v. twee identieke klanken in dezelfde
constructie, als ze beide in alle opzichten de allermeeste
energie hebben, volstrekt zeker gedifferentieerd; even zeker
als een steen in de lucht, die door geen enkele kracht
weerhouden wordt, op de aarde neer zal vallen.
546. Maar zijn nu de historische klankwetten van
denzelfden aard? Neen, volstrekt neen. Want wat is een
klankwet, wat is een Lautgesetz?
Niets anders dan een groep parallelle feiten van klank-
verandering in één bepaald tijdperk, in één bepaald milieu,
één enkelen keer afgespeeld, of meer psychologisch uit-
gedrukt : Het gevolg-geven aan een tendenz van een
of meer gecombineerde psychische krachten, om een zeker
taalfeit, of een groep van parallelle taalfeiten, in een be-
paalde richting te veranderen, in één bepaald tijdperk,
in één bepaald milieu, één enkelen keer.
Zoo werd b. v. de Grieksche a in het Ionisch- Attisch
tot een tj (één taalfeit) ; zoo werden de Idg. tenues in
het Germaansch tot spiranten (een groep van parallelle
taalfeiten).
547. Maar is nu zoo'n klankregel dan eigenlijk wel
een wet ? Dat ligt aan de definitie, die men van den term
ufet belieft te geven en is dus een woorden kwestie. Maar
dit is zeker : natuurwetten volgens on\e definitie \ijn het
niet. Volstrekt niet. Want onze taalpsychologische natuur-
wetten verhouden zich tot de « Lautgesetze » juist als de
wet der zwaartekracht zich verhoudt tot één regenbui.
Want ook in een regenbui hebben wij een ontelbare hoe-
veelheid droppels, die volgens de wet der zwaartekracht
naar beneden vallen. Zoo bevatten de klankwetten, gelijk
wij in de opnoeming onzer voorbeelden zagen en verderop
— 239 —
nog beter zullen zien, een ontelbaar getal feiten, die
verschuiven ónder den drang van één of meer onzer psy-
chische taalwetten.
548. Delbrück heeft in de laatste uitgave zijner « Ein-
leitung » een merkwaardige gedachte ontwikkeld, op wier
belang Kluyver in het Museum reeds heeft gewezen : de
« bedingter Lautwandel » zou bij de vordering der taalweten-
schap meer en meer den « unbedingten » terugdringen (i).
Ik ga nu al verder, en houd « unbedingte Lautgesetze »
voor onmogelijk.
549. M, a. w. ik sluit mij ten eerste volkomen aan bij
WuNDT — die trouwens in julke shaken bij de linguisten
heel wat meer geloof verdiend had, — als hij zegt : dass
generelle, nach denselben Gesetzen in allgemeingültiger
Form wiederkehrende Erscheinungen, in den zufalligen
Versprechen oder sogar in dem willkürlichen Einfall eines
Einzelnen ihre Quelle batten, das halte ich nicht nur für
unerwiesen, sondern auch für durchaus unwahrschein-
lich» (2).
Of is er om den regen te verklaren geen wet der zwaarte-
kracht noodig ! Dan kan men — om op een meer verwant
gebied te blijven — met hetzelfde recht onze moreele begrip-
pen op een toeval of een willekeurigen inval van een gezag-
hebbenden zedemeester terugvoeren ! Zeker, ook zij zijn
overal verder uitgebreid en preciezer gesystematiseerd door
de overlevering van een Goddelijke openbaring; maar in
den grond der dingen rusten zij toch op de dwingendste
consequentie onzer menschelijke natuur zelve.
En zoo met alles. Als wij toch gaan ontkennen, dat
aan zóó algemeene, en herhaaldelijk optredende verschijn-
selen, natuurlijke oorzaken ten gronde liggen, dan houdt
(i) B. Delbrück ; Einleitungin das Studium der Indogermanischen
Sprache^, Leipzig, 1904, blz. 174.
(2) W. WuNDT : Sprachgeschichte und Sprachpsychologie; Leipzig,
1901, blz. 61.
— 240 —
alle wetenschap daaromtrent op. Wat zouden we dan nog
oorzaken zoeken als het gezochte een louter toeval wezen kan ?
Neen, de schrijver der « Prinzipien der Sprachgeschichte »
om alleen den meester te noemen, had in zijn hoofdstuk
over de klankwetten openhartig moeten verklaren, dat ons
tot dusverre de natuurlijke oorzaak hiervan ontging, liever
dan ten slotte een uitleg te geven die een noodlottig conflict
uitlokt met de Prinzipien van alle wetenschap.
550. En ten tweede, stem ik dus in met Herzog en
Vendrves, (vergl. ook Meillet t. a. p.) als zij zeggen :
Ich betrachte namlich jede mechanische Lautentwicklung
als eine spezielle Wirkung von Vorgangen, die ihre Gründe
in Naturgesetzen haben (i). Tont changement phonétique
peut donc être considéré comme du a Taction de forces
intimes et secrètes, auxquelles convient assez bien Ie nom
de tendances. Ce sont ces tendances, qui modifient sans
cesse la structure du langage, et Tévolution de chaque
idiome résulte en dernière analyse d'un jeu perpétuel de
tendances (2).
En ik ga weer verder, en meen die forces intimes et
secrètes^ die tendances reeds te hebben in het licht gesteld.
Want ja ik zeids het reeds, zoo is mijn innige over-
tuiging :
Alle klankwetten vinden hun laatste en volledige
verklaring in de gecombineerde werking onzer be-
ginselen van psychologisch automatisme op al de
kwaliteiten van het menscheiyk taalgeluid; m. a. w.
op onze v^f soorten van accent.
551. Daarvan zal ik één voorbeeld tot in bizonder-
heden uitwerken : de Germaansche klankverschuiving.
Hiertoe moeten wij het evenwel wat hooger ophalen
en met de Kelten beginnen.
(i) E. Herzog : Die Lautgeset:^frage, t. a. p., blz. 81.
(2) J. Vendrybs : Réjlexiotis sur les loisphonétiqucs, t. a. p., blz. 120.
— 241 —
552. Aangezien de latijnsche leenwoorden, in het Oud-
lersch evenals de inheemsche de zoogenaamde aspiratie )i)
vertoonden, heeft men lang gemeend, dat dit verschijnsel
in S['n geheel dus jonger was dan de aanraking van het
lersch met het Latijn.
Op verschillende gronden heeft Holger Pedersen deze
conclusie betwist. En terecht. Alleen geeft bij mij een
heel ander argument den doorslag dan bij hem. Nu wij
toch eenmaal de psychische inertiewet kennen, en de talrijke
toepassingen ervan in de heele geschiedenis der Keltische
taalontwikkeling voortdurend hebben zien terugkeeren, be-
seffen wij dat de Oud-Iersche aspiratie, en nasale mutatie,
en de Brittannische vokale mutatie geen klankwetten zijn
in den gebruikelijken zin van het woord (werkend in één
bepaald tijdperk, in één milieu, één enkelen keer) maar
een serie van klankwetten, of nog liever een blijvende
tendenz van vokaal-inertie in de constructie, die werkt nu
eens sterker, dan eens zwakker, maar voortdurend, altijd,
zoolang de Kelten Kelten zijn; m. a. w. de vereischte om-
standigheden, waaronder zich de inertie der vokalen en
nasalen aan de consonanten deed gevoelen, blijven daar
voortdurend in min-of-meer overvloedige mate aanwezig.
Dus bewijzen de geaspireerde en gemuteerde Latijnsche-
leenwoorden volstrekt niet, dat de mutatie en aspiratie
der inheemsche woorden niet ouder kunnen zijn dan zij.
Zij bewijzen alleen, dat de aspiratie en mutatie óók nog
hebhen gewerkt in lateren tijd, wat trouwens al bleek uit de
zoogenaamde « Brittannische consonantische mutatie », en
de aspiraties der later-opgekomen p, waarvoor Pedersen
ten onrechte de analogie verantwoordelijk stelt.
553. Maar toen deze slagboom der oudere theorie
eenmaal was gevallen, wilde Pedersen nog verder voort
op den ingeslagen weg.
(i) Onder dezen verkeerden naam vat men in de Keltische gram-
matica de meeste verweekingsverschijnsclen samen.
16
242
Tot nog tpe had men de lersche aspiratie en de Brit-
tannische mutatie voor parallelle verschijnselen gehouden,
gelijk er wel meer in verwante talen plegen op te treden,
maar men had ze nooit in het Oer- Keltisch durven terug-
leggen: omdat in de oudste Brittannische teksten fvan
ca. 800 na Christus) nog niets van mutatie was te bespeu-
ren. Pedersen echter concludeerde zeer terecht, dat zij in
de gesproken taal toen toch zeker al moet bestaan hebben,
daar de klinkers, die de mutatie veroorzaakt hadden, reeds
toen ter tijde waren afgevallen. Nu bewijst hij achter-
eenvolgens voor alle afzonderlijke geaspireerde of gemu-
teerde medeklinkers dat hunne repraesentanten in het
Brittan nisch en Oudlersch voor een deel :[eker^ en voor
een ander deel ^eer waarschijnlijk op dezelfde « Insel-
keltische » oerklanken teruggaan, en daaruit concludeert
hij nu, dat deze twee klankontwikkelingen niet alleen aan
dezelfde oorzaak moeten geweten worden, maar dat zij in
historisch verband staan, dat zij identiek zijn, dat zij fei-
telijk slechts één klankontwikkeling uitmaken (i).
554. In onze beschouwing moet deze conclusie natuur-
lijk in dier voege veranderd worden : dat de verweeking
der in- en anlautende consonanten na vokalen derzelfde
constructie reeds in den tijd is begonnen, dat Brittanni(3rs
en Goidels of Ieren nog één volk waren.
555. Maar dat is Pedersen nog niet genoeg. Op
— mijns inziens — zeer deugdelijke gronden toont hij
ten slotte aan, dat de gaelisch-britsche vokalische mutatie
wederom niet slechts parallel, maar identiek is met de
(i) Dat de vóór-litteraire taaloverblijt'sclen de mutatie niet of slechts
gebrekkig vertoonen, bewijst niets, nu wij zagen hoe het met de
oudste Brittannische teksten eveneens gesteld is. Men bedenke de
moeilijkheden aan zulk een orthographie verbonden. In de bespreking
van Pedersens bock IF. Anz. 9, 1898, blz. 46, zegt ook Thurneysen
toch wel met instemmende bedoeling : « Dass die irische und die
brittannische Lenierung zusammcnhangen, glaube auch ich ».
— 243 —
nasale mutatie, m. a. w. dat aanvankelijk de voorafgaande
nasalen op medeklinkers denzelfden invloed uitoefenden
als de vokalen.
Deze vokaal-nasale mutatie dus viel in den tijd, dat
Brittan niërs en Goidels nog een en dezelfde taal spraken.
Pedersen definieert deze chronologie niet nader. Op z'n
aller-, allerlaatst zegt hij : « 4**® eeuw na Christus, maar
waarom ook niet veel, veel vroeger tot vóór Christus? »
Tot zoover Pedersen (i).
Deze laatste vraag echter bekoort ons om verder te gaan.
556. De tijd toch, die de grootste Keltologen voor de
oer-gaelisch-britsche taal opgeven verschilt nog al aan-
merkelijk van de 4^^ eeuw na Christus.
H. d'Arbois de Jubainville, meer dan eenig ander in
deze zaken bevoegd, meent toch dat de Goidels zich in
de 8stc of 9^« eeuw vóór Christus van de Gallobritten
hebben afgescheiden en naar Brittannië zijn verhuisd,
de Belgen pas 600 jaar daarna zijn overgestoken, zonder
merkbaren invloed op de toen reeds in Ierland vertoe-
vende Goidels uit te oefenen (2).
John Rhys (3) houdt eveneens — toch niet heelemaal
zonder reden — dat wij met twee Kelten-invasies naar de
Britsche eilanden te rekenen hebben : de eerste der Goidels
(die de Igd. /r^J als qu later c blijken bewaard te hebben)
in de S^^ of 6de eeuw vóór Christus ; de tweede der Britten
(bij wie wij de Idg. /r)J als p terugvinden) in de 2^^ of
3<^c eeuw vóór Christus.
ZupiTZA (4) stelt zich zeer sceptisch tegen deze hypothese
(i) HoLGER Pedersen ; Aspirationen i Irsk, t. a. p,. Kapitel V.
Aspirationens Alder.
(2) H. d'Arbois de Jubainville : Les Celtes depuis les temps les
plus anciens jiisquen fan 100 avant notre ère. Paris 1904, blz. ly-Sy.
(3) Rhys and Brymmor Jones : The Welsh People, 34/35.
(4) E. ZuPiTZA : Kelten und Galliër, Zeitschr. f. celtische Philo-
logie, IV, 1903, blz. I vlgd.
244
in postuur, evenwel zonder iets van beteekenis vóór of
tegen bij te brengen; maar hij geeft toe in elk geval,
dat er ook op het vasteland Keltische woorden zijn over-
gebleven, waarin op de eene plaats eene p, en weer elders
een qu aan een Idg /r^ beantwoordt.
Welnu, daaruit concludeerde reeds John Rhys (i) en on-
langs Edward W. B. Nicholson (2) weer met veel rijker
materiaal, en met meer reden, (daar hij vele gewaande ini-
tiale k'jiS als Idg. p's ontmaskerde), dat ook de continentale
Kelten reeds in een p- en een ^w-volk waren gescheiden.
Wat is nu waarschijnlijker : aan te nemen, dat die beide
scheidingen historisch samenhangen, of m. a. w. identiek
zijn; dan wel te gelooven, dat in twee verschillende lan-
den in verschillende tijden zich juist elk twee dialekten
ontwikkelen, die zich voornamelijk door één en dezelfde héél
speciale klankverandering onderscheiden? Entia non sunt
multiplicanda sine ratione, zegt een eeuwenoud verstandig
woord, en nu moge het vreemd of niet vreemd zijn, dat zich
ook in de italische dialecten dezelfde scheiding vertoont,
zoolang wij geen verdere gegevens hebben, moeten wij naar
praktisch-logische wet, de scheiding tusschen/7- en ^M-Kelten
dus, vóór de eerste verhuizing naar de eilanden, dus in
de continentale oer-eenheid der Kelten verleggen (2).
Maar de medeklinker-verweeking is blijkens n"* 555 ouder
dan de scheiding tusschen het p- en ^w-volk, zij is dus
niet slechts « Insel-keltisch «, maar Oer-keltisch.
557. Maar dan moet in het oude Gallisch ook vcrwee-
king zijn aan te wijzen? Met onderscheid : moeten niet;
wij zagen het toch reeds, in de oud-brittannische inscrip-
ties en zelfs in de teksten van ongeveer 800 na Chr, is
(i) John Rhys : Transactions of the philological Society, London,
1891-T893, blz. 116 vlod.
(2) Edward W. B. Nicholson : Kcltic Researches. Studies in
the history and distribution of the ancient Goidelic lanj^uage and
peoples, London, 1904, blz. 1 27-1 28.
- 245 -
de mutatie ook nog niet aan te wijzen, en toch is het
onbetwistbaar, dat zij er was.
Maar dat neemt niet weg, dat als wij in het Gallisch
medeklinkerverweeking kunnen bewijzen, dit toch een sterk
bewijs te meer zou zijn voor onze stelling, dat ze na het
ietwat praktische betoog van n»" 556 bij velen waarschijnlijk
nog ter overtuiging zal kunnen gebruiken.
558. Welnu, Thurneysen heeft er in de boven aan-
gehaalde recensie reeds in 't voorbijgaan op gewezen, dat
de Brittannische verweeking na liquidae (die wij na de
boven bijgebrachte parallellen allang ook in het Oud-Iersch
hadden verwacht) nu haar sprekende parallel heeft in het'
Oude Gallisch (Bormo : Borvo).
559. Maar ook de andere verweekingen treffen wij er
aan. Hoewel geen specialist in 't Oud-Gallisch waag ik
toch een bij eenstelling (i) : Caesar Vacalus : Tacitus
Vahalis, Caesar Trinobantes : Tacitus Trinovantes, Oud-
Gr. vTjaoi IIp£(t)'ravvixai : later Grieksch en lat. Brittannia,
Plinius Abobrica : Ptolemaeus 'Auoppfya, Tacitus Mons
Graupius : Pictische kroniek Dorsum Crup, kalender van
Coligny Cantlos : Gantlos, lacit : lagit, cont. (2) xo'pfxa :
xoup(jLt : cervesia, cont. caesa : cesa : gesa, kym'r. crwth :
cont. chrotta : rotta : ofra. rote, idg. 6omt- : cont. can-
detum • (oppervl. v. 100 voet) : pcXtojxavoa?, bellocandium
(Achillea millefolium), oind. upari-(cara-) : cont. ouip-ipaYoi :
(u)ver-tragus : fra. veltre (ditzelfde ver, vero-, viro-, in tal
van eigennamen), lat. supernus : ier. fern : cont. Vernus
(eigennaam), gr. uito : cont vo in Vobergensis, Voglanni,
(i) Mijn bronnen zijn : C. A. Skrrure : Essai de grammaire gau-
lüise, Louvain-Gand, 1889; A. Holder : Altceltischer Sprachschai:{,
Leipzig, 189 -1904; Whitley Stores : Urkeltischer Sprachschat:^, Göt-
tingen, 1894; Edward Nicholson : Kcltic Re^earches, t. a. p. ; maar
vooral : G. Dottin : La langue des anciens Celtes, Revue des études
anciennes, VII, 1905, blz. 33-65.
(2) Met cont. bedoel ik hier oud-continentaal-Kcltisch. Zie Dottin.
— 246 —
Vosolvia, kymr. trwyn (neus) : cont. Spo-SyYoc os ijluxtt^p
eiTouv puy/o; xaXetxai; cont. bettonica : fra. bétoine : vetto-
nica, cont. mascauda : bascauda (b == v ?), cont. leuca :
leuga : fra. lieue, cont, ceva : geva, idg. * luko- : ier.
loch : cont. XoOyo?, cont. 8puvÊ|jL£Tov : vsjArj-rov : nimidae : ier.
nemed, cont. tarinca : taringa, idg. melö : ier. meiira :
cont, vela (sorte de céréale), cont. acaunu-marga : agaunus,
ier, gulba : cont. gulbia : gulvia, cont, capanna : fra. cabane,
cont. Setupokios : Setubogios, cont. Orcetirix : Orgetirix.
560. Men ziet het : zoowel na liquidae, nasalen als
vokalen; zoowel in Inlaut als Anlaut komt de verweeking
ook in het continentale Keltisch voor.
De verweeking na liquidae vertoont dezelfde overgangen
als na nasalen en vokalen, zoowel in het Brittannisch als
in het continentaal Keltisch, zij is dus één met de ver-
weeking na nasalen en vokalen. Maar deze is reeds in
het Oer- Keltisch begonnen, dus ook gene.
561. En nu pas, na zóó de conclusie van Pedersen
te hebben uitgebreid, kunnen wij ons de vraag stellen
(die ook hij reeds trachtte te beantwoorden) : Wat werden
nu oorspronkelijk de Oerkei tische tenues als zij in een
constructie op een nasaal, liquida of vokaal volgden?
Deze vraag heeft toch haar reden van bestaan, daar in
het Oud-Iersch na vokalen de scherpe spirans, na nasalen
de media, na liquidae weer de oorspronkelijke tenuis ; in
het oude kymrisch daarentegen na vocalen de media, na
nasalen de zachte spirans of een aspiratie (in het Cornisch
en Bretonsch is ook hier de oude media hersteld), na r de
scherpe spirans, na / de oorspronkelijke tenuis verschijnt;
in het Oude-Gallisch verschijnen eveneens alle vormen :
mediae, zachte en scherpe spirans en veelal ook de oor-
spronkelijke tenuis.
562. De zachte spirans als verdere verweeking der
scherpe komt natuurlijk niet in aanmerking.
De twee eenige waarover men ernstig kan twijfelen zijn
— 247 -
de scherpe spirans en de media. Hiervoor stelt zich nu
weer de oude driedubbele vraag :
Is de media oorspronkelijk? Is de scherpe spirans oor-
spronkelijk? of zijn beide uit een derde ontstaan?
563. Van deze drie vragen is alleen de eerste met
zekerheid te beantwoorden : De media is niet oorspronke-
lijk, daar de onmiddellijke overgang der media in scherpe
spirans een ongehoord feit is, nergens na te wijzen, en
phonetisch-psychologisch niet dan door allerlei tusschen-
trappen te verklaren.
564. De twee andere mogelijkheden kunnen beide waar
zijn; de gegevens die ons tot nog toe ten dienste staan
maken een beslissing vooralsnog onmogelijk, en het doet
voor ons doel ook niets ter zake.
Is de scherpe spirans oorspronkelijk^ dan hebben wij
een ontwikkeling als zich terzelfder tijd in het zeer-na-
verwante Latijn waarschijnlijk heeft afgespeeld : de Oer-
Italische scherpe spiranten worden in Inlaut latijnsche
media en blijven in Anlaut; of gelijk wij in de nieuwere
Germaansche dialecten kunnen nawijzen : In het Engelsch
bleef de p, in het Nederlandsch en Duitsch ging ze in d over.
565. Is de scherpe spirans niet oorspronkelijk, dan
pjn ^e beide uit tenuis aspirata ontstaan, en hebben wij
een ontwikkeling gelijk in het Armenisch, waar de Idg.
velare en dentale tenues in Inlaut intervokalisch (en in
Anlaut vóór vokaal) tot tenues aspiratae en verder hier
en daar tot mediae werden, terwijl de Idg, labiale tenuis
over f intervokalisch tot v is geworden. Dat de tenuis
aspirata tot scherpe spirans kan worden is van wijd en
zijd bekend; dat er ook een media uit kan voortkomen
leeren wij b. v. ook nog uit het oude Macedonisch : gr. Oavsw :
mac. oavwv; gr. Oapaoc : mac. Aappwv, gr. -paöo? : mac.
xdr/aooi, enz. (i).
(i) G N. Hatzidakis : Zur Ethnologie der alten Makedonier, IF.
XI, 1900, blz. 3i8.
— 248 -
566. Met de juistbesproken feiten hangt, naar ik meen,
de Germaansche klankverschuiving ten nauwste samen.
De meeste Germanen toch hebben volgens d'Arbois de
JuBAiNViLLE van ca. 800-400 vóór Christus aan de Duitsche
Oostzee-kusten onder de heerschappij der Kelten geleefd :
zij waren hunne onderdanen, vele droegen hunne namen
en gingen met hen ten strijde, zij zongen met hen hunne
barditus, hun krijgszangen mee (i).
Welnu, de^e Noord- Duitsche Germanen hebben van
hunne meesters, zij het dan in hun krijgsliederen, zij het
in den dagelijkschen omgang, deze verweeking der tenues
en mediae aspiratae (2) overgenomen.
En van hen is deze klankverandering overgegaan naar
de Scandinaviërs, die — zoo al niet onder Keltische
heerschappij — toch bijna hun gclieele nieuwere kuituur
aan de Keltische La-Tcne-beschaving ontleenden (3). Hoe
zich zulk een klankverschuiving tot over de Oostzee kon
verspreiden toont Kossinna (4) zeer levendig, en Hansen zegt
kort en krachtig : Lautneuerungen drangen leichter über
die See, über Belt und Sund als durch das binnenlan-
dische Südgermanien « horrida silvis » (5).
(i) Zie in het kort de hoofd bewijzen samengevat in •. H. d'Arbois
DE JuBAiNviLLE : Lcs Ccltes dcpuis les temps les plus anciens, t. a. p.,
blz. 170 vlgd. Voor de nadere bi zonderheden ; Idem : Les pretniers
habitants de l'Europc^, Paris, 1894. Vergelijk verder H. Hikt: Die
Indogermanen^ I, Strassburg, igoS, blz. 170 en 174. Vergelijk ook de
ontwikkeling der Nieuw-Iersch-Engrlsche dialecten in nr 53i.
(2) De Indogcrmaansche mediae hadden in het Germaansch zeker
een vastere articulatie behouden, zoodat zij niet één werden gevoeld
met de in 't Keltisch samen^i^evallen mediae en mediae aspiratae,
behalve g^ en ^^"h waarover meer in nr 588 vlgd.
(3) Sopiius MÜLhER : Nordische Altertmnsktmde, Strassburg, 1897-
98, II, blz. 2o-3i ; Idem : Urgeschichte Europas, Grund^üge einer
prcihistorischen ArchaologiCf Strassburg, 1905, blz. iSy vlgd.
(4) GusTAF Kossinna : Die cthnologische Stcllung der Ostgennanen,
IF, VII, 1897. hlz. 297-98.
(5) Andr. Hansen : Landnam i Nor ge, En utsigt over boscetningens
historie, Kristania, 1904. Anz. IF. 17, 1905, blz. 40-41.
— 249 —
Dit laat zich tot in bizonderheden bewijzen.
567. Nemen wij eerst den Inlaut.
In al de gevallen dat de Germaansche klankverschuiving
op de Idg, tenues in Inlaut heeft gewerkt, gaat vooraf :
een vokaal, een nasaal of een liquida, dus juist dezelfde ver-
weekende factoren die wij in het Keltisch hebben gevonden.
Het is hier natuurlijk de plaats niet, dit met kompleet
materiaal te bewijzen, maar iedereen kan zich, door het
opslaan van zooveel voorbeelden hij wil, even vast over-
tuigen als hem lust.
568. Maar een onvoorwaardelijke eisch voor deze ver-
klaring is dan toch ook, dat alle inlautende Idg. tenues
na alle andere klanken hunne oorspronkelijke articulatie
behouden. En dat vinden wij dan ook in de feiten met
stralende regelmaat : De geminaten zijn niet verschoven,
want de weinige ff, pp, //, die in het oer-germaansch
schijnen te zijn voorgekomen, zijn contaminatieproducten
van pp, tt, kk en f, p, y (i). Na de s blijven alle tenues
gespaard. Maar ook na stemlooze spiranten (uit vroegere
differentiatie ontstaan) is de t on verschoven, en eveneens
na andere spiranten : gaft, magt, enz. Dat wij ook ana-
logisch namt en rant vinden, kan niet verwonderen, daar
zes van de zeven werkwoordsklassen habitueel geen na-
saal of liquida voor de uitgangen vertoonen.
569. Maar niet alleen in den algemeenen overgang
van de Idg. tenues tot spiranten houden Germaansch en
Keltisch gelijken tred ; ook in de nadere verdeeling van
stemhebbende en stemlooze spiranten vertoonen zich de-
zelfde verschijnselen.
Brugmann formuleert beide als volgt (2). Voor het Oud-
lersch : t, c, wurden nach Vocalen zu p, y, Hieraus
hinter schwachtonigen Vocalen : d, g; en voor het Ger-
(i) Kluge : PBB, 9, blz. 176 vlgd.; Kauffmann : PBB, 12, blz.
5ii vlgd.; C. C. Uhlenbeck : PBB, 22, blz. igS vl^d.
(2) Grtindriss. I*, § 782, § 792.
— 25o —
maansch ; Die spiranten f, p, y wurden stimmhaft (b, d, g),
wenn der unmittelbar vorausgehende Soiiant nicht den
Wortaccent hatte.
In zie in deze parallelle feiten echter niet noodzakelijk
gelijktijdigheid of onmiddellij ken invloed van het Kel-
tisch (i). Ik haal ze vooral aan, om te doen zien, dat
minstens de articulatie der verweekte tenues of tenues
aspiratae in beide taaistammen dezelfde moet gev^'eest zijn.
570. Bovendien geeft deze vergelijking (vooral als het
in de noot meegedeelde vermoeden waarheid mocht blijken)
eindelijk den doodslag aan al de gekunstelde verklarin-
gen (2) van de wet van Verner. Dat in het Oud-Iersch
het accent intensief was, is ontwijfelbaar zeker. Welnu,
dan moet in het Germaansch vóór de werking van Verner's
wet het wisselend Idg. muzikaalaccent in een wisselend
Germaansch intcnsiteits-accent zijn overgegaan.
Maar dan heeft reeds Karl Adolf Verner bij het geniale
historisch bewijs zijner klankwet ook aanstonds de juiste
phonetische verklaring bijgebracht, Verner meende na-
melijk, dat de versterkte luchtstroom in de geaccen-
tueerde silbe de stemloozc spirans had doen behouden
blijven (3).
(1) Toch is het zeer «;ocd mogelijk. Sedert Mever-LQbke's verhan-
deling over : Die betoming itn gallischen (Sitzungsberichte Wiener
Akad. phil. hist. Cl. 143, 1900, II Abhandliing) houd ik de leer der
ücrkeltische initiaal- bctoning voor hopeloos. Daarentegen zie ik er
niet veel bezwaar in : voor het toenmalige Oer-Keltisch evenals voor
het gelijktijdige Oer-Germaansch nog het Idg. wisselend accent te
aanvaarden, met dit verschil, dat het van muzikaal tot intensief was
overgegaan. In het Keltisch zouden dan, op eenige sporen na, later
al die spiranten zijn genivelleerd.
(2) H. Gauthiot : A propos de la loi de Verner et des effets du
ton indo-européen, MSL. XI, 1900, blz. 193 vlgd. ; II. Peüersen :
KZ. 39. blz. 243 vlgd.
(3) Karl Verner : Eitie Ausnahme der ersten Lautverschiebung,
KZ 23. 1875, blz. 116.
— 25l -
Welnu, dat is volkomen juist. Dat bewijst het Oud-
lersch, dat bewijst het Gotisch, dat bewijzen Middel-
Engelsch, Nederlandsch en allerlei nieuwe Germaansche
dialekten. Dat bewijzen ten slotte de proeven van Rousselot.
Zie n*" 3oi.
571. Alleen moet de formuleering vernieuwd en het
begrip silbe geëlimineerd worden, gelijk trouwens reeds
Brugman N doet (i).
Alles verklaart zich vanzelf uit het boven behandelde
a stark geschnittener Akzent » of het intensiteitsaccent met
vaste aansluiting. Nemen wij dit voor het Oer-Germaansch
aan — en dat moeten wij, zie n^ 304 vooral noot i en 2 —
dan is alles duidelijk en klaar.
572. Ten slotte vinden wij in het Germaansch en in
het Keltisch althans bij de zoo- ontstane -ny eenzelfde
Ersatzdehnung bewerkt (2).
In inlaut is er dus tusschen Oer-Keltisch en Oer-Ger-
maansch een volkomen parallellisme.
673. Zien wij nu de mediae aspiratae in den Ger-
maanschen inlaut.
Welnu Paul constateerde in den eersten Band zijner
en Braune's Beitrage, dat de Idg. mediae aspiratae over
V algemeen in het Oergermaansch tot stemhebbende spi-
ranten waren geworden. Zien wij echter de voorbeelden
(i) Want niemand weet, waar een inlaiitende zoogenaamde open
silbe ophoudt, en de volgende begint. Zeer terecht is dan ook de
ironie van Jespersen : Bei der Schwierigkeit, die Silbenscheide in man-
nigfachen Fallen in den Sprachen, die man selbst taglich spricht und
hort. zu finden, kann man bisweilen nicht umhin, ohne sie zu be-
greifen, doch die Sicherheit zu bewundern, mit der manche Sprach-
forscher über Silbengrenzen im Homerischen Griechisch oder Ur-
germanischen oder Mittelenglischen reden ». Jespersen-Davidsen :
Lehrbuchy t. a. p., blz. 201. Anm. i. Welnu, Pedersens aanval op
Verners phonetische stelling steunde juist op de nu-eens-Indoger-
maansche silbengrens. Ons oordeel was dus ten volle gerechtvaardigd.
(2) Zie Pedersen : Aspirationen i Irsk, t a. p., § 147.
252 —
in Inlaut nader aan, dan bemerken wij weer heel spoedig :
Dat in alle de media aspirata onmiddellijk op een vokaal,
nasaal of liquida volgt (i); dat wij m. a. w. wederom met
eene verweeking te doen hebben, volkomen gelijk aan de
Oerkei tische.
574. Maar dat, waar een consonant voorafgaat, de
explosief is gebleven. Idg. ddh werd door differentiatie
der articulatie tot zdh, door differentiatie der exspiratie
tot zd. Idg. dzdh werd door differentiatie der beide stem-
hebbende tot tzdh, vervolgens door inertie der t tot tsth,
eindelijk werd door voortgaande differentiatie de eerste t
uitgestooten. Eveneens Idg. dzgh : tzgh : tskh door ver-
wecking : pskh : skh : sk. Idg. gzdh ; kzdh : kst : yst Idg.
gzgh : kzgh : kskh : skh : sk. Keltische en Germaansche
voorbeelden bij Brugmann (2).
675 Maar ook hier vinden wij tot in onderdeelen
parallellen Zoo betoogen toch Stokes en Strachan (3)
met groote waarschijnlijkheid, dat het Oerkeltisch in juist
dezelfde condities, juist dezelfde assimilatie vertoont als
Osthoff-Kluge voor het Germaansch hebben ontdekt :
Idg. -ghn-, -dhn-, -bhn- worden in het Oerkeltisch tot
stemlooze -gg-, -dd-, -bb-. Verder hebben beide allerlei
secundaire verweekingen, assimilaties en dissimilaties ge-
meen : Her en der worden de stemhebbende spiranten in
het Keltisch en Germaansch tot vokaalmoren of verdwij-
nen heel en al. In het Oud-Iersch werd mb blijkens het
Kymrisch over mb tot mm. Over het heele Duitsche
gebied later evenzoo. Oud-Iersch nd : nd : nn (vooral in
Inlaut). Neder- en Middelduitsch nd : nd : nn (eveneens
vooral in Inlaut). Oud-Iersch ng : ng : i\ti. Over het grootste
(i) De voorbeelden van praeterita uit n" 5ü2, 5o3, 5o8 hebben
alle een bind vokaal gesyncopeerd : vcrgl. nr 304.
(2) Grundriss I*, § 786 en 796.
(3) WiiiTi-EY Stokesi -Strachan) : On the assimilation o/pretom'c n in
Celtic siiffixes, IF. II, 1893, blz. 167 vlgd. Vcrgl. ook B\l 20, blz. 2 vlgd.
— 253 —
deel van 't Germaansche gebied evenzoo (in beide geval-
len meest ng geschreven) enz. enz.
576. Zien wij nu ook den Anlaut.
De meest typische eigenaardigheid van het Oer-Keltisch
was beslist zeker eene kern-gezonde Satzphonetik.
Kwam daar eene anlautende tenuis of media in een
secundaire eenheid na een auslautende vokaal, nasaal of
liquida, dan trad dezelfde verweeking op als in wortinlaut.
Welnu, na al het vorige zou het ons inderdaad ten
zeerste moeten verwonderen, als ook de gekeltiseerde Ger-
manen, en de gegermaniseerde Kelten deze zelfde eigen-
aardigheid, althans voor den tijd hunner samenleving niet
op het Oer-Germaansch hadden overgebraclit.
577. Maar wij kunnen ons die verbazing sparen, want
het Oer-Germaansch draagt er maar al te duidelijk de
sporen van : alle anlautende tenues, alle anlautende mediae
aspiratae zijn respectievelijk tot scherpe en zachte spiranten
geworden.
Maar dit lijkt wel des Guten zu viel. Gaat toch deze
algemeenheid niet beslist te ver, om ze met het streng-
beperkte Oer-Keltische verschijnsel in kausaal verband te
brengen? Neen, maar dit heeft toelichting noodig.
578. Ten eerste dan waren in dien tijd alle eenvou-
dige sluitconsonanten afgevallen, behalve s en :;'. Van de
nasalen en liquidae was verdwenen de r. Bovendien had
de Auslaut-regel die de korte eindklinkers liet verdwijnen
nog niet gewerkt (i).
(i) Deze relatieve chronologie blijkt duidelijk : i© hieruit, dat het
afvallen der eindconsonanten met min of meer beperkingen in allerlei
Idg. talen optreedt (zoo b. v. in 't Gricksch zeer duidelijk) dus blijk-
baar reeds in oerouden tijd moet zijn begonnen ; 2° uit de gelijke
behandeling die de al of niet gedekte klinkers door de Germaansche
Auslautgesetzc hebben ondergaan ; 3° uit het feit dat toen nog de
Idg. wisselende betoning leefde, die eerst tot het Gcrmaansch An-
lautsaccent moest overgaan, eer de eindklinkers konden afvallen.
— 254 —
Behalve de woorden dus op 5 en if en de heel enkele
misschien op oorspronkelijk dubbele medeklinkers, moesten
alle den anlaut van hun eventueel volglid in de con-
structie doen ver\\'eeken. En om er nu van de construc-
ties maar twee voorname te noemen : Bijna alle nomina
vormden een constructie met het voorafgaand pronomen
demonstr. : zie n*" 468. En dat was zoo goed als altijd
vokalisch of nasaal in Auslaut. Alle verba kwamen voort-
durend met praeverbia in één constructie, en alle praeverbia
bijna eindigen weer op vokaal, liquida of nasaal. En zoo
blijken dus deze lautgesetzliche gevallen nu reeds in vol-
doende mate aanwezig te zijn om de associatie-reeksen
p : f, t ; }), k : y ; bh : t5, dh : d, gh : g, vast en ener-
gisch in te prenten.
579. Maar ten tweede was in het Oer-Germaansch
gelijk in het Oer-Keltisch de traditioneele woordschikking
van den hoofdzin : subject- ver bum-rest (i).
Welnu, wij hebben gezien (n' 540), hoe in het latere Kel-
tisch de aspiratie zich met deze grammatische re^^kategorie
associeerde, zoodat alle Accusatieven en adverbiale uitdruk-
kingen habitueel de aspiratie begonnen te vertoonen. En
zoo hadden dus alle casus behalve de Nominatief van
nomina en pronomina reeds zeer dikwijls den verschoven
'klank; want ook in het Oer-germaansch moesten bijna
alle verhaalvormen verweeking induceeren : *némö, némizi,
némidi, némamiz, némidi, némandi, (ne)nama, namt, nami,
némuma, némudi, némun.
580. Maar nog een veel algemeenere kategorie heeft
zich in het oud- en middel- lersch aan de verweeking ge-
associeerd : het lid :{ijn van een constructie; het thuis-
(Ij B. Delbrück : Gnindviss Syntax, III, § 29, § 3oa. Voor het
Keltisch heeft sinds Pedersens materiaalverzameling {Die Aspiration
im In'schen, KZ. 38, 1S97, blz. 3i5 vlgd , § i-25) de habitucele
woord volg-ing : verbum-rest, voor goed het pleit gewonnen.
— 255 —
hoor en onder een secundaire eenheid (i). Hieronder vallen
natuurlijk op de eerste plaats de reeds genoemde ver-
bum -f- rest. Maar hierbij sluiten zich verder aan sub-
stantief -|- adjectief (ook als er een ander woord tus-
schenstaat), s\ihsidini\ei -\- attributieve casus, al de verbale
relatief-aspiraties (2) (immers wat is een relatiefzin anders
als een attribuut, vergl. het Baskisch), de aspiratie van
het tweede lid der composita, en last not least de aspi-
ratie niet alleen na maar ook vóór acus (en). In al
deze gevallen werd abstractie gemaakt van den feitelijken
Auslaut van het eerste lid der constructie De bepaalde
kategorie had zich met den verweekten woordvorm ge-
associeerd; en deze kategorie is niet — wat ik zelf lang
heb gemeend — de potentialiteitsbeaming ; dat blijkt dui-
delijk uit de re^Nkategorie en de acM5-ge vallen. En toch
wij hebben hier een reüelen factor noodig die in al deze
parallelle gevallen kon werken. Welnu, die is geen ander,
dan het gevoel dat men heeft bij het uitspreken van
een woord, dat dit woord niet om zich zelf alleen wordt
uitgesproken, maar dat het behoort bij een ander, dat
het met dat andere wordt bedoeld, gemeend en gewild.
Welnu, iets dergelijks moet n*u óók gewerkt hebben
in het Oer-germaansch. Maar verreweg de meeste woor-
den worden, en werden reeds toen, als deel eener con-
structie gebruikt. In verreweg de meeste woorden moest
(i) Dit is geen kategorie, die ik uitvind pour Ie bcsoin de la
eau se : wij zullen toch bij de woordschikking zien, hoc effectief deze
factor werkzaam is bij de inversie.
(2) Pedersens aspireerende a-partikel is noch door Strachan,
noch door Thurneysen aanvaard, en terecht. Dat de relatieve -n,
niets dan de gewone sandhi-n zou zijn, noemt Thurneysen daaren-
tegen « auf den ersten Bliek kühn, aber vielleicht richtig ». Welnu,
waarom zou dan de relatieve aspiratie met omtrent dezelfde func-
ties, ook niet de gewone sandhi-aspiratie zijn ?
- 256 —
dus de Germaansche klankverschuiving ook in Anlaut
optreden.
581. JEer wij nu de aanstonds hiertegen oprijzende
bezwaren bespreken moeten wij eerst wederom nog op
een overeenkomst in bi\onderheden wijzen.
Er zijn in het Oer- Keltisch twee praeposities wüer an-
lautende tenuis — als zij ten minste aan het accent
voorafgingen — niet tot een spirant maar tot explosieve
lenis, later tot media is geworden. Idg. *to, *tu : Oier.
do- du-, b. v. oier, dogdir : tógairm. Idg. *ko(m), *ku(m) :
Oier. con-, co, nier. go ook kymr. b. v. gwnaf : cyf- (i).
Maar ook in het Germaansch vinden wij onder dezelfde
omstandigheden vóór den toon, dezelfde twee éénige ze-
kere (2) gevallen, waar klaarblijkelijk dezelfde onregel-
matigheid aan het licht komt. Idg. *tu : Got. du-, du,
b. V. got. duginnan : ohd. zuó ze : nl. tót. Idg. *ko :
Got. ga-, gamains : olat cómoin(em).
682. En nu de natuurlijk oprijzende moeilijkheid :
Maar als de Kelten al die psychische eigenaardigheden
hadden om bij de Germanen door hun verkeer eene klank-
verschuiving te weeg te brengen, dan moesten a fortiori
toch die Kelten zelf die klankverschuiving nog veel ty-
pischer vertoonen. Welnu in het Keltisch vinden wij niets
daarvan. Dus.
Dus moeten we hier eens goed uit de oogen kijken.
583. Eerst de minor. Als we het Nieuwe- lersch of
ook maar het nieuwe Bretonsch of Welsh goed aanzien,
dan heeft het daar zeer, zeer veel van een klankver-
schuiving.
— Ja maar het Oer- Keltisch toch niet. —
Volkomen juist, en zoo komen wij aan den major.
(i) R. TuuRNEYSEN : IF. Anz. IX, blz. 46.
(2) Van weerszijden zijn er waarschijnlijk meer maar vooralsnog
allo twijfelachtig.
— 257 —
684. Voor het totstandkomen der besproken verschui-
vingen is het noodig dat de mondopening en de stem-
bandtrilling eene grootere energie hebben dan de occlusie
en de stemloosheid ; m. a. w. dat de klinkers vooral
de dragers zijn van het accent.
Welnu, reeds vroeger zagen wij, dat in het Germaansch
der alliteratie-verzen de klemtoon vooral op de mede-
klinkers valt. Er is dus in dien tusschentijd een nieuwe
periode ingetreden. In die nieuwe periode nu was er
natuurlijk geen psychologische reden meer, waarom in
het zelfde woord nu eens een spirant, dan weer een ex-
plosief 'Optrad. Op zichzelf beschouwd waren beide altijd
even goed. Nu ontwikkelde zich dus een wedijver tusschen
beide, en ook hier moest het recht van den sterkste (d. w. z.
van den frequentst voorkomende) beslissen. Welnu, dat was
de spirant natuurlijk, die in Inlaut zoo goed als altijd, en
in Anlaut toch in de meerderheid der gevallen de ex-
plosief had vervangen en van woord op woord (i), van
stam op stam (2) en van geslacht op geslacht (3) ging nu
de spirantiseering verder.
Dit verschijnsel trad in de Keltische talen pas veel
later op, en werd er nooit zóó typisch, omdat zij nim-
mer een zóó overheerschend medeklinker-accent hebben
ontwikkeld.
585. Een moeilijkheid zou ook nog kunnen worden
afgeleid uit de Keltische leenwoorden in het Germaansch,
die geen klankverschuiving toonen : got. këlikn, sipöneis
(i) B. I. Wheeler : The causes of uniformity in phonetic change,
Transactions of the Americao Philological Association, 32, 1901,
blz. 5 vlgd.
(2) RoussELOT : Les modifications phonétiques du langage, t. a. p.,
blz. 264 vlgd. en passim.
(3) RoussELOT : Ibidem. Verder : Eugen Herzog : Die Lautgeset:^'
frage, t. a. p., § 41, met wiens theorie in de andere paragrafen
daaromtrent ik volstrekt niet kan meegaan.
17
258
en peika-(bagms). Maar om uit Keltische leenwoorden
conclusies te trekken, moet het eerst toch vaststaan dat
het heusch Keltische leenwoorden zijn; welnu, dat staat
voor sipöneis en peika-(bagms) volstrekt niet vast.
Alleen këlikn is zeker uit het Gallisch celicnon ont-
leend. Welnu, alles wijst er op, dat dit in veel later
tijd door de Vandalen van de Galliërs naar de Goten
gebracht is, en geeft dus volstrekt geen moeilijkheid.
686. Zoo blijft dus als conclusie : De Germaansche
overgang vnn tenues en mediae aspiratae tot spiranten is
begonnen in Inlaut en geconditioneerden Anlaut na vokalen,
liquidae en nasalen, onder vreemden Oer-Keltischen invloed
omtrent 7 a 800 jaar vóór Christus. Gaandeweg heeft zij
zich uitgebreid, geassocieerd aan verschillende psycholo-
gisch -grammatische kategorieën ; maar pas na het autonoom
worden der Duitsche Germanen, pas bij den ondergang
van den onmiddellijken Keltischen invloed op de geheele
Germaansche beschaving omtrent 3oo vóór Christus, wordt
de overgang zóó algemeen, dat wij van een klankver-
schuiving mogen spreken.
687. Dat deze algemeenheid geen uitzonderingen toe-
laat, is gangbare schoolmeening maar nooit bewezen (i).
Het staat vast, dat de « Ausnahmslosigkeit n als werk-
formule dikwijls zeer nuttig is gebleken; dat zij elders
(i) De zoogenaamde ongeconditioneerde klandwetten zullen dan
zonder uitzondering zijn; wanneer de boven geschilderde associatie
ten einde toe heeft kunnen doorwerken, dus 1° altijd genoeg energie
heeft behouden, 20 genoeg tijd gehad heeft. De energie kan een
associatie namelijk verliezen door een omwenteling van het accent.
De tijd kan ontbreken, als we b. v. gegevens hebben van een taal
juist tot een bepaalden datum en niet later, en toen ten tijde de
associatie juist volop aan 't werk was, dan zal natuurlijk het statistisch
materiaal van zoo'n klank half nieuw, half oud m. a. w. half oor-
spronkelijk, half lautgesctzlich veranderd blijken. De zoogenaamde
geconditioneerde klankwetten zijn dan zonder uitzondering : als de
— 259 —
ook verwarring heeft gesticht (i), zal daghelder worden, zoo-
dra de psychologische taalwetenschap de lautgesetzliche
zal hebben verdrongen.
Voor mij persoonlijk is het troowens een diepe les geweest :
te zien, hoe de toch zoo sceptisch aangelegde Zupitza,
zonder blikken of blozen, liever in het Oer-Indoger-
maansch(!) tijdperk, eene soort van weifelende articulatie
aan wil nemen (2), die door Sievers bij één enkelen
Papoea (!) is geconstateerd, en door v. d. Gabelentz voor
vele Australische (!) en Amerikaansche(!) talen is vermoed,
eerder dan op het denkbeeld te komen, laat staan erin
toe te stemmen, dat ongeconditioneerde klankwetten uit-
zonderingen zouden gedoogen, daar zij toch niets zijn
dan door analogie uitgebreide geconditioneerde klankaf-
wisseling ^ en daar analogie, gelijk wij allen weten, geen
starre regelmaat kent.
Maar ik dring hier verder niet op aan. Quod gratis asseri-
tur gratis negatur. Als praktisch-logische werkformule houd
ook ik mij aan de klankwetten, zoolang zij mijne psycholo-
gische conclusies of de spontane evidentie niet weerspreken.
Weerspreken zij wel, dan onderzoek ik opnieuw mijne
psychologische praemissen, en blijken die opnieuw deug-
delijk; of ik ga na of mijn spontane evidentie strikt per-
soonlijk is, en blijkt dat niet; dan laat ik vallen het
postulaat, de werkformule mij geleerd in de school, voor
de erkende waarheid, mij opgedrongen door de feiten.
conditie niet alléén voorwaarde, gelegenheid of aanleiding, maar
inderdaad effectieve oorzaak was, óf, als bij gebreke van dien eene
soortgelijke associatie als bij de ongeconditioneerde klankwetten,
maar nu van den ouden klank + conditie met den nieuwen klank +
conditie zich heeft weten te vestigen en handhaven ten einde toe.
Voorbeelden, dat een bepaalde conditie aanleiding, gelegenheid of
oon^aak was, hebben wij boven genoeg gegeven.
(i) Men denke b. v. aan het Germaansche zwakke praeteritum op
-da, -pa en -ta, aan het Latijnsche Supinum op -tum en -sum, enz.
(2) E. Zupitza : Zur ursprache. KZ. 37, 1901, blz. 387 vlgd.
— 26o
588. En steunend op deze redeneering wil ik er aan
mijne bewijzen voor de Keltische afkomst der Germaan-
sche klankverschuiving, nog een laatste toevoegen : De
Germaansch-Keltische behandeling der labiovelaren.
Gelijk wij boven zagen moet reeds eeuwen vóór onze
jaartelling in het Keltisch eene splitsing zijn tot stand ge-
komen, doordat sommige dialecten in de labiovelaren het
gutturaal element verloren, andere niet.
Nu is het in elk geval zeer bedenkelijk, zonder verdere
gegevens, aan te nemen, dat de Noord- Duitsche Germanen
onder invloed stonden van slechts één der beide dialecten ;
en eenvoudig ongeloofelij k is het, dat de La Tène-bescha-
ving niet eerst het heele Keltische gebied zou hebben
doorloopen, eer ze vandaar naar de Noordelijker volken
Als dus het Keltisch zulk een diep-gaanden invloed op
de Germaansche talen heeft uitgeoefend, als wij boven
hebben aangenomen, dan moet er ook in het Germaansch
eene nawerking van die Keltische dialekt-splitsing kunnen
aangewezen worden ; en dan zijn deze voorbeelden natuur-
lijk een bewijs te meer voor onze stelling. Welnu, die
nawerking bestaat en wijst tot in bizonderheden aller-
duidelijkst op Keltischen invloed.
589. » Fast im Gegensatz zu allen Forschern (r) »
heeft ZupiTZA den overgang der tenues tot loutere labialen
trachten te ontkennen. Zeker vele overhaastige etymologieën
heeft hij met recht teruggewezen. « Aber doch erscheint
die Summe der auftretenden f zu gross, um nicht die
Vermutung lautgesetzlichen Entstehens nahe zu legen (i) ».
Zoo Herman Hirt, die anders niet bang is, in 't belang
der « lautgesetzlichkeit » voor-iedereen-evidente etymolo-
gieën te ontkennen.
En dat Kluge-Brugmann's regel, als zou een andere
(i) H. Hirt : IF. Anz. IX, 1898, blz. 56.
— 201 —
labiale consonant de werkende factor zijn, evenals trouwens
elke andere conditioneele verklaring, onmogelijk waarheid
kan bevatten, blijkt uit het feit, dat juist in dezelfde
woorden (of stammen) labiaal en gutturaal voorkomen.
Got. wulfs : ohd. wulpa : on. ylgr. Got. auhns, onorw.
ogn : op. ofn, ags. ofen, ohd. ovan. Got. fimf : zwab.
fuchzë, fuchzk (fauchzk). Ohd. habaro : ogutn. hagri.
Ohd. zwifo : zweho. Tacitus Fenni : hd. QuSnen.
690. Dit voor de tenuis. Nu de media. Gelijk wij
boven al. zagen, moeten de Idg. mediae in het Oer-
Germaansch of reeds lenes geweest zijn zonder stemtoon,
of zich op eenige andere wijze van de Oer- Keltische heb-
ben onderscheiden, zij ondergingen den invloed hunner
Keltische analoga blijkbaar volstrekt niet. Welnu in frap-
pante tegenstelling tot de tenues treedt nu de labiovelare
media in het Oer-Keltisch (alle dialecten zijn eenstemmig)
als b op; maar in het OerGermaansch (waarvan wij nu
spreken) altijd als g|f voor heldere, als g voor donkere
vokalen op. Een treffender bevestiging van onze vroegere
veronderstelling kan er bezwaarlijk worden bijgebracht.
591. En nu de media aspirata ten slotte : Osthofp
heeft in zijn bekend despotisch opstel (i) bewezen, dat
de labiovelare media aspirata in de Keltische talen hare
labialisatie heeft verloren en als loutere velaar verschijnt;
dat dit reeds in het Oer-keltisch het geval was, mogen
wij althans veronderstellen, alhoewel het (daar toch ook
de Oer-Keltische k;; pas in het lersch tot c wordt) alleen
zeker is, wanneer een u volgde : (oud-Kelt. Hercynia :
querquëtum). Welnu, Zupitza (2) heeft voor het Ger-
maansch hetzelfde bewezen : in Inlaut dikwijls, in Anlaut
meestal, vooral voor u, maar ook voor andere vokalen.
(1) IF. IV, blz. 264 vlgd.
(2) Ernst Zupitza. : Die germanischen Gutturale^ Berlin, 1896,
blz. 97-102.
— 202 —
Wel neem ik tevens de verwantschap van gharmds : warm
enz., aan; maar dat is voor mij geen reden om gevallen als
oier. gellaim : got. -gildan, gild, gilstr. ; oier. gonim :
on. gondoll (gandr), norw. gand e. a. te betwijfelen of
aan een onwaarschijnlijke analogie te wijten (i). Dus ook
weer in onderdeden is de overeenkomst zoo treflfend, als
men ze maar wenschen kan.
692. Wij hebben echter nog twee andere verschuivin-
gen te bespreken : in sommige gevallen werden de zachte
spiranten tot mediae, en als algemeene regel werden de
mediae tot tenues.
Gelijk de twee (of drie) reeds behandelde verschuivin-
gen een onderlingen trek gemeen hadden, zoo ook dit
laatste paar. De eerste klankverschuiving ging uit van de
energie der klinkers en gaf mondopening en stemband-
trilling. Deze tweede klankverschuiving gaat uit van de
energie der medeklinkers en geeft mondsluiting en stem-
loosheid.
Dit nieuwe verschijnsel steunend op een geheel andere
complicatie der psychologische taalfactoren kan natuurlijk
niet tegelijkertijd met het eerste zijn opgetreden. Het
vraagt een periode van medeklinkeraccent. Deze echter
hebben wij boven al afgeleid voor de laatste eeuwen der
Oer-Germaansche periode.
Deze psychologische conclusie komt nu alvast uitstekend
overeen, met de algemeen gangbare opinie, alleen op taal-
kundige gegevens bouwend, dat deze twee verschuivingen
de laatste zijn van de heele reeks, en omtrent het jaar
25o V. Chr. moeten zijn begonnen.
Maar zien wij nu nader, of inderdaad de condities voor
dezen invloed der medeklinkers in voldoende mate aan-
wezig waren.
(i) C. C. Uhlenbeck ; Zur Lautgeschichte PBB. 22. 1897, blz.
543 vlgd.; H. HiRT : IF. Anz. IX, 1898, blz. 5;.
— 263 ~
693. Nemen wij eerst den Anlaut.
Reeds tijdens de Keltische overheersching waarschijn-
lijk, was, althans op een deel van het Kelto-Germaansche
gebied, het intensiteits-accent op de eerste lettergreep
overheerschend geworden. Bij de Kelten bleef het later
tot den stam der Goidels beperkt. Bij de Germanen ver-
spreidde het zich weldra over het heele gebied. Dit had
ten gevolge dat allerlei korte eindklinkers vervielen en
verreweg het meerendeel der woorden consonanten in
Auslaut kregen. Een tweede constructielid dat met een
zachte spirans of media begon, had dus habitueel een
consonant voor zich, waarbij door het medeklinker-accent
natuurlijk inertie en anticipatie of differentiatie intrad.
Ook de nasalen en liquidae deden nu aan deze omge-
keerde werking mee, daar niet meer hunne vokale maar
hunne consonantische bestanddeelen de psychische over-
hand hadden. Om eenige voorbeelden te geven :
-p + «-: -P + g- ^ -P+g- • -t> + k-
-m-j- b- : -m-f- b- ', -n -f- d- : -n -f- 1-
-z + d- : -z -f- d- ' "2 -{- d- : -z -|- t- (weldra -s -|- 1-)
.d + b-: -d+b- (i) ) -d + b- : -d + p- (2)
Hier blijkt ten slotte opnieuw hoe terecht wij de Idg.
mediae in het Oer-Germaansch als lenes, of in elk geval
als afgeweken hebben beschouwd, daar het bij het paral-
lellisme dezer beide verschuivingen anders toch onbegrij-
pelijk moest schijnen : dat het eene geval juist eene con-
sonantverbinding tot resultaat had en hield, die in het
ander geval het uitgangspunt eener nieuwe verschuiving is
geworden. Zien wij echter in de b, d, g der eerste rij
mediae, en in die der tweede rij stemlooze lenes of iets
dgl., dan begrijpen wij alles vanzelf. Men behoeft de
woordklassen en constructies, die wij in nr« 578-581 aan-
(i) Vergl. n« 498-504.
(2) Vergl. n" 5o7-5i2.
— 264 —
haalden maar na te gaan, om te zien, hoe tegen het einde
van de Oer-Germaansche periode alles samenwerkte tot
een articulatorische contra-revolutie, een reactie tegen de
eens doorgedreven verweeking.
594. £n in Inlaut al eveneens.
Als eerste karakteristieke voorbeeld zien wij in beide
gevallen het eerst de geminaten verschuiven.
Natuurl. moeten wij tusschen bb en bb een ephemere groep bb
en tusschen bb en pp een even wankelbare bp
aanvaarden, om alles uit differentiatie en daarop volgende
anticipatie te verstaan.
Dan volgen voor de zachte spiranten de verbindingen
met homorgane nasalen en liquidae, die nog grootendeels
in alle dialekten gemeenschappelijk tot nasaal of liquida
-}- media overgingen. En wij hebben alle reden om de
tenuis-wording der lenis (of iets dgl.) in dezelfde verbindin-
gen tot dezelfde periode te rekenen.
Verder zien wij vele voorbeelden, waarin z -f- lenis eerst
in z-f-tenuis, en daarna weder door anticipatie in s-[-
tenuis overgaat.
Dus ook in Inlaut zijn de condities voor de oer- voor-
beelden der tweede verschuiving radicaal verschillend van
de voorwaarden, die den stoot t;ot de eerste verschuiving
(der tenues en mediae aspiratae) hebben gegeven.
695. Was echter het punt van uitgang verschillend,
en de werking juist de omgekeerde, beide verschuivingen
bleken toch in zoover parallel, dat ^e in hun oer gevallen
niets dan een gevolg waren on^er weiten van het psy-
chologisch automatisme.
De verdere uitbreiding echter van beide verschijnselen
hoewel eveneens een onmiddellijk gevolg van hetzelfde
automatisme is aan radikaal verschillende middellijke fac-
toren of aanleidingen te wijten.
Leerden wij toch bij de eerste verschuiving, als zoo-
— 265 —
danig kennen : het historisch feit van het autonoom-worden
der Germanen. Hier volstaat de -wet der differentieerende
subordinatie, maar die toegepast in haar alleruitgebreidste
wereldomvademende beteekenis.
696. Tot nu toe hebben wij bij de klankverschuiving
alleen toepassingen hiervan gezien bij kontaktstelling der
betreffende klanken.
Welnu, de verdere uitbreiding der tweede klankverschui-
ving, meer speciaal van den overgang der lenes tot tenues —
want de verschuiving van zachte spiranten tot mediae bleef
binnen de aangegeven grenzen beperkt " — is te wijten
aan de subordineerende differentiatie bij distantiestelling :
Zie n" 5i6-522.
Want in de taal der periode, die wij nu bespreken,
kwamen in een constructie aan mutae niets voor dan
spiranten en lenes (of iets dgl.). Fortes bestonden niet meer.
En toch hadden de medeklinkers het accent. Er moest
dus een neiging komen om sommige medeklinkers tot de
toppen der tonende groep op te heffen, met andere woor-
den ze tot fortes om te vormen. Welnu, de lenes gaven
aan die neiging gehoor in sommige condities. En zóó was
er de associatie reeds b : p, d : t, g : k. De genoemde
neiging ging nu natuurlijk deze openliggende en reeds
drukgebruikte baan op; en zoo werd van lieverlede elke
lenis in een constructie-;fowöf^r-geconditioneerde-fortis zelf
tot fortis.
597. Nu echter kregen vele woorden in de ééne con-
structie eene fortis, in de andere eene lenis. Er moest
dus een bemiddeling komen. Twee elementen verzekerden
aan de fortis het recht van den sterkste : i** de meerdere
psychische energie in een tijdperk van medeklinkeraccent,
2^ weer als boven : de grootere frequentie.
698. En zoo sluiten wij in onze laatste verklaring der
Germaansche klankverschuiving ons zeer nauw bij haren
grondvester aan.
— 266 —
Jakob Grimm toch gaf als formule der klankverschui-
ving : den cirkelgang der tenues door allerlei verzwakking
van aspiratie tot een diametraal punt van verweeking ge-
komen, nu weer terugkeerend op haar baan langs de
mediae, om ten slotte weer tenues te worden. Welnu,
in deze ten-onrechte gewraakte formuleering ligt van waar-
heid een diepe grond.
Van elke volmaakte menschelijke taal zijn medeklinkers
en klinkers de natuurlijke elementen. Dat is een gevolg
der differentiatie van het articulatie-accent, gelijk ik onder
n"" 259, blz. i3 reeds heb aangegeven, maar bij ongeluk
in nf 490 vlgd. niet meer is vernoemd.
Door het accent der klinkers dreigen dus de medeklin-
kers ten gronde te 'gaan.
Maar dan treedt met natuurnoodwendigheid de neiging
op om de medeklinkers te bewaren. En heeft dan eene
taal levenskracht genoeg (i) (wat b, v. vele Polynesische
talen in juist hetzelfde geval niet hadden) dan ontwikkelen
de medeklinkers door differentiatie der articulatie eene nieuwe
psychische energie, veroveren m. a. w. het accent voor zich.
En zoo is eindelijk — tot nu toe met opzet in het
duister gelaten — ook de Germaansche overgang van
klinker- op medeklinker-accent oorzakelijk verklaard.
699. En hebben de verzwakte, geaspireerde, in stem-
trilling verloren medeklinkers eenmaal het accent bemach-
tigd, dan weten zij zich altijd krachtens de wet der diffe-
rentieering meer en meer op te heffen uit hun vervallen
staat, om weer hooger en hooger te rijzen tot het toppunt
hunner natuurrechtelijke macht : de tenuis fortis.
Maar willen zij dan regeeren in tyrannieke overmacht,
gaan zij zich verdubbelen en vermenigvuldigen in on-
duldbaar despotisme, dan loopen wederkeerig de klinkers
(i) D. w. z. wordt zij gesproken door een groot aantal druk-ver-
kcerende psychisch-gezonde geslachten en stammen.
267
gevaar. De klinkers staan op uit de verdrukking, en de
strijd begint opnieuw, gelijk wij dat in de jongere Ger-
jnaansche talen kunnen nagaan (Zie de nieuw-Germ. mede-
klinkerverweekingen in n^ 529 vlgd., vooral in n''^ 525-326.)
En zoo is er dus ten slotte nóg een cirkelgang.
600. Mogen wij dus tot nu toe aan Jacob Grimm's
formuleering hebben verweten, dat hij de mediae aspiratae
met stemlooze spiranten verwarde en de stemhebbende spi-
ranten en mediae dooreenwierp ; wellicht zal men óns een-
maal ten laste leggen, dat wij den dieperen zin van Jacob
Grimm's formuleering niet hebben verstaan.
601. Het was aanvankelijk mijn plan geweest, tot
staving van het bovenbehandelde , hier alle eenigszins
nauwkeurig bekende klankverschuivingen op dezelfde uit-
voerige wijze te behandelen. Onder het werken echter
bemerkte ik, dat zoo voorloopig aan mijn arbeid geen
einde kwam, en ik trouwens ver buiten mijn perk van
« grondbeginselen » afdwaalde.
Ik geef dus slechts kort mijne bevindingen.
I. De hoogduitsche klankverschuiving.
Opper-Duitschland was het oude vaderland der Kelten.
De anthropologie bewijst, dat zich daar na den val der
Keltenheerschappij een mengras heeft ontwikkeld van Kelten
en Germanen. Gemengd zijn dan ook de feiten der hoog-
duitsche klankverschuiving. In het kader der Keltische taal-
ontwikkeling behoort alleen nog de verweeking der inlau-
tende en anlautende tenues na vokalen tot spiranten (i). In
het kader der germaansche ontwikkeling behooren : 1° de
verdubbeling der tenues uit differentiatie na homorgane li-
quidae en nasalen in inlaut, 2° de verdubbeling der tenues
(i) Dat deze spiranten verlengd zijn zou ik nu eindelijk aan de
neiging van bergvolken voor aspiratie willen wijten. Dit maar niets
meer geef ik toe aan H. Meyer : Ueber den urspning der germa-
nischen Lautverschiebung, ZfdA. 45, 1901, blz. loi vlgd.
— 268 —
(uit differentiatie) in anlaut van het tweede constructielid
als het eerste op een consonant uitging, 3'^ de zoogenaamde
affriceering, feitelijk differentieering der an- en inlautende
dubbele tenues, 4° de verschuiving van b, g en p tot p,
k, t, die wederom met -de geminaten beginnen en blijkens
Notker's Anlautgesetz altijd uit medeklinker -omgeving
zijn te verklaren. Notker in Sint Gallen, die zijn taai-
gevoel geoefend heeft in het Oud-Iersch, dat hij las of
hoorde spreken, heeft ons met onmiskenbare duidelijkheid
op den oorsprong der klankverschuivingen gewezen.
602. II. De Iraansche klankverschuivingen.
Deze zijn voor mij het praktisch bewijs dat wij voor
het Oer-Germaansch en het Oer-Keltisch tusschen tenues
en scherpe spiranten den middeltrap : stemlooze aspiraten
moeten aannemen. In het Oer-Iraansch waren de mediae
na vokalen reeds in mediae aspiratae overgegaan. De Oud-
Iraansche tenues aspiratae en mediae aspiratae werden door
inertie na vokalen gaandeweg tot spiranten. Dit geldt in
Inlaut en Anlaut; want een statistiekje gaf mij jav. 70 <>/o,
gav. 79 0/0. operz. 85 % woorden, die uitgaan op vokalen.
Alle Idg. aspiraten en bovendien alle mediae waren dus
op den duur intervokalisch tot spiranten geworden, ook
eenige Idg. tenues, gelijk wij zagen in n^ 53 1. Het dia-
metrale punt was dus ook hier bereikt. Hoe ging het nu
in het Middelperzisch?
In het begin dezer periode is het accent op den eersten
medeklinker vastgeworden, althans in de provincie Persis,
en dientengevolge werden alle vokalen in Auslaut geredu-
ceerd. Een statistiekje leverde mij dan ook 3i ®/o vokaaluit-
gangen en 69 ^/o consonantuitgangen. Nu buigt de kromme
cirkellijn dan ook terug. Door differentiatie met de vele
auslautende nasalen, liquidae en stemhebbende spiranten
worden anlautende y en v tot j en b (resp. g.)
Niet alle dialecten echter hadden dezen ommekeer mee-
— 269 —
gemaakt, en in deze werkte het oude klinkeraccent nog
gestadig door. Daar deze dialecten op de Nieuw-Perzische
schrijftaal minstens evenveel hebben ingewerkt, als het
genoemde dialect van Persis, geldt daar nu als vaste
klankwet, dat ook de Iraansche tot-nu-toe gespaarde tenues
inlautend tusschen-, en auslautend né vokalen tot mediae
zijn geworden. Eveneens na nasalen en liquidae. Waar-
om werden zij niet tot spiranten gelijk vroeger eenige
hunner voorloopers? Om de neiging (uit het dialect van
Persis vooral) althans in elke constructie ééne articulato-
risch-sterke occlusief te bewaren.
In de Perzische dialecten is nog veel interessants, dat
hierbij hoort, zoo o. a. de verweeking der anlautende
mediae tot spiranten in 't Afghaansch en de Pamir-
dialecten, de behandeling der p in het Ossetisch, enz.,
maar ik wil hier alleen nog wijzen op de klankverschuiving
in het Noord-Balü^ï. Tusschen vokalen worden inlautende
tenues en mediae eerst tot aspiraten, daarna tot spiranten,
eveneens auslautende na vocalen. Hiermee komt overeen,
dat de anlautende tenues tot aspiratae worden, daar « het
Balücï groote neiging toont den Auslaut door afwerping
der consonanten te verzwakken, maar dat deze Auslaut-
wet het minst werkt in het Zuiden, en het sterkst op-
treedt bij den stam der Legharï, die overheerschend is
onder de Noord-Balücen » (r). Een statistiekje der vokaal-
Auslaute leverde mij dan ook in het Noorden 70 %, in
het Zuiden 40 %.
603. III. .De Armenische klankverschuivingen.
Hier heeft een zelfde inwerking van het Iraansch in-
gegrepen, gelijk wij die van het Keltisch op het Germaansch
hebben gezien. Ook hier is later een autonome of Kau-
kasische reactie ingetreden.
Dit is alles, wat ik uit de verwarring der feiten door
(i) W. Geiger : Griindn'ss, II, blz. 282 en 236.
— 270 —
HüBSCHMANN, BuGGE, Meillet en ScHEFTELowiTZ gebo-
den, met zekerheid durf te concludeeren. De anlautende
p is natuurlijk gelijk in het Keltisch door verweeking
verdwenen (i). Totzoover de Indogermaansche parallellen.
Zien wij nu verder.
604. De Hebreeuwsch-Arameesche klankverschuiving.
« Die ursprünglichen Verschlusslaute b, g, d; /?, Ar, /
wurden im spateren Aramaisch und (vielleicht erst infolge
aramaischen Einflusses?) auch im Hebraischen nach vor-
ausgehendem Vokal und im Falie, dass keine Verdoppe-
lung des Lautes vorlag, vielfach als Reibelaute p, Yi o;
?» /, O gesprochen und zwar vermittelt durch die Zwischen-
stufe einer aspirirten Aussprache des by g, d; p, A, t » (2).
In 't zinsverband komen na vokalen in Auslaut ook in
Anlaut de B^gadkephath zonder DageS lene voor (3).
605. V. De Oeral -Altaïsche verschuivingen.
Het Altaïsch wijst duidelijk op een oertaal zonder mediae
of spiranten. Van de mutae waren er slechts de tenues.
Alle lettergrepen waren open {4). In inlaut worden nu
b. V. in de Lebed-, Schor-. Tuba-, Küarik-, Baraba- en
Abakan-dialecten alle tenues tot mediae (5). Eveneens in
de Finsch-Ugrische groep, waar echter ook het accent een
rol speelt. Zoo worden intervokalische /?, t, k tot b, d^ g
als de tweede lettergreep gesloten is. Oorzaak van dit ver-
(i) Ook uit de Aethiopisch-Arabische ƒ = Oersemitische /?, en de
Ossetische /= Oir. p blijkt dat de labiale tenuis op dit punt zeer
gevoelig is. Dit is begrijpelijk, daar bij de minste inertie der mond-
openende vokalen, het voorste mondgedeelte aanstonds het meest
open is.
(2) Heinrich Zimmern : Vergleichende Grammatik der semitischen
Sprachen, Berlin, 1898, blz. 33.
(3) Gesenius-Kautsch 2^, blz. 69-70.
(4) J. Grunzel : Entwurf einer vergl. Grammatik der altaischen
Sprachen, t. a. p., blz. 29 vlgd.
(5) H. WiNKLER : Das Uralaltaische iind seine Gnippen, Berlin,
i885, blz. 61.
— 271 —
schijnsel is weer : de inertie en anticipatie der klinkers,
maar noodzakelijke* voorwaarde : onbetoondheid van den
consonant : hij mag niet zijn de top der golvende groep.
Onbetoond echter is de consonant slechts als de volgende
silbe gesloten is : « Nirgends fallt der Ton jaher ab als in
einer mit tonlosem consonanten beginnenden ofFenen silbe.
Der exspirationsdruck hebt gleichsam die anlautsilbe auf
einen wellen berg, um sie dann in das tiefe thal der ton-
losigkeit herabzuschleudei n ; ist nun aber vor oder nach
dem vocal ein consonant vorhanden, auf dem die stimme
etwas aushalten kann, so wird die disharmonie gemil-
dert » (i). Dit citaat heeft te meer w^aarde, als men uit
den kontekst ziet, dat de schrijver hierbij volstrekt niet
aan de Finsch-Ugrische talen heeft gedacht.
Nog vele andere Finsch-Ugrische klankwetten zou ik
gaarne met mijne psychologische wetten verbinden; maar
ik ben op dit gebied al te onervaren.
606. VI. De Maleisch-Polynesische verschuivingen.
In het Malagasy van Madegascar beantwoordt aan Ma-
leische k na vokalen en p na vokalen en nasalen f en h,
aan g, d, b na vokalen h, r (uit d), v (2).
In de meeste Polynesische talen is de verweeking nog
veel verder gegaan, zoodat er b. v. in *t Samoa, Tahitisch
en Hawai bijna geen enkele muta meer over is.
607. VII. De Bantoe- verschuivingen in het Peli, Duala,
Konde, SaAgo e. a. bieden allerlei welkome parallellen.
pa : pha : fa : wa : a; ta : tha : ta : da : ra : la; ka, kha,
ya, a ; ya : ja : a ; ya : ga : ka ; la : la : a ; la : ra ; va : Wa : a ;
va : ba; Aka : (Akk) : Ak/; Aka : A/a : Aga ; nta : ntha ;
(i) RicHARi> M. Meyer : Germanische Anlantregeln. ZfdA., 38,
1895, blz. 36.
(2) Renward Brandstettcr : Die Be^iehungen des Malagasy :(um
Malaüschen, Luzern, 1893, blz. 23 vlgd. Mijne foimuleering is even-
wel niet de zijne. Voor de afwijking steun ik op blz. 3o, waaruit
blijkt, dat de Sandhi ook hier een groote rol speelt.
— 272 —
ntha : nda ; mpa : mpha : mba ; Aga : Aka ; nda : nta ;
mba : mpa, enz. enz. (i).
608. VIII. De Dravidische klankverschuivingen :
« The law, as apparent in the Tamil-Malayalam system
of sounds, is as follows : k, t» *, p are always pronounced
as tenues at the beginning of words, and whenever they
are doubled. The same consonants are always pronoun-
ced as medials, g, (}, d, b when single in the middle
of words. » In andere dialecten zijn de tenues tot aspi-
raten en spiranten geworden, enz. (2).
609. IX. In het Pul heeft de verweeking evenals
in de latere Keltische talen eene grammatikale functie
gekregen. « La loi phonétique la plus importante de la
langue affecte la première radicale, lorsque celle-ci se trouve
être l'une des consonnes : ^, f, h, r, s, w, y. Dans ce
cas, au pluriel des verbes, au pluriel des noms du genre
neutre, et au singulier des noms du genre commun, la
première radicale se change respectievement en Tune des
des consonnes g, p, q, d, t', b, d' » (3). Dat historisch
de tweede rij zeker ouder is dan de eerste, en de for-
mulcering dus juist dient te worden omgekeerd, behoeven
wij na al het vorige wel niet meer uitdrukkelijk te be-
wijzen.
Wij zouden hier ten slotte nog bij kunnen voegen het
Baskisch, het Jenissei-Ostjakisch, het Kottisch, en nog vele
Amevikaansche talen, maar volledig zijn zouden wij nim-
mer; en deze kleine lijst kan in elk geval ter illustratie
volstaan.
(1) Carl Meiniiof : Gruiidriss einer Lautlehre der Bantusprachen,
Leipzio^ 1899.
(2) Rev. RoBERT Caldwell : A comparative grammar of the Dra-
vidian or South-Indian family of langiiages^, 1875, blz. 2i-32.
(3j T. G. DE GuiRAUDON : Manuel de la langue Foule. Paris-
Leipzipr, 1894, blz, 19 vlgd.
— 273 —
II. ALGEMEENE SEMASIOLOGIE.
610. Het zal misschien bij menigeen bevreemding wekken, dat
ik, na in het eerste deel reeds herhaaldelijk en nadrukkelijk en
uitvoerig bij de semasiologie te hebben stilgestaan, het tóch cx>rbaar
schijn te achten, hierover nu nog een afzonderlijk hoofdstuk te be-
ginnen onder den ietwat gewichtigen titel van : algemeene sema-
siologie.
En toch, bij het vorige hoofdstuk had ook al eene dergelijke moei-
lijkheid kunnen opkomen. Reeds in ons allereerste hoofdstuk hadden
wij ons toch met de klankvoorstelling ingelaten, zelfs al eenige
woorden over de klankwetten gezegd, en nu begon nog eens een
algemeene klankleer. -
Maar daar had iedereen toch ook aanstonds het antwoord klaar
gehad : in het eerste deel werden de elementaire factoren gezocht ;
in het tweede zagen wij hunne onderlinge, vooral automatische samen-
werking; vandaar kwamen in beide deelen sommige punten over-
een, andere verschilden aanmerkelijk. Niet alles wat b. v. in ons
allereerste hoofdstuk ter sprake kwam, vonden wij in dit tweede
deel terug. Zoo concludeerden wij op blz. i6, is^o deel, dat de
beperking der vormveranderingen der woorden tot de loutere klank-
leer eenzijdig mocht genoemd worden, en eischten althans voor de
moderne talen eene supplementaire letterleer. Van deze laatste heb-
ben wij in het tweede deel niets teruggezien. Waarom niet ? Om-
dat daartoe nog bijna alle vóórarbeid ontbreekt, en ik dienten-
gevolge reeds t. a. p. (blz. 16-17) bijeengebracht heb, wat daar-
over tot-nog-toe is in het midden te brengen. En toch noemde ik
het juist geëindigde hoofdstuk op blz. 39 de algemeene leer der
vormveranderingen, omdat de klankveranderingen hierin toch ten
ten eeuwigen dage wel verreweg de voornaamste zullen blijven.
De klankvoorstelling echter is in dit tweede deel zeer uitvoerig
besproken, en bleek zelf weer te zijn een kluwen van complicaties,
dat wij geduldig hebben getracht uiteen te wikkelen.
Welnu, met de semasiologie is het juist eender gesteld. Wij con-
stateerden in ons tweede hoofdstuk het verschil tusschen aanschou-
welijke en onaanschouwelijke voorstelling. Daarop komen wij hier
terug. De minof-meer individueele semasiologieën echter, die van
§ 44-53 ter sprake kwamen, worden hier niet meer vermeld. Alles
wat ik daarover in het midden te brengen heb, vindt men in de
18
- 274 —
juist geciteerde paragrafen. Maar alles wat in dezelfde bladzijden
algemeen geldend mag heeten en verder de drie hoofdonderschei-
dingen in het caput over de beamingen, evenals de beteekenis-
overgangen uit ons hoofdstuk over het gevoel, en nog vele andere
semasiologieën in het eerste deel niet vermeld, zullen ten slotte hier
pas hunne laatste verklaring vinden. Al behandelen wij dus hier
niet strikt genomen alles, wat onder de psychologische theorie
der beteekenisverandering kan verstaan worden; en al weten wij,
dat wij ons met deze nieuwe toepassingen onzer automatische wet-
ten, in het halfduister gaan wagen (i); toch was menig punt van
overeenkomst met het vorige te treffend, en kwam menige conclu-
sie te ongedacht-gelukkig onze vroegere stellingen bevestigen, dat
wij eraan zouden hebben kunnen denken, deze vervolledigende maar
in zich zeer onvolledige hoofdstukjes uit het plan van ons werk te
schrappen.
611. Zien wij nu eerst de eenheid van beaming en gevoel in
haar typische eigenaardigheid van wezen, om daarna ook op deze
hoogere psychische akte, de werkingen onzer automatisme-wetten
na te gaan.
Aan welke eigenaardigheid kunnen wij nu merken, dat twee of
meer woorden, die elk een beaming of een gevoel kunnen betee-
kenen, zich in casu samenschikken ter beteekening van één gevoel,
van één beaming? Hieraan : dat zij elkander onmiddellijk noodig
hebben, om juist te worden beaamd, m. a. w. dat zij door onmid-
dellijke inwerking elkanders beteekenis veranderen. Onmiddellijk,
niet middellijk. Middellijk heeft men ook de vorige constructie noo-
dig, en de omgeving, en vroegere ontwikkeling en wetenschap, en
gewoonte van denken in een bepaalde richting, (zie nr 47) enz.
Reeds Weil, gaf in 1844 dit kenmerk aan : This word is modified
first by its object, and these two terms form therefore one and the
same idea (2).
(i) Daarom kozen wij voor deze twee laatste hoofdstukken eene
kleinere letter.
(2) Ik riteer verderop nog dikwijls het zeer verdienstelijke boekje
van HkNri Weil : L'ordre des mots. Paris 1844 (2<*e editie 1869,
3<le 1879), naar de Engelsche vertaling : H. Weil : The. order of
words, in the ancient languages compared with that of the modern
langua^es. translated with notes and additions bij Charles W. Super,
Boston 1887, in casu blz. 90.
— 275 —
612. Hieronder vallen nu op de eerste plaats alle gevallen, waar
een der leden zoo goed als niets meer beteekent, maar alleen om
morphologische of functioneele redenen blijft bestaan.
Zoo b. V. de looze en voorloopige voorwerpen en bepalingen.
Zoo : het regent, het is waar, wat je zegt, het tegen iemand opne-
men, er van door gaan, enz., zij zijn blijven bestaan, omdat de werk-
woordsvorm in de meeste andere gevallen ook een subject, object of
bepaling bij zich had, en zich dus anders een leegte deed gevoelen.
Zoo verder de neutrale hulpwerkwoorden om tijd en wijze aan te
geven : Ik heb geslapen, wat beteekent ik heb zonder de rest in
casu? Volstrekt niets. En zoo maken alle zoogenaamd leege woor-
den — en die zijn er in elke ontwikkelde taal zeer veel (i) — een
onderdeel uit van een secundaire beamings- of gevoelseenheid.
618. Maar dan waren ook al één, de uitdrukkingen waarvan
later de helft afviel, omdat die helft op zich t6ch bijna niets meer
beteekende, en de beaming of het gevoel van de geheele construc-
tie zich dus concentreerde in een deel. Juist gelijk hd. ment uit
Regiment, nl. Gym uit Gymnasium, fra. vélo uit vélocipède, engl.
pops uit popular-concerts ; zoo volstaan ook nl. lager en bock uit
lager- en bockbier, zoo ontstonden kooiden en wijten in onze heden-
daagsche beteekenis uit liefkoozen en verwijten, hd. Ober, Mahlj^eit
en nl. Morgen, Dag! voor Oberkellner, Gesegnete Mahlzeit, goeden
morgen, en goeden dag. Zoo verder merum (vinum). fête (festa dies),
foie (ficatum jecur) en bijna al de voorbeelden van n" 108-109.
Zoo ten slotte alle echte ellipsen (2) : Quos ego, mhd. sammir (sam
mir Got helfe), nhd. dass dich (Lessing) uit : dass dich der Teufel
hole, nl. potver en vergimme uit de bekende bastaardvloeken enz.
614. Maar verder weer verstaan wij bijna geen enkel subjectief
werkwoord zonder het subject, en geen enkel objectief werkwoord
(1) B. Bourdon : L* expression des émotions et des iendances dans
Ie langage, t. a. p., blz. 277 vlgd. : Parties inutiles du discours;
K. O. Erdmann : Die Bedeutung des Wortes, Leipzig, 1903, blz. 191
vlgd. : Gedankenloser Wortgebrauch und sein Nutzen.
(2) Hiertoe reken ik natuurlijk uitsluitend de gevallen, waarvoor
met zekerheid te bewijzen is, dat zij op vollediger uitdrukkingen
berusten. Wanneer zal men toch eens eindelijk met die traditioneele
ellipsen-liefde breken? Bij sommigen grenst zij aan waanzin of
obsessie.
— 276 —
zonder ook het object of het praedicatief te vernemen, en ten slotte
geen van beide zonder de inherente bepalingen (i).
Zitten is heel iets anders, of Mevrouw op den stoel ^tt dan wel
een spin, In Ik doe de deur open beteekent open doen wat anders
als in Ik doe mijn porte-monnaie open. Spelen met knikkers is een
heel ander spel als spelen in de loterij, Ridderslaan is een andere
plechtigheid als koek slaan,
616. Men ziet het, dezelfde kategorieën die wij boven uit de
eenheid van wilsimpuls : d. w. z. de éénheid van accent of den
onderlingen invloed der klanken eener constructie op elkander heb-
ben afgeleid, beginnen zich ook hier weer duidelijk te vertoonen.
616. En nu kunnen wij ook eindelijk nader verklaren, waarom
wij in ons 3<ï« Hoofdstuk nr 94 aan de noodzakelijke aanvullingen
van het werkwoord een beteekenis van reeds bijna pure realiteits
beaming hebben toegeschreven. Mét het werkwoord toch vormen zij
een secundaire beamingseenheid die zeker realiteitsbeaming is (2)
En zoo kwam er te^nspraak tusschen deze nieuwe secundaire een
heid en haar voornaamste primair element. Kwam dit nu uitslui
tend of althans zeer dikwijls in deze verbinding voor, dan werd
het langzamerhand zelf als realiteitsbeaming gevoeld, en met ver-
loop van tijd schikte zich ook de vorm naar die nieuwe beteekenis :
er ontstond een denominatief.
Ziet men nu nog eens terug naar de daar ter plaatse aange-
haalde definitie van transitieve werkwoorden, dan begrijpt men, dat
dit essentieel brokstukken zijn van secundaire beamingseenheden .
617. Verder weer. In nr 98 hebben wij boven betreffende de
attractie naar de groote studie van Steinthal (3) verwezen Hier
stond echter zoo machtig veel verklaring dooreen, dat men na lezing
bepaald des Guten fw viel meende te hebben genoten. Nu heeft
onlangs Johan Samuelsson de zaak opnieuw behandeld en meer de
(i) WuNDERLiCH : Der deutsche Sat^bau, t. a. p., I, blz. 38-40, maar
vooral en principieel : P. Peeters : Langage et pensee, Revue des
questions scientifiques, XI, 1897» blz i39-i8i.
(2) Wat vooral duidelijk is uit de omvangrijke Nederl. kategorie
verbale samenstellingen van het type : knarsetanden, knipoogen, enz.,
waarin het nomen zelf de verbale uitgangen van het werkwoord
heeft overgenomen.
(3) Zeitschr. f. Völkerpsych en Sprachwissenschaft, I, blz. 93 vlgd.
— 277 —
Latijnsche feiten aan eene zorgvuldige studie onderworpen (i). Uit-
slag was eene teeltkeus van de Steinthalsche verklaringen ; de ver-
bleekte beteekenis van het werkwoord in den relatief^in behield als
oorzaak van de attractie het veld. Deze behoeft echter nog een
psychologischen grondslag. Maar die kan hier nu geen moeilijkheid
meer opleveren : *t is duidelijk, dat het werkwoord met het relatief-
pronomen en eventueele andere zindeelen, een secundaire beamings-
eenheid was gaan vormen, die in haar geheel weer attribuut werd
van het antecedens dus potentialiteiit met deze dus een nieuwe
beamingseenheid vormde van de tweede orde, en diensvolgens con-
grueerde, gelijk alle attributen in de klassieke talen plachten.
618. En nu begrijpen wij eens te meer (zie ook reeds nr 363)
waarom het oud-indische verbum in de relatief zinnen betoond was.
Niet omdat het zelf van zooveel belang was, integendeel, van min-
der dan "dat van den hoofdzin ; maar omdat het als laatste lid van
een voorafgaand attributief compositum fungeerde, immers de rela-
tieve zin staat oorspronkelijk altijd voorop; daarom dan ook meende
ik terzelfder plaatse (nr 98) die betoning eene nominale te mogen
noemen, 't Is weer juist als boven een strijd van het elementaire
verbale bestanddeel en de secundaire nominale eenheid van beaming.
619. Eindelijk in nr loi zeide ik, dat de praedicatieven dddrom
tusschen absolute en relatieve beaming weifelden, omdat zij van
den eenen kant eene aanvulling waren van het gezegde, ten an-
deren tevens van het onderwerp. Dat deze weifeling nu berust op
't bestanddeel-zijn in twee heterogene secundaire beamingseenheden
zal na al het vorige nu — hoop ik — wel duidelijk zijn.
620. Ook in n^ 92 en 96 wees ik er nog op dat de verbaal-
stam in de samenstellingen ap)^£xaxo<, prie-Dieu al bijna nominale
beteekenis had. 't Was natuurlijk weer een hand-over-hand toene-
men van de secundaire beamingseenheid tegenover het primaire
element van andere natuur.
En zoo heb ik hier maar achter elkander eenige beloften ingelost,
die uit het derde hoofdstuk mij nog ten laste waren gebleven.
621. Met het opgeven echter der kategorieën van woorden, die
elkanders beteekenis in het zinver band bepalen, zijn wij nog vol-
strekt niet ten einde.
Alle adjectiva toch, bij verschillende substantiva geplaatst, ver-
anderen van beteekenis. Een klein leger is niet zoo klein als een
(i) Eranos, V, blz. 53 vlgd.
278
kleine microbensoort. Een mooie boel is heel anders als een mooi
vers. Een {ware taak behoeft niet ^waar van gewicht te zijn. Een
gespannen boog heeft geen enkele kwaliteit met mijn gespannen
aandacht gemeen. Er zijn zeker — en daar hebben wij boven veel
over gezien — wel redenen te geven, waarom wij deze adjectieven
in die bepaalde beteekenissen gebruiken, maar daar hoeven wij niets
van te weten om ze te verstaan.
Trouwens wij voelen het :{elf als ^ij deze constructies hooren,
we verstaan ze ineens. Dus adjectief + substantief weer eenheid van
beaming.
622. Hetzelfde hebben we nu b. v. met praeposities, die meer-
dere naamvallen regeeren. Als ontwikkelde en reflecteerende hoorder
beteekenen ons die telkens heel wat anders. Maar wie zou nu wil-
len beweren, dat hij bij 't Gotisch lezen in constructies als : in J)izos
manageins, gabaurans warj) in fairhwau, gagg in gard peinana, in
reeds vóór de andere woorden beaamde ?
Neen, de kenner beaamt pas na het le^en en tegelijk met het
begrijpen van |)izos manageins het begrip van grond, eveneens na
en met fairhwau het begrip van doel, na en met gard J)einana
het begrip van een beweging naar, enz. Dus praep -f- nomen weer
een eenheid.
623. Met de conjuncties die in verschillende beteekenissen ver-
schillende tijden en wijzen regeeren is het niet anders. Ga maar
na voor bet gr. ó'ttw; het lat. si. Wie verstaat die. eer hij den
werkwoordsvorm ziet? Dus conjunctie + werkwoordsvorm weer als
boven.
624. Maar zoo is het ten slotte met alle zoogenaamde gram-
matische rectie. Conjuncties regeeren niet alleen maar hangen ook
af van werkwoorden in peto ut.,, is ut mee de uiting van het ver-
zoek, in impero ut... van het gebod.
Adjectiva en Participia regeeren casus. Een comparatief, een
casus of quam,
62Ö. Alle congruentie ten slotte verkeert in het:[elfde geval. Want
wat is congruentie voor het begrip van den verstaander anders dan
een regeering van het eene woord over het andere, een duidelijk
teeken' in den uiterlijken woordvorm dat de zoo verbonden deelen in
ééne beaming moeten worden samengevat en verstaan.
626. Maar wij behoeven hier niet alleen bij de woorden te blij-
ven, die onmiddellijk invloed hebben op elkanders beteekenis; ook
de constructies die men zinnen noemt kunnen dit verschijnsel op-
- 279 —
leveren, en zoo weer elementen eener eenheid van hoogere orde
blijken te zijn. Zoo is het namelijk met al de enclitische zinnetjes
van GoüiN.
Want als peto de beteekenis van het opvolgende ut bepaalt, even-
eens geeft het zijn kleur aan den heelen bijzin die op ut volgt.
En als alle congruenties hieronder hooren, wat is in het Latijn
b. v. de consecutio teniporum anders dan een congruentia temporumf
En deze bestaat niet alleen in het Latijn, waar ze in het klassieke
tijdperk weer als een serre-plant werd opgeteeld tot weekelijke weelde,
maar min of meer in alle Indogermaansche talen. En natuurlijk
vooral weer bij relatieve zinnen.
kathéip nu tdd avïraip syad yatrahéip sj^tm, hoe zou het
toch zonder helden kunnen zijn waar ik ben (zou zijn)? onder in-
vloed van syat vinden wij hier syam in plaats van ésmi (i).
gr. l'pSot Ti^ ^'v èxa(TTO< eiSett) tc^vtjv. Eenieder beoefene de kunst
die hij verstaat (versta). Hier vooral komt de eenheid der beaming van
hoofd- en bijzin ook in de woordschikking duidelijk uit : ^v-l;xa(TTo;-
tlZtixi is een attribuut van x^yvr^v waarmee het congrueert door ^jv,
en samen vormen vormen ze de aanvulling van ^pSot tic waarmee
ze concordeeren door elSetT) (2).
Dit zijn voorbeelden van Modus-attractie, maar eenieder kan er
uit alle hem bekende nieuwe talen evenveel van tempora-congruen-
tie bijbrengen (3). Ik wist niet wie hij was. Wil ik daarmee zeggen,
dat hij nu iemand anders is? Volstrekt niet. Was is hier geassi-
mileerd aan wist, en alleen door wist begrijpt men dat er mee be-
doeld wordt : was en nog is. Eveneens in de boven aangehaalde
gevallen. Noch eISeit), noch syÉm zijn te begrijpen buiten ver-
band met epoot en syat.
Dus vormen zij daarmee weer een beamingseenheid van hoogere orde.
627. Daarom kan men echter ook zoo terecht zeggen ; Geen
enkel woord dat geen zinwoord is, heeft een vaste beteekenis.
Daarom mochten eigenlijk in een woordenboek niets dan zinwoorden
(i) Speyer : Vedische und Sanskrit-SyntaXy t. a. p., § 281.
(2) Zie nog andere lat. en germ. voorbeelden bij Brugmann :
Kur^e vergl. Gramm., t. a. p., blz. 700 vlgd. die er na Golling
ook op wijst hoe de omgekeerde attractie van den hoofzin-modus
door den bijzin minstens mogelijk is.
(3) Vgl. Behaghel : Der Gebrauch dei- Zeitformen im konjunc
tivischen NebensatJ^ des Deutschen, Paderborn, 1899.
— 28o --
worden opgenomen — en die zijn er heel wat meer dan men
op het eerste gezicht denken zou — maar moest daarnaast een
construct ieboek bestaan, dat Syntaxis tevens zou zijn. Nu is er
zeker iets vóór, als men den heelen taalschat wil catalogiseeren,
die constructies naar de woorden te rangschikken, maar dan moest
men toch eens ophouden voor elk woord eene abstracte beteekenis
te deduceeren, die het niet in de taal. maar alcen in de mctaphy-
sica of eenige andere abstracte wetenschap hebben kan. Ik ga hier
verder niet op door, daar dit alles wel tot de pia vota zal blijven
behooren, totzoolang de taalwetenschap niet een algeheele omwente-
ling heeft doorstaan.
Er bestaat over dit semasiologisch beginsel al zooveel literatuur,
en in boeken zonder beginselen is bovendien nog zoo'n massa ma-
teriaal bijeengehaald, dat ik van verdere voorbeelden afzie.
628. Alleen dit wil ik hier nog bijvoegen : Waar de andere
gegevens soms twijfel laten, wil het kenmerk van onmiddellijken
invloed op elkanders beteekenis dikwijls met onfeilbare duidelijkheid
aanstonds op de secundaire eenheid wijzen. En als zoodanig meende
ik er hier iets langer bij te moeten verwijlen.
629. En nu weer onze automatismen :
A. De subordineerende differentiatie. Zien wij maar eens aan :
Van twee onderling verbonden realiteitsbeamingen wordt
de eene gesubordineerd tot potentialiteit.
Eerst een klein maar teekenend voorbeeldje :
Common Prayer Book : for Jesus Christ | his sake : for Chrisfs
sake (reeds in 1712). In onze tegenwoordige omgangstalen kan men
dezen overgang voortdurend waarnemen, als men van den huise-
lijken, familiairen volkstoon (waar de kleine constructies overheer-
schend zijn) in de meer beschaafde spreek- of schrijftaal overgaat.
630. Verder geef ik hier een taalfeit dat eveneens overal en
altijd is waar te nemen : de subordineering van twee gecoördineerde
! zinnen. « Jij gaat koffie drinken, en ik loop hier wat op en neer. »
Dat zijn twee realiteitsbeamingen. Maar zoo zeggen wij het meestal
I niet : « Terwijl jij koffie gaat drinken, loop ik hier wat op en neer.»
I Nu is de eerste een attributieve bijzin, dus potentieel, de hoofdzin
is reëel, en zoo is het gewone West-Europeesche menschentaal.
631. Van deze voorbeelden midden uit onze omgeving spring ik
ineens naar het verre verleden van het ontstaan der samenstellin-
gen in de Idg. talen. En daar toont zich nu juist hetzelfde : Één
j van de twee oorspronkelijke realiteitsbeamingen wordt tot potentia-
— 28l —
liteitsbeaming, en geeft dat duidelijk door vormverandering te kennen.
Ik begin met het Grieksch. Daarvoor bezitten wij toch de uit-
stekende materiaalverzameling van Jacob Wackernagel : Das Deh-
nungsgesetz der griechischen Composita. Basel, 1889. Uitstekende
mafórma/verzameling, zeg ik, want van de theorie is weinig te ge-
gebruiken. Wackernagel, snijdt toch door het probleem averechts
verkeerd op te stellen, alle mogelijkheid op een juiste oplossing af :
« Waar komt de Anlautsdehnung der tweede vocalisch-anlautende
leden der Grieksche composita vandaan ? » 200 vraagt hij zich af,
en sluit daarmee een kleine helft van het voorhandene materiaal
buiten de kwestie. Hij had moeten vragen : Waarvandaan komt
het. dat wij in de Idg. composita allerlei onverwachte Dehnung
aantreffen, zoowel in het eerste als in het tweede lid ^maar zoo
goed als nooit in beide tegelijk) zoowel in de stamlettergreep als
in de eindlettergreep? En dan had hij tot antwoord moeten geven :
De Dehnung der composita is de vfddhi der potentieele beamin-
gen. Twee realiteitsbeamingen tot een secundaire eenheid verbonden
differen tieerden .
683. Ik geef geen verdere grieksche voorbeelden. Bij Wacker-
nagel vindt men ze te kust en te keur. Alleen een paar uit andere
Idg. talen, die hetzelfde bewijzen : got. fidurdogs, ahtaudögS,
cf. on. d^'gr (dag en nacht) oind. nidaghds : got. dags; got.
taihun-tëhund, niun-têhund, ahtau-tëhund, sibun-tëhund :
got. taihun; oind fata-^arada- : 9ardt; oind. dvi-jani§, got.
qëns : jdni§ ; oind. su-hart : hft ; oind. su-pards, gr. xaXafirwpo; :
pdras. « Nous croyons, zeide reeds de Saussure (i), qu'il existe
un allongement indo-européen dans Ie second membre de certains
composés»; «et qui en grec se reflète peut-être dans les composés,
comme eu-iQvwp, ©iX-iipexp-o^, oü l'allongement n'était pas commandé
par une succession de syllabes brèves » (2).
633. Maar niet alleen in de stamsilbe van het tweede lid, óók
in de eindsilbe.
De Armenische composita van het type an-ker waarvan het tweede
lid terugwijst naar nomina agentis op -a leveren hier een prachtig
bewijs, vooral om het nog gevoelde verband met de Aoristen (3).
(i) MSL. 1892, VII, blz. 80.
(2) Mémoire, t, a. p., blz. i65. Wackernagel had hier dus een
confitentem reum : Zie noot 2 op blz. 139.
(3) Zie Meillet : Grammaire comparée de VArménien classi<fue^
t. a. p,, blz. 70-71.
— 282 —
Te meer daar in dit opzicht dan ook de thematische tweede-
compositumleden naast de athematische simplicia sprekend worden.
Zoo b. V. oind. ardhnavds anudrés, enz. Hier is dan natuur-
lijk dezelfde verhouding als tusschen een athematisch Praesens en
een thematischen Aorist. Wij hebben hier dus weer veel minder
analogie noodig dan men gewoonlijk pleegt aan te nemen.
684. Maar ook het eerste lid toonde dikwijls Dehnung, vooral
in de eindsilbe.
Uitgaande van het Gri. vinden wij hier weer xaXaOoiroio; naast
xaXaOvjcpdpoc ; eXa'^oxtovo^ naast eXa^TipoXo; ; orecpavoTroid^ naast
OTÊ^avTjcpdpo; ; Oavato'^dpo; naast OavaTTj^dpo^ ; zelfs analogisch
i(j7:i5T,'^dpo< naast aairi'5doo'Jiro<. Brugmann heeft deze oer-grieksche
5, natuurlijk weer maar door analogie verklaard. Toch vinden wij ook
in het Oud-Indisch satyavfdh- naast rtavfdh- 9Ökas naast ^öka-
panudas, phalam naast phalaharas, tur^s naast turasih-
enz. enz. Het Armenisch heeft de Idg. a tot algemeene compositie -
vocaal, vooral typisch en zich duidelijk als differentieering open-
barend in de superlatieve dittologieën van het type mecamec, groot-
groot. £n ten slotte meen ik, dat het Germaansch (en misschien ook
het Bal to- Slavisch en Keltisch vcrgl. nr 410) met het Armenisch hierin
op dezelfde lijn staat. Men vindt gewoonlijk opgegeven, dat de vrou-
welijke stammen op -O zich als eerste lid in composita naar de
mannelijke op -a geschikt hebben. Zou niet het omgekeerde waar
zijn? in zooverre althans dat alle eerste leden van samenstellingen
onverschillig of zij later als simplicia -a of ö hadden, in een ouder
tijdperk lange a hebben gehad, die door een dergelijk intensiteits-
rhythme als in de Auslautgesetze werkte, tot een a was overge-
gaan. Vergl. nr 304. Indicia hiervan zijn ohd. tagastern naast
tagosterno, spilaman naast spiloman, wegawiso naast wegowiso,
enz. De compositie- vokaal -o- in de overgeleverde Oud-Germaansche
namen kan minstens evengoed lang als kort zijn. Maar de -X^j-j^o
stammen lijken mij in staat dit te bewij^^en. Hoe anders is het op-
vallend parallellisme te verklaren tusschen de vrouwelijke Nomina-
tieven sunja : bandi ter eene, en de mannelijke compositieleden alja-
kuns : arbi-numja ter andere zijde?
686. Maar als wij alleen de Dehnuiig tot bewijs der potentia-
liteit van een der leden in een Compositum aanhaalden, zou men
hier — niettegenstaande de blijkbare tegenspraak der feiten — toch
misschien weer alles langs metrische Dehnung of analogie of nog
een der vele andere gebruikelijke en gemakkelijke achterdeurtjes
— 283 -
willen onschadelijk maken. Daartoe wees ik echter boven reeds in
't voorbijgaan op de thematische vormen naast de athematische;
daartoe wijs ik nu met nadruk nog op een ietwat anderen vorm
van potentialiseering : de Idg. -^ë.
Men herinnert zich toch, hoe wij op blz. 96 van ons eerste deel,
met Sommer en Hirt den Italo-keltischen genetief op -ï hebben
verklaard. Welnu, deze zelfde -i vinden wij ook in composita terug,
Niet natuurlijk in de latijnsche composita, waar de -ï- uit verzwak-
king van -o- ontstond ; maar in de Indische verbale composita met :
karómi, bhivami en ésmi, RV. akkhalïkftya, AV. phalï-
kdraijas, vatïkaras, TS. 9yêti-akuruta, mithuni-abhavan,
QB. ëkïkaröti, svïkaröti, brahmaijïkaröti, TA, vajribhutvd,
enz. (i).
636. Deze soorten van composita brengen ons evenwel weer.
aanstonds naar andere voorbeelden van Dehnung (ter uiting der
potentialiteit uit realiteit gedifferentieerd : lat. pütëfacit, perfrïgê-
facit, consuë quoque faciunt, (c^lëfacio e. a. zijn pas door
de inertie of de bekende Jambenwet verkort) verder agëbam,
agëbar, custodiëbam, Enn. convenibo, scfbimus, fal. pipafo
(bibam), enz. (2). Eveneens oksl. lakaachü, vidëachü, nesëachü,
borjaachü; lit. jëszkódavau, penèdavau; got. fuUnöda ; gr.
exifjLaOTiv, ecpiXiiÖTiv, e^^oXcüOrjv, exifiaaa, è^Ckr^aoL^ èyóXwaa ; xifxadiü,
cpiXi^ffü), yoXiüffw; oind. asaipcakrë, vidaipcakara, undamasa,
gamayambabhüva, enz. (3).
687. En nu begrijpen wij ook vele instrumentaal-vormen. De
Instrumentalis komt toch uit den aard der zaak aanvankelijk altijd
in samenstelling met een reëelen werkwoordsvorm of een realiteits-
(i) Whitney : Indische Grammatik, § 1093; Delbrück : Grundriss,
Syntax, I, blz. 539-40. Bezzenberger : Fepa;. Ueber das lange i
einiger Ableitungselemente, blz. i56 vlgd.
(2) Misschien hooren hier ook bij de lange vocalen vóór den
latijnschen Perfect-uitgang op -v-, die reeds door Pott (Zeitschr.
f. Völkerpsych. und Sprachwissensch. 16, 1884, blz. 3oo) en nu op-
nieuw door Sommer {Handbuch der Lateinischen Laut- und- Formen-
lehre^ t. a. p., blz. 6o3 vlgd.) en aarzelend ook door Hirt (IF, 1904,
17, blz. 280-81) met bhévami in verband zijn gebracht.
(3) De Aoristische vormen ^affofxa'.y d^i{aop.ai, y^^^^H"-*^ bewijzen
de potentialiteit van hun eerste lid eveneens, maar middellijk.
— 284 —
beaming voor (vandaar is het praedicatief gebruik in het Slavisch
zeker even oorspronkelijk). Hij zelf, ook aanvankelijk realiteitsbe-
aming, differentieerde nu tot potentialiteit.'en zoo vinden wij oksl. raka
(teruggaande op *ronk^m), lit. vilkü (uit *vilkÓm), oksl. zemlja,
lit. zemè (uit 2emjém) en al de bijbehoorende vormen buiten de
Balto-Slavische groep, waaronder iroviüTro'vTjpo? en sacrösanctus
nog onmiddellijk hun oude differentiatie -herkomst verraden.
688. Zóó begrijpen wij ten slotte eveneens den Arischen instru-
mentaal op S, dien wij ook natuurlijk in de Absolutiva op -tva
moeten wedervinden, en hiermede zijn wij teruggekomen tot ons
punt van uitgang : twee hoofdzinnen differentieeren tot hoofd- en
attributieven bijzin. Er zou hier nog veel meer kunnen aangehaald
worden. Maar zoo is het wel, meen ik.
689. Wij weten dus nu, niet alleen, dat het adjectief, het vrouwe-
lijk geslacht, de attributieve Genetief, het collectief, het praedicatief
en menige Instrumentaalvorm uit de potentialiteitsbeaming zijn voort-
gekomen, maar ook dat die potentialiteit zelf uit de realiteit gedif-
ferentieerd is, en nog voortdurend gedifferentieerd wordt. Wij weten
eveneens dat de Conjunctief en Optatief, de Perfectieve Actionsart,
het Praeteritum en Futurum alle dezelfde kernbeteekenis vertoonen,
die door een zelfde differentieeringsproces is ontstaan.
640. Van twee absolute beamingen tot een nieuwe een-
heid verbonden, wordt de eene relatief.
Ik begin weer met een klein maar teekenend voorbeeldje : Mnl.
ie sat ende las. Nnl. ik zat te lezen. Van de twee absolute of
verbale beamingen is er een relatief of nominaal geworden.
641. Maar verder : ik zag Jan sliep (nog de gewone constructie
in het Arabisch) : ik zag Jan slapen. Ik wil gij leeft : te volo
vivere, tvaip Vfnomi jivasê. Ik denk de vent zal kwaad wor-
den : ^ yap oVofxai avSpa yoXu)a£|X£V. T^v yuvotxa Xeyoujiv óiQ
xaÖTixai ya|xat (Xen. Cyr. 7. 3 5.) : TV' Y'jvotxa XÉyo-Jffw xaöijaOai
7a(jLai. FAdi xivs; 01 jjl'eXeyov o*>< xaxaSiTjXXarTiV (Aristoph. Vespae 1284)
Elat TtvE^ 01 [jL'e)v£Yov y.oL-zaOiTXkayr^'^aLi, K'jpi£ e''/^iüv <J£ Öti oxXrjpo^
eT ^vOptoiroc (Matth. 25. 24) : Domine, scio te hominem durum
esse, enz., enz.
Nog verder gaat de differentiatie als wij in zinnen als den laatste
den Infinitief weg laten : Novi te hominem durum. ik ken u als
een hardvochtig man. Zoo is uit een verbum finitum een volledig
nomen geworden. Evenzoo in : een borne hiet Kriekepit : een bome
Kriekepit genaamd , enz.
— 285 —
641. Met dit laatste voorbeeld echter zijn wij plotseling midden
in de kwestie over het ontstaan van verbum en nomen. De 3d» per-
soon is toch het hengsel waar al de verbaal-zinnen op draaien,
en de 3de persoon, zoowel enkel- als meervoud is in het Oer-I dg.
identiek met de twee meest gebruikelijke participiaal dus nominaal
vormen op -t- en -nt-. Wat is nu oorspronkelijk verbum of nomen,
of preciezer gezegd : Wat is ouder het participiaal gebruik, of
het verbum finitum-gebruik van de genoemde vormen (i)? Zonder
éénigen twijfel het laatste. En waarom? Omdat de absolute reali-
teitsbeaming de allereenvoudigste en allerooTspronkelijkste hoogere
psychische functie is.
Deze voor-de-hand-liggende oplossing van het bekende vraagstuk
der Impersonalia, zal ik misschien te gelegener tijd, in een mono-
graphie nader verdedigen. Hier verbiedt mij de plaatsruimte op
de bezwaren in te gaan, want zij zijn legio, en de literatuur er-
over is niet gering van omvang. Één oogenblik van onbevangen
nadenken moet ons de overtuiging geven, dat zinnen als : het regent^
het sneeuwt, wat hun psychischen inhoud betreft, zoo voelbaar pri-
mitiever zijn dan nomina als regen en sneeuw. Alle verder gerede-
neer kan de kwestie toelichten of bij benadering illustreeren ; ze
uitmaken kan alleen de intieme intuitie van het zelfbewustzijn. En
wie die getuigenis versmaadt is tóch voor geen verdere argumenten
toegankelijk.
642. De wind blaast, ventus flat, ziedaar twee zulke oude woor-
den naasteen, maar reeds gedifferentieerd : De oervorm beteekende :
het waait, het blaast, en niets anders. De proto-type van subject-
praedicaat was een dubbele absolute beaming derzelfde realiteit (2).
Aanvankelijk waren die twee beamingen identiek en meest nog
subjectief : het blaast, het blaast (gezegd van den wind, dien men
tegen de bloote huid voelt). Daarna volgde met de subjectieve
beaming ook een objectieve (van de beweging der boomen b. v.) :
Het blaast, het waait. Daarna allerlei objectieve beamingen samen :
Het waait, het giert. En pas daarna begon zich bijwijlen uit twee
zulke afzonderlijke psychische akten eene eenheid te ontwikkelen. Tot
(i) Hiermee is natuurlijk parallel de vraag : Wat is ouder de
possessieve conjugatie der nomina of de subjectieve conjugatie der
verba? Op beide vragen moet natuurlijk hetzelfde antwoord komen.
(2) Lazarus : Leben der Seele, II, Berlin. 1878, blz, 272-78;
A. Stühr : Die vieldeutigheit des Urtheiles, Leipzig-Wien, iSgS, blz.
^8 vlgd.; Idem : Algebra der Grammatih, Ibidem, 1898, blz. 5i vlgd.
— 286 —
zulk een eenheid voegden zich nu echter het gemakkelijkst ééne tamelijk
nieuwe en ééne reeds lang bekende oude beaming derzelfde rea-
liteit te samen. De wind blaast, de wind giert, enz. En zoo heb-
ben wij tevens meen ik de diepere psychologische reden gegeven,
waarom, gelijk Dittrich zoo juist heeft opgemerkt alle primaire
composita, en gelijk wij er hebben bijgevoegd, alle eenvoudige zinnen
uit de kindertaal zie n** 266 noot 3 tot Erfahrungs. en Erinnerungs-
composita kunnen worden gereduceerd. Maar de conclusie, waar het
om te doen was, is : Dus de kern -type van den Idg. — en ik
mag wel zeggen — den algemeen- menschelijken volzin, dankt zijn
ontstaan zoo al niet aan de feitelijke differentieer ing van twee ab-
solute realiteitsbeamingen in ééne absolute en eene relatieve, dan
toch aan de effectieve voorkeur, die onze mentaliteit gevoelt voor een
gedifferentieerde boven eene ongedifferentieerde tweeledige eenheid.
648. En zeer veel verdere eigenaardigheden van de syntaxis
der meer ontwikkelde talen vinden hunne algeheele verklaring in
het feit dat zich eéne absolute realiteitsbeaming handhaaft als top
der golvende groep (i), maar alle andere tot relatieve en potentia-
liteitsbeamingcn omlaag drukt naar de hellingen van op- of neder-
gang, in alles tot op bizonderheden toe vergelijkbaar met de geac-
centueerde silbe tegenover de ongeaccentueerde.
644. Maar ook twee aanschouwelijke beamingen ver-
eenigd, differentieeren tot een aanschouwelijke en een aan-
duidende. Dit feit betreft feitelijk de voorstellingen ; maar daar de
beamingen — althans in onze opvatting — toch ook wezenlijk ver-
anderen naar gelang de voorstellingen al of niet in potentia zijn,
meenden wij het beste deze formuleering te kiezen.
Welnu, dit onderdeel der wet kunnen wij elk oogenblik aan ons
zelven in allerlei eenvoudige zinnen en samenstellingen ondervinden,
gelijk wij dat in n" 35 en iSg reeds hebben uiteengezet.
646. Maar ook in de structuur der taal zelf treedt het duidelijk
op in het gebruik der pronomina. Deze zindeelen danken toch juist
hun naam hieraan, dat zij pro nomine worden gebruikt ; m. a. w.
in de plaats van een aanschouwelijke beaming. Nu is dit gebruik
zeker wel hystcrogeen, en hadden de Oude Grammatici onrecht
hieraan den naam voor deze groep van oorspronkelijke gevoels-
woordjes te ontleenen, maar namen zijn namen, en dat de overgang
dien wij bedoelen aller frequentst is, bewijst hij voldoende; als wij
(i) En daarom schuilt achter de vreemd-aandoende zin-schema*s
van Franz Kern een diepe zin.
— 287 —
ten minste voor een feit, dat wij honderd malen per dag zelf
vertoonen, nog naar historische bewijzen willen zoeken.
646. Van twee beamingen wordt er een tot gevoel.
Hiervoor kunnen wij bij de juist aangehaalde verschijnselen blij-
ven. Verdere differentieering drukt toch zoo'n aanduidende beaming
in een pronomen belichaamd ontwijfelbaar tot een louter ver-
bandsgevoel woordje omlaag. Andere voorbeelden zijn de catego-
rieën in n" 239, 240 besproken, als ontJ[ettend mooi, geweldig
lekker, duivel, God, /^lArzwart, vMMrrood, hd. 6/i/fjung. en nog an-
dere uit § i85 vlgd als fra. c/rcf . /ef, toujours, ofra toutes voies,
enz. enz.
647. Van twee vereenigde gevoelens wordt er eene tot
ge vo elsbeaming.
Al de woordjes voor fe/^ in de Idg talen zijn daar sprekende
voorbeelden van : ego-met, tu-te, is-te, *is-pse : Uit ego- spreekt
het ikheids gevoel en uit -met de besliste beaming ervsyi. En zoo
met alle samengestelde pronomina, althans in den tijd, dat hunne
samenstelling nog levendig gevoeld wordt.
648. Dat nog vele andere voorbeelden van ons vierde hoofdstuk,
waarin wij altijd zagen, dat gevoclswoorden in beamingswoorden
overgingen, ook het gevolg zouden zijn eener differentiatie van
twee gelijktijdige gevoelens, ziedaar een bevroeden, dat ik naar aan-
leiding van nr 646 voorloopig alleen durf aangeven maar nog niet
met overtuiging mag beamen.
649. Ten slotte zien wij de differentiatie en wel haar algemeen-
sten vorm nog in den stijlregel, dien wij boven in nr 344 al heb-
ben aangeraakt. Op dezelfde wijze toch, als wij in plaats van telkens
hetzelfde woord liever een pronomen gebruiken, trachten wij, waar
een pronomen niet zou volstaan, althans niet altijd het^^elfde sub-
stantief of werkwoord te gebruiken : wij zoeken naar een ander
woord I Welnu, juist als bij de pronomina heeft ook dit woordge-
bruik een dieperen grond in de wetten van ons zieleleven : tweemaal
hetzelfde idee of gevoel in één bewustzijns-eenheid dat gaat nieti
Een van beide moet onderdoen en plaats maken voor een naverwant.
Een ander typisch voorbeeld zien wij nog in n» 661.
660. B en C. Maar ook de psychische inertie en anticipatie
werken op de beaming en het gevoel zelf.
Dat de grootere energie der beaming of gevoelsakt zich aan het
woordbeeld kan meedeelen zien wij in de reduplicatie.
Begint de dreumes eigenlijk te spreken, dan gaat de nog onge-
— 288 —
oefende oplettendheid heel langhaam van de ééne beaming naar de
andere, ze kan er zoo gauw niet van afkomen : Vandaar allerlei
vroordverdubbelingen : papa, mama, nana, enz.
Dezelfde psychologische verklaring geldt de talen der onbeschaafde
volken, die zoo rijk zijn aan allerlei reduplicaties.
661. Maar behalve de oplettendheid die zoo om redenen, buiten
het psychisch feit zelf, het kan doen voortduren, kan zoo'n feit nog
intrinsieke energie hebben, waardoor het zich te vroeg opdringt of
langer dan gewoonlijk handhaaft (i).
Als voorwaarden, waarschijnlijk zelfs gedeeltelijke oorzaken van
deze intrinsieke energie noemt Theodor Lipps de volgende (2) :
lo De quantitcit der prikkeling, respectievelijk haar intensiteit,
(Intensitë,tsenergie) haar massa of hoeveelheid (Massenenergie), haar
machtige gevolgen. (Assoziative Energie.)
20 Haar sterke gevoelstoon. (Positive, bzw. negative Lust- oder
Wertenergie.)
3^ Het verrassende van iets gewoons in een samenhang, waar
men het volstrekt niet verwacht. (Dispositionelle Energie.)
40 Het nieuwe, het buitengewone der prikkeling. (Kontrastenenergie.)
66d. Nu behoeven wij de verschillende gevallen van geheele- of
gedeeltelijke reduplicaties in de talen maar na te gaan, om te zien
dat, waar de reduplicatie is, daar ook altijd psychische energie
wordt gevonden; dat hoe meer psychische energie er bij sommige
beamingen of voorstellingen pleegt op te treden, hoe meer reduplicatie
wij zullen vinden; hoe minder energie, te minder reduplicatie; en
dat waar geen energie is, ook geen reduplicatie optreedt; om met
zekerheid als oorzaak aller reduplicaties in eersten aanleg de psychische
inertie en in laatste instantie de psychische energie te leeren kennen.
663. Om dan met de extrinsieke energie te beginnen : 't Is na-
tuurlijk een feit, dat bij de toenemende beschaving de extrinsieke
energie vermindert. Welnu, wij zien bij de ontwikkeling der Idg.
talen dan ook de reduplicatie voortdurend afnemen.
Dblbrück heeft zich voor den Grundriss afgesloofd, om in de
werkwoorden der 3de klas van Paijini en ook in de soort : pibati-
fxi[jLva> overal iets iteratiefs of intensiefs te ontdekken, en na met
veel tobbens voor een derde van het zeer onvolledige materiaal
hier zoowat mee te zijn klaargekomen, zich tot herademing de
(i) Het is in vele gevallen ook hier weer moeilijk uit te maken,
of de reduplicatie oorspronkelijk aan anticipatie of inertie is te wijten .
(2) Th. Lipps : Leitfaden, t. a. p., blz. 41-42.
— aSg —
conclusie veroorloofd : dat het dus met de overige ook wel zoo
zijn zou. Maar hij heeft het zich veel te moeilijk gemaakt. Deze
twee klassen van ww. als zoodanig zijn toch ongetwijfeld zeer
antiek, 't zijn alle oer-oude stammen, mee van de eerste en on-
misbaarste in elke oplevende taal; ze dagteekenen dus uit een tijd
dat ook het Indogermaansch nog in de c< Lall-periode » (i) moet
verkeerd hebben. Langzamerhand en onder allerlei invloeden, raak-
ten deze oude familiestukken een voor een in de verdrukking, en
van de meeste zien wij dan ook reeds in de oudste bronnen, met
onmerkbaar verschil van beteekenis vormen zonder reduplicatie ver-
schijnen.
664. Bij de meest onbeschaafde volken vinden wij drie- vier-
vijfvoudige verdubbeling (2). Tot bij de meest beschaafde volken
hetzelfde bij de grootste in- trinsieke energie (3). Bij wat het spraak-
gevoel nog voortdurend als intensieven voelt treffen wij in de
beschaafde talen meest wel slechts verdubbeling, maar toch verdub-
beling van het heele woord (4) of althans den heelen statn, b. v.
ddrdarti. Waar de intensieve kracht niet zoozeer gevoeld werd :
slechts gedeeltelijke reduplicatie : bijna alle Idg. voorbeelden. Waar
de beteekenis vroeger intrinsieke energie had maar, die langzamer-
(i) Men begrijpt dat ik onder Lall-periode niet versta : een tijd-
perk van taal, dat de menschen niets deden dan verstandeloos lallen
als apen of kinderen van één jaar; maar wél : een periode, toen de
menschen óf nog meer moeite hadden met articuleeren, óf altijd met
meer gevoel spraken en elke spreekvoorstelling dus eenmaal geac-
tueerd, zooveel energie bezat, dat ze bijna immer een secundarfunction
beleefde, die zich naar buiten in herhaling of reduplicatie toonde. Zoo
moet het o. a. het geval zijn geweest in den vormingstijd van de namen,
die ons uit den Klein-Aziatischen taaistam nog zijn overgebleven.
(2) Deze en volgende beweringen steunen op de feiten bij Aug.
PoTT : Doppelung als eines der wichtigsten Bildungsmittel der Sprache,
beleuchtet aus Sprachen aller Welttheile, Lemgo-Detmold, 1862;
G. Gerland : Intensiva und Iterativa und ihr Verhdltnis j^u ein-
anden Leipzig, 1869.
(3) Zie o. a. voorbeelden van drie- tot vijfvoudige herhaling in
't Fransch en Italiaansch bij Hultbnberg, t. a. p., blz. 29-30.
(4) Voor een interessante herhaling van 't werkwoord (Infini-
tief -f. persoonsvorm) zie W. Mkyer-Lübkb : Der intensive Infinitiv
int Litauischen und Russischen, IF. XIV, blz. 114 vlgd. Het « Nord-
18
— 290 —
hand verlcx>r, daar verdwijnt ook van lieverlede de reduplicatie,
b. V. het Idg. Perfectum, daarover aanstonds meer. Maar waar
altijd energie blijft, blijft ook de reduplicatie, of als zij ten gevolge
van accent- of klankwetten bijwijlen mocht te loor gaan, ontwikkelt
zij zich immer weer opnieuw (i)
Hoe ook het meervoud waardeeringsbeteekenis en dus intrinsieke
energie heeft, hebben wij op het einde van ons vierde hoofdstuk
gezien. Daaraan beantwoordt ien deele de oorspronkelijke reduplica-
tie der iteratieven, maar vooral de in Amerika tamelijk frequente
reduplicatie van het Nomen, als Pluraalvorm.
Wien deze beknoptheid toch wat overdreven mocht voorkomen,
sla het reeds geciteerde boek van Pott na, waarop deze bewerin-
gen berusten. Reeds de Index moet treffen dunkt me, door 't kloppen
met onze verschillende soorten van energie. Misschien voelt zich
iemand geroepen om het daar verzamelde materiaal plus het sinds-
dien nog bijgebrachte in de hokjes van deze bewijsvoering onder
te brengen, des te beter, maar mijne taak mocht dit hier zeker niet
zijn, daar hier niet zoozeer met groepen, als met een onoverzienbare
massa van schijnbaar losse feiten te werken valt.
666. Alleen ten slotte nog een verklaring van de Perfect-redu-
plicatie. Daartoe verzoek ik den lezer in nr 444 eerst nog eens eenige
voorbeelden van onomatopeeën op te slaan uit de talen, die hij
het beste kent.
Ik weet niet of ik in mijn keus gelukkig ben geweest, maar de
deutsch » behoeft geen « bcdeutende Einschrankung » gelijk Meyer-
LüBKK waant. Zie maar bij M. Wunderlich : Unsere Umgang-
sprache, 1894, blz. igS. En vgl. nog Svedelius : Uanalyse du
langage. t. a. p., noot blz. 98, die, al gebruikt hij een ander woord,
zeer terecht de Contrasten-energie als een der redenen opgeeft.
In 't algemeen vlg. nog Hultenberg, blz. 18 vlgd.
(i) Denk aan Comparatieven en Superlatieven; meerdere, ohd.
bezerora, nhd. destcrer (Seb. Frank), letzteste (Goethe), lat. mini-
missimus, pessimissimus (Seneca); de dubbele iteratieven : ventitare,
cantitare, jactitare, Poo-xsoxovto (|i 355); de fra. deminutieven Ba-
barpe, Bé-bèle, Chachale, enz. Zie hiervoor Fr. Diez : Gemination
und Ablaut im Rotnanischen, Hoefers Zeitschr. f. d. Wissenschaft
der Sprachc, III, blz. 397 vlgd. Zie bij Meyer-Lübke : Einführ,
j-« die Rom, Sprachw.. Heidelberg, 1901, blz. 80, nóg een voorbeeld
van reduplicatie in Auslaut : trainana uit traina.
— 291 —
meeste, die ik onder de oogen kreeg, doen mij zeer schilderachtig
aan. In den kontekst voelt men vanzelf wat ze beteekenen, maar
het is haast niet te omschrijven : Ze hebben altijd over zich een
gloed van frischheid, van nieuw leven, iets kleurig teekenends en
pittigs op de tong. Nu eens verbeelden we ons in het klankverschil
het her en der te hooren als in bimbam, tingeltangen en zigzag;
dan weer het l^ontrast tusschen klein en groot, hard of zacht door
mekaar, dat natuurlijk telkens weer treft, zoo b. v. knibbelknabbel,
knipknap, krikkrak, getriptrap, enz., maar altijd en weder stelt
zich ons het geteekende feit voor : als iets levendigs, dat ons ver-
rast of teleurstelt (i), maar in elk geval sterk onze aandacht vraagt.
Welnu, zou nu de onmiddellijke waarneming van een ding, dat de
aandacht levendig treft^ omdat het anders is, als men het uit de vroe-
gere ondervinding kende niet de oudste beteekenis van het Idg.
Perfectum kunnen zijn? (Natuurlijk is het hier onderstreepte een
208t-eeuwsche reflectie op het toen onmiddellijk en eenled ig beleefde
gevoel.)
Uit deze beteekenis liet zich de toch voor zoo 'n oertijdperk
al te logische functie van : een toestand, die in het verleden is
bewerkt heel geleidelijk verklaren : doordat langzamerhand in der-
gelijke gevoelige waarnemingen van onverwachte dingen, de be-
aming begon op te lichten, dat deze veranderingen nu eens aan
een bepaald gekend feit te danken, dan weer aan geen bekende
werking te wijten waren, totdat zich ten slotte een verstandelijke
reflectie van oorzaak naar voren drong, die in elk geval hier moest
gewerkt hebben, en waarvan de gevolgen nog voortduurden (2).
667. Maar ook de beaming en het gevoel zelf kunnen inertie
toonen; niet zóó, dat er een tweede nieuwe identieke akt op volgt;
maar zóó dat de eerste akte blijft aanhouden, blijft duren.
Maar hoe kunnen wij zoo'n innerlijk feit merken uit de taal?
Zeer goed, doordat de durende beaming of gevoelsakte ook voort-
durend woordbeelden blijft verwekken, die als nu eenmaal de wij-
zer op spreken staat, zich ook wel degelijk in heusche woorden
blijven omzetten.
Of wie is nooit met een oudje aan de praat geweest, en dat hij
bij zich zelven dacht : maar komt er nu heelemaal niets anders?
(i) B. V. mischmasch, Hflaf, hikhakkerij, himphamp, enz.
(2) Al zeer dicht bij dezen uitleg kwam Ph. Wegenbr : Unter-
suchungen, t. a. p., blz. 14.
— 292 —
Bij oude versleten menschen toch hebben alle psychische akten
niet om hun eigen energie, maar om de lustelooze matheid der
niet uitdrukkelijk geactueerde psychische omgeving, een bizonder
sterke inertie. En zijn zij nu eenmaal over een puntje aan den
gang, dan staat hun mond niet meer stil. Allerlei automatische
volzinnetjes loopen af, die van nabij of omtrent er mee te maken
hebben, en zoo blijft het duren, uren, bij verzwakten van zinnen
soms hun heele leven lang.
608. Eén bizonder geval echter is er, waar deze verschijnselen
zich ook bij het normale individu met meer dan gewone opvallend-
heid voordoen. En dat is bij vertalingen. Wij voelen zoo duidelijk
de beteekenis van het vreemde woord, maar we kunnen het niet
weergeven. Dat geeft opstuwing en opstuwing wekt energie. (Zie
nr 36i.) Wij schrijven een woord neer, maar neen, daar ontbreekt
iets aan, wij voelen het, de beaming werkt door, het woord moest
meer zeggen, moest langer zijn. Wij schrijven een ander, maar
neen, dat is ook niet goed. Ten slotte gebruiken wij ze beide, en
ja, nu is het goed.
Geen wonder dus, dat wij dergelijke woordverbindingen vooral
aantreffen in vertalingen of in 't algemeen bij meertalige individuen,
en dat zij karakteristiek zijn voor tijdperken of landen, waar twee
talen naasteen leefden. Zoo in de Middel-Engelsche periode : An-
gelsaksisch en Normandisch (i). Zoo in het Middelnederlandsch van
Zuid-Brabant : Nederl. en Fransch (2). Zoo in het Fransch der
renaissance tot Vaugelas : Fransch en Latijn. Dat het Javaansch,
dat tallooze voorbeelden van dit verschijnsel oplevert en dat gelijk
men weet een even onnoembaar getal Sanskrit-leenwoorden bevat,
op dezelfde wijze te beoordeelen is, kan ik alleen bevroeden (3).
669. Niet uitsluitend echter. Immers elk oorspronkelijk spreker,
elk schrijver, die zijn persoonlijke gedachten nauwkeurig tracht weer
(1) Leon Kellnbr : Historica! Outlines of English Syntax, Lon-
don, 1892, §§ 30-33.
(2) J. J. Salverda de Grave : Over de mnl. vertaling van de
Pèlerinage de la vie humaine. Tijdschrift v. d. Mij. Dl. 23, 1904,
blz. 24 vlgd.
(3) Roorda-Vreede : Beknopte Jav, Gramm.\ t. a. p., n' 164-167.
Mijn bevroeding heeft evenwel haar reden van zijn, daar dikwijls
vreemde (ngoko, Krama, Arabische of poëtische) woorden een van
de leden uitmaken.
— 293 —
te geven, verkeert dikwijls in hetzelfde geval van iets precies te
voelen en het toch niet te kunnen zeggen. We moeten dus ver-
wachten dergelijke woordverbindingen eveneens elders aan te treffen :
bij kunstenaars en in de volkstaal.
En zoo vinden wij ook. Gerber (i) heeft van allerlei dichters en
prozaschrijvers een macht voorbeelden bijgebracht. Voor de volks-
taal, vooral Russisch en Litauwsch, zie men Delbrück (2), voor 't
Latijn de daar aangehaalde dissertatie van Altenburg (3). Allerlei
Romaansche voorbeelden bij Hultenberg en Leiffholdt (4). Guido
Gezellb ten slotte doet het in zijn prozaverhalen onophoudelijk.
660. Dat hierbij dikwijls ook staf- en eindrijm m. a, w. gedeel-
telijke reduplicatie de dittologie nog aanschouwelijker en de één-
heid der beaming nog onbetwistbaarder maken zien wij in uitdruk-
kingen als : Trojae res et regna, ad muros et moenia, lügen und
trügen (voor triegen), oranje- blanje-bleu, door weer en wind, in
handel en wandel, met schade en schande, tegen heug en meug,
zonder blikken en blozen, enz. enz. enz. (5).
Dat deze woord verbindingen secundaire eenheden zijn blijkt wel
het duidelijkst uit de dvandva's, waarin twee zulke woorden zoodanig
tot één zijn geworden, dat ze heelemaal als één woord gevoeld,
betoond, geschreven en verbogen worden (6).
661. £n hier moet ik even terugkomen op de differentiatie der
beamingen. Want juist in deze uitdrukkingen toont zij zich op
(1) Gustav Gerber : Die Sprache als Kunst^ Berlin, i885, II,
blz. 238 vlgd.
(2) Delbrück : GrundrisSt III, blz. i55.
(3) O. Altenburg : De sermone pedestri Italorum vetustissimo^
Leipzig, 1898.
(4) H. Hultenberg, t. a. p., blz. 31-42; M. F. Leiffholdt :
Etymologische Figuren im jRomanischen, nebst einem Anhange : Wie-
derholungen betreffend Steigerung und Erweiterung eines Begrifis,
Erlangen, 1884, blz. 70-88.
(5) H. Paul : Prinppien^, § 32o.
(6) Nederlandsche voorbeelden zijn o. a. mnl. doof ende stom :
nnl. doofstom, 17de eeuwsch kers en versch : nnl. kersversch, hd.
gang und gabe : mnl. gancgave. Zie J. Verdam : Uit de geschie-
denis der Nederlandsche taal^, Dordrecht, 1902, blz. 280-81, 3oo.
Een algemeenere behandeling ook van dergl. dvandva's bij H. C.
Muller : Beitrdge i^ur Lehre der Wort^usammenset:(ung im Grie-
— 294 —
allermerkwaardigste wijze. Twee zulke beamingen toch dififeren-
tiecren, zoodat ze samen het scherpst-mogelijk contrast vormen (i).
En dit verschijnsel is zoo algemeen, dat men in den laatsten tijd deze
heele groep naar deze laatste eigenaardigheid is gaan noemen :
Die polare Ausdrucksweise, Materiaal en half-mislukte pogingen van
psychologische verklaring vindt men in de Programm-Abhandlung
van Henrich (2), en het lijvige boek van Kemmbr (3) Nederland-
sche voorbeelden zijn : jong en oud, arm en rijk, groot en klein,
vriend en vijand, lief en leed, vroeg of laat, hier en daar, nu
en dan, door dik en dun, enz., enz. Voor andere talen verwijs ik
naar de genoemde boeken wier groote tout — althans voor het
taalkundig gedeelte — juist hierin bestaat, dat zij de dvandva's
buiten rekening hebben gelaten. Vooral bij de verbale « Gegensatz-
verbindungcn » hadden Henrich en Kemmer het Nieuw-Griekschc
dvand va-materiaal uitstekend kunnen gebruiken.
662. Maar ten slotte werkt de inertie misschien het duidelijkst
in de assimilatie der woordkategorieën, m. a. w. in het omvormen
ecner bepaalde soort van beaming onder invloed eener voorafgaande
in dezelfde secundaire eenheid.
Het duidelijkst is dit, waar onder invloed van het hoofdzinwerk-
woord de realiteitsbeaming van den bijzin tot potentialiteit wordt, als
in de boven aangehaalde voorbeelden : Ik wist niet wie hij is, wordt
tot : ik wist niet wie hij was, enz.
Ik ga hier verder niet op in, omdat de meest- voor-de-hand-
liggendc voorbeelden toch alle reeds door Brugmann zijn bijeen-
chischen mit Excursen über Worti(usammensteIlung int Idg,, und in
verschiedenen anderen Sprachfamilien, Leiden, 1896, een boekje, dat
't evenwel veel minder breed heeft dan zijn breed-hangende titel
belooft.
(i) Natuurlijk bedoel ik hiermee niet, dat deze uitdrukkingen
s^elf eerst twee leden van gelijke beteekenis hadden, die daarna diffe-
rentieerden; maar het allerfrequentste voorkomen van deze groep
voorbeelden in tegenstelling van alle mogelijke andere, naast die
waar gelijke deelcn in beide leden voorkomen, motiveert, meen ik,
mijne conclusie voldoende.
(2) Emil Henrich : Die sogenannte polare Ausdrucksweise im
Griechischen, Neustadt a. d. H., 1899.
(3) Ernst Kemmer : Die polare Ausdruckweise in der griechischen
Literatiir, WQrzburg, 1903.
— 295 —
gezet (i); en een diepere verklaring zou moeten beginnen met voor
alle casus en vormen de hun-speciale beamingssoort af te leiden,
iets wat in deze Grondbeginselen toch niet geschieden kan.
663. Ik wijs er alleen op, dat naast Brugmann's progressieve
Assimilatie-voorbeelden, er ook regressieve staan,"^us dat dit geval
tevens voor de anticipatie als bewezen mag gelden.
664. D. Tot de voorbeelden van contaminatie van beaming
en gevoel zelf moeten op de eerste plaats zeer vele gevallen van
woord-contaminatie en syntactische analogie worden gerekend. Want
al komt het zeker óók voor, dat één gevoel of beaming twee woor-
den of constructies verwekt, die dan op de een of andere manier
samensmelten; wie, als ondergeteekende zich zelf dikwijls op der-
gelijke nieuwe combinaties betrapt heeft, zal uit eigen ondervinding
moeten bekennen, dat de contaminatie meestal wortelt in de ge-
compliceerde beamings- of gevoelsakte zelf.
665. Contamineerende associatie zijn verder zeker vele gevoels-
voorbeelden van ons vierde hoofdstuk ; gelijk men uit nr i5o ontwij-
felbaar kan leeren.
666. Contamineerende associatie is verder alle verandering Van
woordbeteekenis in de constructie onder invloed der andere con-
structiedeelen, waarvan wij in n« 614, 621 en daaromtrent reeds
voorbeelden hebben bijgebracht. Terecht is indertijd door Wegbner
opgemerkt, dat de ontwikkeling der woordbeteekenissen zeker voor
een groot deel aan dezen invloed der constructie te wijten is. Wij
zouden dan 'ook zonder af te dwalen hier de meeste hoofdstukken
uit Bséal's £55^1 de sémanh'que, kunnen invlechten, Paul en Wegbner
beter kunnen benuttigen dan hij gedaan heeft, Waag en Nyrop kunnen
excerpeeren, maar dat alles zou niets nieuws aan het licht brengen.
Als mijn lezer dus maar niet het idee heeft, dat onder D hier
maar heel weinig is onder te brengen, kan ik met gerust geweten
verder gaan.. ..
667. E. Om — jammer genoeg — alweer te moeten aandui-
den niet te mogen uitwerken. Het uitvoerig bewijs toch, dat, waar
(i) Kur:(e vergl. Gramm., t. a. p., blz. 697 vlgd. Zie verder
H. ZiEMBR : Junggrammatische Streif:{üge in Gebiete der Syntax*^
Colberg, i883, blz. 58 vlgd. en G. Middleton : An essay on Analogy
in Syntax, illustrated chiefly from the classical lan^ages with an
appendix containing the instances of syntactical analogy peculiar
to Herodotus, London, 1892, blz. 39 vlgd.
— 296 —
differentieerende subordinatie en associatie, waar inertie en antici-
patie samenwerken in de intieme bewustheid van verstand en ge-
voel, er schoonheid is, zou niets anders zijn dan een volledig aesthe-
tisch tractaat behandelend alle soorten en vormen van kunst, die
meer bizonder '» menschen bewuste innigheid doen gelden. Wel
hoop ik later ook dit nog eenmaal in den breede te behandelen,
maar hier ware zoo'n episode een onwelkom hors-d'oeuvre. Ik duid
daarom dan ook slechts aan, dat alle rechtmatige stijlfiguren een
dieperen grond hebben in onze vier psychologische wetten.
668. Laat ik er evenwel voor ons Nederlanders dit mogen bij-
bekennen : De mannen van '80 overtreffen Bilderdijk verre in de
onbewuste behoorlijkheid en de ongeëvenaarde bekoorlijkheid aller
hoedanigheden van het beeldende menschelijk taalgeluid; maar ten
anderen staan hunne werken dikwijls verre bij dien oudere ten achter
in de schoonheid der bewuste wederwaardigheden van 's menschen
diepste innigheid.
III. ALGEMEENE LEER DER WOORDSCHIKKING.
669. Zoolang er niets als enkelvoudige beamingen en gevoelens
zijn, is er voor eene leer der woordvoeging niets anders te doen.
dan te constateeren, dat de enkelvoudige woorden op elkander vol-
gen juist gelijk de beamingen en gevoelens na elkander komen.
Voor dien primitieven toestand geldt dan ook ten volle de uit-
spraak van Adolf Tobler : « In allen Dingen, welche die Wort-
stellung angehen, ist davon auszugehen, dass Verschiedenheit der
Wortstellung immer auf Verschiedenheit der Gedankenfügung beruht ».
Maar hoe Dr Elisb Richter er toe is kunnen komen, deze woor-
den — zij het dan ook zonder de door mij aangebrachte cursi-
veering — als motto te nemen voor haar boek (i) over de Romaansche
dat is dus een moderne West-Europeesche beschaafde woordvoeging,
daar staat mijn verstand voor stil; óók al mocht — wat wel het
geval zal zijn — de geleerde Romanist, van wien de woorden af-
komstig blijken, in dezen aan hare zijde staan.
En toch staan zij hierin niet alleen. Reeds bij Weil (2) — overigens
(i) Df Elise Richter : Zur Entwickhmg der romanischen Wort-
stellung aus der Lateinischen, Halle a. S. igoS.
(2) Weil-Super : The order of words in the ancient languages
compared with that of the modern languages, t. a. p., blz. 21 vlgd.
— 297 —
het beste werkje, dat tot nog toe over woordschikking bestaat, en
dat merkwaardig genoeg in de overigens rijk-voorziene bibliographie
van Elisb Richter ontbreekt — vinden wij dezelfde dwaling, en
Bermeker (i) wil dit zelfs als « die heute allgemein anerkannte Lehre »
doen voorkomen.
Trouwens dit is geen wonder Buiten Wbil, G. v. d. Gabelentz (2),
WuNDT (3), P. Barth (4) en Finck (5) heeft zich nog niemand met
de diepere oorzaken en het ontstaan der woordvoeging ingelaten,
en de genoemde auteurs (Weil en Richter uitgezonderd) hebben —
vooral zonder elkander te kennen — zich met enkele aanduidingen
over détailpunten tevreden gesteld, zonder ernstig te trachten, hier-
over eene samenhangende theorie voor te dragen.
670. En toch dat de woordschikking niet altijd op de volgorde
der beamingen of gevoelens teruggaat, is ons na al het vorige,
al zóó begrijpelijk, dat ik hier voorloopig met een zeer korte rede-
neering kan volstaan.
Dat de constructies op elkander volgen in de volgorde der be-
amingen en gevoelens, die zij beduiden, ddt is in het algemeen
waar, al zullen wij verderop ook daarin allerlei storingen zien
optreden. Maar hoe kan men bij de woordschikking in een con-
structie, die toch geheel in eens beaamd of gevoeld wordt, nog van
een parallellisme met de volgorde der beamingen en gevoelens spreken?
Jawel, herneemt misschien de een of ander, de secundaire eenheid
is toch uit een vroegere opvolging ontstaan. En daaraan beantwoordt
de tegenwoordige woordschikking. Eilieve en zou dan de woord-
schikking daarna nooit meer kunnen veranderen? Wij zullen zien.
Maar onthouden wij alvast het onderscheid tusschen de volgorde
der constructies en de volgorde der woorden in de constructies.
671. Wij hebben natuurlijk over deze beide soorten van woord-
voeging te handelen.
(i) Erich Berneker : Die Wortfolge in den slavischen Sprachen,
Berlin, 1900, blz. iSq.
(2) Men vindt de samenvatting zijner verschillende artikelen hier-
over in Die Sprachwissenschaft^, t. a. p., zie Register in voce
Wortfolge.
(3) WuNDT : Die Sprache, II, blz. 347-375.
(4) P. Barth : Zur Psychologie der gebundenen und der f reien
Wortstellung, Philosophische Studiën, 19, I, 1902, blz. 22 vlgd.
(5) Franz Nikolaus Finck : Der deutsche sprachbau als ausdruck
deutscher weltanschauung, Marburg, 1899, Sechster Vortrag.
298
De syntactische orde of de woordvoeging in de constructie is
— het spreekt van zelf — jonger en secundair.
De orde der beamingen en gevoelens of de opvolging der zelf-
standige eenheden is even natuurlijk ouder en primair.
En toch moeten wij met deze twee stellingen voorzichtig zijn.
Ten eerste zou het kunnen, dat de orde in de constructie iets
antiek-natuurlijks bewaard had, wat de orde der ideeën of con-
structies bij de toenemende beschaving heeft verloren; en dat zullen
wij inderdaad hier en daar aantreffen. En ten tweede bestaat de
mogelijkheid, dat ook de gedachten zich laten verleiden door het ge-
makkelijker automatisme, en niet in de heusche psychische volgorde
hare afzonderlijke uitingen rangschikken; ook dit komt maar al te
veelvuldig voor.
672. Ik geloof dat wij in dezen doolhof van complicaties het ge-
makkelijkst den weg zullen vinden, als wij ten slotte toch van de
secundaire syntactische orde uitgaan. Deze is immers automatisch.
En van het automatisme hebben wij al zoovele en verschillende
voorbeelden gezien, dat wij deze ook hier zonder veel moeite zullen
kunnen onderscheiden.
678. I. De automatische of sjrn tactische woordorde. Hieronder
behandelen wij dus de verandering der volgorde van de woord-
voorstellingen in den spreker, onder invloed van de constructie
waartoe zij behooren, veroorzaakt door onze wetten van psycholo-
gisch automatisme.
A. De differentiatie.
Naast (i) wie niet waagt wie niet wint : wie niet waagt wint niet,
» wie eerst komt wie eerst maalt : wie eerst komt maalt eerst.
» komt tijd komt raad : als de tijd komt komt raad,
j>, de dorper dient na dorper loont: naardat de dorper loon-
^^ijgU dient hij.
Wat zien wij dus ? Door differentiatie keert de volgorde der woorden
in gelijkende consirwcÜGdeelen om.
674. En nu begrijpen wij het chiasme der klassieken, de om-
(i) Ik schrijf hier naast niet uit omdat deze voorbeelden ons niet
zeker de oorspronkelijke woordschikking vertoonen. Aanvankelijk kan
het toch evengoed : waagt niet wint niet, komt eerst maalt eerst,
tijd komt raad komt, enz. geheeten hebben. Dan zijn ze eerst ge-
differentieerd, en daarna door inertie of anticipatie weer geparal-
lelliseerd; maar dat doet hier niets ter zake.
— 299 —
gekeerde woordvoeging van den bijzin in de moderne talen en nog
zooveel meer.
Ratio nostra consentit pug-nat oratio (Cicero). Ofra. fierent li un
li altre Ie defendent (Rol). Weinst du ich lache. Kom ik hij gaat.
Gaat Jan spelen Piet gaat loeren. Philosophia cupiditatibus liberat,
pellit timores (Cic). Epaminondas imperantem patriam Lacedaemoniis
relinquebat quam acceperat servientem (Cic). Tolle hanc opinionem
luctum sustuleris (Cic ). Graast Mi-merrie in ^e wei, Hector-hengst
loopt in 't gerij. Der Fromme liebt jeden niemanden der Böse.
Le roi est mort vive Ie roi. Jus summum saepe summast malitia
(Terentius), Si gladium quis apud te sana mente deposuerit repetat
insanus, reddere peccatum sit officium non reddere (Cic). De Heer
is groot, Zijn Naam is groot. Oneindig groot zijn wezen (Ev. gez.).
Si consul Antonius Brutus hostis (Cic). Das Recht ist eins doch
tausend heisst die Sünde, drum ist die Sünde leicht und schwer
das Recht (Raupach). ofra. chevaliers suis et vous bregiere. Cor-
nibus tauri apri dentibus se tutantur (Cic). Je l'évite partout partout
il me poursuit (Racinb). Horribilem illum. diem aliis nobis faustum
putemus (Cic). To rave with Dennis and with Ralph to rhyme (Byron).
Hearts firm as steel, as marble hard (Scott). Ut vehementius odio
libidinis tuae quam legationis metu moverentur (Cic). Satis loquen-
tiae sapientiae parum (Sallustius). Et proelio strenuus erat et bonus
consilio (Sallustius). Cum spe vincendi simul abjecisti certandi
cupiditatem (Cic). In voorspoed groot, klein in den nood. For your
voices I have fought, watcKd for your voices (Shakespeare). Fragile
corpus animus sempiternus movet (Cic). Non video quomodo sedare
possint mala praesentia praeterilae voluptates (Cic). Un'saint triste est
un triste saint (Fran^. de Sales). Si hostium fuit ille sanguis summa
militum pietas, nefarium scelus si civium. Qu'elle s'est servie de Dieu
et du peuple et qu'elle n'a servi ni le peuple ni Dieu. Lebt wohl
ihr Berge, ihr geliebten Triften — Ihr traurig stillen Thdler lebei
wohl (Schiller).
67Ö. AVat volgt hieruit ? Dat alle tegengestelde woordschikkin-
gen zoo ontstaan zijn? Volstrekt niet; maar dat zij alle zoo kunnen
zijn ontstaan. En dat wij dus volstrekt geen recht hebben de volg-
orde der woorden in de constructie, met een vroegere of latere
volgorde der gedachten in verband te brengen. Want zeker, het is
heel waar, dat de hoorder natuurlijk de gedachten opbouwt in de
volgorde waarin de woorden tot hem komen : maar de spreker
beaamt een constructie (in casu soms een heelen zin) ineens, en
— 3oo —
zijn automatisme — in het Latijn en Grieksch, waar men er op-
merkzaam op geworden was, natuurlijk ook de vrije wil — differen-
tieert constructiedeelen, die wat den inhoud en volgorde der be-
amingsphasen (i) betreft, generisch identiek mogen heeten.
676. Een andere vraag is echter, of, sedert er voor alle der-
gelijke constructies en constructiedeelen twee tegenovergestelde woord-
voegingen, hoe dan ook, waren ontstaan, elk van beide niet een
afzonderlijke beteekenis kon ontwikkelen. Want dit is wel degelijk
het geval gelijk wij verderop zullen verklaren.
677. B. De inertie toont zich hier vooral door het herhalen
van een zelfde woordvoeging in twee parallelle constructieleden.
Oind. di"§-ta-na§-ta- zoo gezien zoo verloren, ja-ta-prê-ta-
zoo geboren zoo gestorven. Dictum factum, zoo gezegd zoo gedaan.
Zoo gewonnen zoo geronnen. Hoe langer hoe beter. As cold as ice.
Zooveel hoofden zooveel zinnen. Small pains small gains. Bon ca-
pitaine bon soldat. 's Lands wijs 's lands eer. First come first served.
Komt tijd komt raad. Komen de tijden komen de plagen. Vroeg-
rijp vroeg rot. Vroeg wijs vroeg zot. Uit het oog uit het hart.
Roter bart untreue Art. Brune matinee belle journée. Bonne terre
mauvais chemin. Spijende kinderen dijende kinderen. Bloo Jan doo
Jan. Longue langue courte main. Früh gesattelt spat geritten. Heden
groot morgen dood. Hodie mihi cras tibi. Die dorper dient na
dorper loont. Soo 't kwam, soo 't voer. Wie eerst komt wie eerst
maalt. Niet en soet niet en suert. Daer seer daer hand, daer lief
daer ogen. Wie niet waagt wie niet wint. Wat niet weet wat niet
deert. Enz., enz.
678. Maar de inertie der woordengroep toont zich nog op
andere wijze. Zagen wij toch in de juist genoemde voorbeelden
hoe de woordengroep van de eerst-ter-tale-komende beamingsphase
door inertie een assimUeerenden invloed uitoefende op de woorden-
groep der in-woorden-volgende beamings- of gevoels-phase, boven
hebben wij reeds een geheel andere inertie in de woordengroepen
(i) Als ik hier en elders van beamings- of gevoelsphase spreek,
loochen ik daarmee volstrekt niet de gelijktijdigheid dier phasen in
de secundaire eenheden van bewustzijn die wij boven juist als het
karakteristieke onderscheid in den spreker tusschen deze en de
tertiaire gevoelseenheden hebben aangegeven, er wordt alleen mee
bedoeld de phasen van het uitspreken der constructie, of wil men
liever de innerlijke beamings- en gevoelsphasen in den hoorder.
— 3oi —
aangestipt, waarbij de eerste phase alleen een behoudenden een
conserveerenden invloed op de laatste phase uitoefent, en die wij
nu wat nader moeten bespreken : ik bedoel natuurlijk het willen
op termijn of grammatisch gesproken : de distantie-composita . zie
n" 270-271.
Want hoe kan toch, om eerst nog bij 't boven aangehaalde
voorbeeld te blijven, als we na den haal i nog eenige andere let-
ters geschreven hebben, ons daarna plotseling de punt op de i uit
de pen vloeien, als de samengestelde schrijfvoorstellingsgroep eerst
de haal en daarna de punt in dien tusschentijd niet actief was ge-
bleven, of m. a. w. geen inertie had bezeten?
Hoe kan van de spreekvoorstellings-groep ne pas, de laatste helft,
na een of meer woorden ertusschen, ons automatisch op de lippen
komen, tenzij door de inertie? En zoo is het met alle distantie-
composita.
679. Deze zijn echter in de taal in veel grootere getale aan-
wezig dan WuNDT en Brugmann hebben vermoed. Zij bleven te
veel aan de gewone grammatische opvatting van compositum han-
gen. Als WuNDT echter op zijne definitie verder had doorgedacht
(zie nr 270), en de secundaire beamings- of gevoelseenheid beter had
begrepen, moest hij reeds tot hetzelfde resultaat zijn gekomen.
Aan den vorm echter, gelijk die tot nu toe meest is opgevat (i)
kunnen wij de distantie-composita niet herkennen. Wij zullen dus
eerst beginnen met eene bijeenzetting geheel en al steunend op
de vroeger behandelde kenmerken; misschien dat wij zóó toch nog
een nieuwe eigenaardigheid vinden, aan deze klasse van distantie-
constructies eigen en distinctief.
680. In de eerste plaats dan : de eenheid van accent (in de
beperkte beteekenis). Deze helpt ons echter om de boven in nr 272
aangegeven reden al heel weinig in casu. Alleen de scheidbare
samengestelde werkwoorden spreken hier voldoende duidelijk : zie
de voorbeelden t. a. p.
681. In de tweede plaats : de invloed op elkanders klankvorm.
Om zeer begrijpelijke redenen is ook hier de buit niet van groote
beteekenis. Alleen de feiten die wij uit het lersch hebben bijge-
bracht (zie nr 540) spreken duidelijk voor verbum -f- rest, adjec-
tief + substantief, attributieve Genetief + substantief , enz. Als toch-
(i) Zonder er op te letten, dat de wederkeerige volgorde der woor-
den ook wel degelijk iets vormelijks is.
— 3o2 —
de aspiratie optrad, hoewel er andere geen-aspiratie-induceerende
woorden tusschen stonden, blijkt het onmiskenbaar dat de eerste
leden dezer constructies inertie moeten hebben bezeten. Evenééns
bewijst de congruentie voor allerlei attributieve samenschikkingen.
682. In de derde plaats : de invloed op elkanders beteekenis,
en hier is eindelijk het materiaal overvloedig. Want niet alleen wor-
den door dit kenmerk de vier reeds genoemde constructies opnieuw
als secundaire eenheden bevestigd, maar bovendien doen zich hier
nog een heele reeks nieuwe gevallen aan ons op.
De beteekenis van over verschilt in : een plaats overleden en een
plaats overslaan, maar eveneens in : ik las die plaats over en ik
sloeg die plaats over. Dus praeverbium + verbum.
Een haas schieten, een bok schieten en er langs schieten zijn drie
verschillende dingen, maar of ik nu zeg : ik schoot gisteren bijna
een haas, ik schoot gisteren bijna een bok en ik schoot er gisteren
bijna langs» het betcekenisvcrschil van schieten, en dus ook de een-
heid van schieten met de verschillende werkwoordsresten wordt er
niet minder op. Aan het laatste voorbeeld zien we dat de groep
praeverbium + verbum eigenlijk een onderafdeeling is van de onder-
havige. Dit komt vooral duidelijk uit in het Engelsch, waar de
praeverbia tot postverbia zijn geworden : b. v. The man I have
spoken of. Dus verbum + noodzakelijke aanvulling of rest.
Wij zagen boven dat de beamingsbeteekenis van klein in kleine
microbensoort een heel andere was als in een klein leger; maar
niemand zal beweren, dat diezelfde beteekenisveranderende invloed
van het nomen niet meer bestaat in : « een kleine maar venijnige
microbensoort » en « in een klein maar dapper leger ». Trouwens de
congruentie spreekt hier duidelijk genoeg. Dus attribuut + nomen.
Maar ook de attributief gebruikte casus en het nomen verkeeren
in het zelfde geval. Het licht des verstanes en het licht der lamp
zijn zeer verschillend, maar ze worden er niets gelijker op, als ik
ZQQ : « het licht van het menschelijk verstand » of het licht der
nieuwe electrischc lamp. Trouwens de rectie, die wij ook bij vele
gevallen boven hadden kunnen aanhalen, zou als argument kunnen
volstaan. Dus casus + nomen regens.
Met de adverbiale bepalingen bij attributen is het al evenzoo gesteld.
In adtnodum a paucis populis, sehr ein schönes kind, heel iets anders,
fM ein dummes Tier, enz., hebben de adverbia een beamingsbetee-
kenis in alles afhankelijk van het bijbehoorende attribuut, al staan
zij er ook door een ander woord van gescheiden. Dus attribuut +
adverbium.
— 3o3 —
Maar subject en praedicaat congrueeren immer. Dit is al bewijs
genoeg; wil men nog andere denk dan terug aan het verschil tus-
schen het fiYten van Mevrouw en een spin, dat volkomen in zijn
waarde blijft ook al zet men er een halven zin tusschen. Dus sub-
ject + praedicaat.
Eindelijk conjuncties en praeposities met hunne respectievelijke
afhankelijke werkwoorden en nomina. Praeposities en conjuncties
regeeren; bovendien hebben zij slechts beteekenis in verband met
het verbum of nomen. Dus praep -|- nomina en conjuncties -f- verba.
Deze groepen omvatten, gelijk ieder aanstonds ziet, veel, zeer zeer veel.
Een eenigszins komplete lijst met voorbeelden, zou, ook al gaven
wij van elke onderafdeeling maar een paar staaltjes, licht lo è, i5 blad-
zijden vullen. Iedereen kan zich echter met weinig moeite dat ma-
teriaal bedenken.
688. Zien wij evenwel eens goed, wat er nu voornamelijk tus-
schen de twee deelen van zoo'n distantie-constructie wordt ingescho-
ven, dan bemerken wij, dat dit altijd, waar geen bizondere om-
standigheden tusschen beide treden, juist een nieuwe bepaling is
vkn de secundaire eenheid tusschen wier deelen zij staat c< einge-
klammert »,
Onder attribuut -J- nomen valt natuurlijk op de eerste plaats :
artikel -|- nomen. Welnu, wat zien wij nu b. v. in het Grieksch :
T(JL» Tou 5(opou 8iSaaxdtX(}i, ol vuv A'vOpioTroi, lat. plura proferre possim
detrimenta, magno vir ingenio, of regens + rectum : lat. Heri semper
lenitas (Terentius). Caesaris in Hispania res secundae, nl. 's hemels
blauwe luchten. Onder verbum + rest valt natuurlijk op de eerste
plaats het hulpwerkwoord + hoofdwerkwoord. Quod precatus a Jove
Optimo Maximo ceterisque diis immortalibus sum, Quirites, of sub-
ject + praedicaat, nl. Hij heeft de heele wereld overwonnen, enz.
Cicero orationem habuit, of conjunctie + verbum, nl. Toen wij de
kanonnen afschoten, enz. enz.
Bijna alle zinnen uit alle Idg. talen kunnen hier als voorbeeld
dienen. Wij hebben hiermee dus ook een uiterlijk kenmerk der
distantie-constructies gevonden : de Einklatnmerung.
684. Ik kies dezen naam naar Georg. v. d. Gabelentz die
reeds voor jaren op dit feit opmerkzaam maakte (i).
Over de nominale attributen en het lidwoord sprekende, zegt hij :
Hier wird das Nachstzusammengehörige auseinandergerissen, Anderes
(i) Die Sprachwissenschaft^, t a. p., blz. 468.
— 3o4 —
zwischenhinein geklemmt, so zu sagen umklaftert, und eben dadurch
recht sinnfallig wie ein HQndel zusammengehalten.
En sprekend over den bijzin met conjunctie : Er soll aber auch
zum Bundel werden, und dies geschieht wieder im Wege der Ein-
klammerung, indem man die Conjunction und das von ihr abhangige
Verbum finitum soweit auseinander sperrt» dass alles Uebrige da-
zwischen Platz bat.
685. Ik merk hier nog bij op« dat dikwijls, het complex van
omklampende en omklampte woorden slechts ééne nieuwe secun-
daire beamings-eenheid vormen, uit twee andere secundaire eenhe-
den onstaan.
Aanvankelijk echter altijd, en nu nog zeer dikwijls uit zich tus-
schen de deelen eener secundaire eenheid, eene andere zelfstandige
primaire of secundaire; en zoo zal men langzamerhand gaan be-
grijpen, waarom ik als nadere definitie van den Idg. volzin zou
willen voorstellen : Eene aaneen- en ineenscliakelin^ van se-
cundaire beamingTB- en gevoelseenheden, min of meer vol-
komen in een voorafjgraand vaag gevoel voorzien en bedoeld.
686. Maar is het nu waar, wat uit v. d. Gabelentz' formu-
leering zou kunnen blijken, dat alleen van de engste dus de meest- ééne
psychische eenheden, de woorden zóó uit elkander gerukt kunnen
worden, om tot omklamping van andere te dienen.
Als dat waar is, dan zou Dr Elise Richter op een heel verkeer-
den weg geweest zijn, toen zij in haar vijfde hoofdstuk eene distinctie
door ging voeren tusschen « Engere und weitere syntaktische Ver-
bindungen », en juist die voor het engst, of het meest één verklaarde,
die nooit in den zin werden vaneen gerukt.
687. Beide meeningen klinken op het eerste gehoor even waar-
schijnlijk. Naar het ons wil lijken ligt echter de waarheid in het
midden : Het al of niet gescheiden zijn der woorden, heeft met de
min-of-meer enge psychische eenheid niets, volstrekt niets te maken.
Want alle soorten van scheidbare constructies komen in dezelfde
taalperioden zonder eenig merkbaar verschil als ongescheiden voor.
Maar desniettemin is het een feit, dat er naast die scheidbare vele
volstrekt onscheidbare constructies bestaan. Welnu, dit verschil
wortelt niet in de min of meer enge psychische eenheid, maar in
de meerdere of mindere cohaerentie der spreekvoorstellingsgrocp —
of waarom zouden we den chemischen parallelterm ontwijken? —
in de meerdere of mindere adhaesie der gezamelijke spreekvoorstel-
lingen, die een secundaire psychische eenheid beteekenen.
- 3o5 —
688. Deze term dient in de taalwetenschap te worden ingevoerd (i)
want hij beantwoordt aan een feitelijk en voelbaar verschil.
Constructies met veel adhaesie zijn de echte onscheidbare com-
posita en ik zie geen enkele reden, waarom wij de reeks contra-
dictorische termen met dien van Distanz-composita zouden vermeer-
deren (2).
Composita met weinig adhaesie zijn al de overige, die in den zin
gescheiden kunnen worden, om tot Einklammerung van andere
psychische eenheden (of hunne deelen) te dienen.
Zoo was b. V. in het oudere igd-eeuwsche beschaafde Nederlandsch
de groep : iets anders nog geen compositum, zij had nog weinig
adhaesie, en als het te pas kwam, kon men alleen zeggen : iets heel
anders. Nu echter is deze constructie tot een compositum aan het
worden : zij heeft veel adhaesie en wij zullen meest zeggen : heel
iets anders.
Hetzelfde verschil vinden wij tusschen het beschaafde en het
dialectisch Hoogduitsch : hd. ein zu dummes Tier, dial. zu ein-
dummeS'Tier; hd. ein sébischönes Kind, dial. sehr ein'Schönes-Kind,(3).
Zie tal van andere voorbeelden uit alle tijdperken van het Ro-
maansch bij Elisb Richter, t. a. p.
689. In het algemeen kan men zeggen dat met de ontwikke-
ling der talen de adhaesie toeneemt. In het Sanskrit, Latijn en
Grieksch b. v. is de adhaesie nog veel veel zwakker dan in onze
nieuwere talen. En vandaar hunne vrije woordschikking. En om ten
(i) Brugmann heeft het gemis gevoeld en in de boven aange-
haalde Abhandlung en zijne Kur:^e vergL Grammatik (blz. 287) de
termen « Worteinung » en « Univerbierung » gebruikt, deze zijn
echter te vaag en voor allerhande psychische verklaringen vatbaar.
(2) Alleen verlang ik dat alle onscheidbare constructies compo-
sita worden genoemd, of wij ze aaneen schrijven of niet. Deze
tegenspraak berust op het onwetenschappelijk drijven der gramma-
tici, waaraan bij een hervorming der orthographie paal en perk
dient gesteld. Het best zou mij lijken, als men ook hier den midden-
weg insloeg en in plaats van aaneenschrijving het verbind ings-streeplj e
gebruikte, maar dat dan natuurlijk óók in alle composita waarvan
de samenstellende deelen nog afzonderlijk gevoeld worden.
(3) O. Weise : Syntax der Altenburger Mundart, Leipzig, 1900,
§ 291 : Die verstarkenden Adverbia jfw, gan:(, viel, gar, so treten oft
vor was oder ein statt vor dem zugehörigen Adjektiv.
20
— 3o6 —
slotte tot ons punt van uitgang terug te keeren : Weinig adhaesie
hebben dus gescheiden woorden, en toch één constructie blijven, dat is
hun alleen mogelijk door de psychische inertie der spreekvoorstellingen.
690. Maar nu wordt het ons toch opnieuw duidelijk dat het
verschil tusschen ein fw dummes Tier en fw etn-dummes-Tier, niets
volstrekt niets te maken heeft met de volgorde der gedachten.
Zu is voor den spreker een woord van intensiteitsgevoel (i), dat
hij beleeft volkomen te gelijkertijd met de realiteits-beaming : ein-
dummes-Tier.
Of het lidwoord nu gelijk in het Fransch en Engelsch vlak vóór
het nomen, of gelijk in het Skandinavisch en Rumeensch vlak
achter het nomen, of gelijk soms in het Grieksch, Hoogduitsch en
Nederlandsch een heel eind van het nomen éfstaat; de spreker
beleeft, eer hij het vooropkomende lid (zij het dan nomen of ar-
tikel) uitspreekt tegelijkertijd de beaming en het verbandsgevoel,
het geheel wordt ineens gewild, aanstonds volgt nu door de ideo-
dynamische wet het eerste lid, en te zijner tijd door de inertiewet
het tweede.
691. Met opzet koos ik hier om de gelijktijdigheid te betoogen,
niet als vroeger een eenheid uit twee beamingen bestaande, maar
een eenheid bestaande uit een gevoel en een beaming. Voor beide
geldt natuurlijk juist hetzelfde, maar juist aan de vereeniging van
gevoel en beaming is een twistpunt vast, dat het nuttig is even
aan te roeren.
WiLLiAM James toch, de groote Amerikaansche psycholoog, van
wien wij voor dit tweede deel zooveel geleerd hebben, had dit
nog niet juist ingezien en maakte van de praeposities o a. al-
tijd overgangsgevoelens, die wij zouden beleven tusschen de eene
beaming en de andere. Marty (2) maakte daar aanmerking op,
maar verviel in het ander uiterste — dat evenwel voor onze tegen-
woordige taal veel dichter bij de waarheid ligt — dat het verbands-
gevoel altijd met de beaming waar het bij hoorde moest samenvallen.
Feit is, dat James den primairen, Marty den sccundairen toestand
schetst. Het best zien wij dit bij de conjuncties, daarna zullen wij
ook de praeposities beter begrijpen.
(i) Hen die hierin nog tegenspraak mochten zien met « de bea-
mingsbeteekenis » van \u uit n' 682 blz. 3o3 boven, herinner ik
aan nr iSq van het eerste deel, waar dit onderscheid tusschen spre-
ker en hoorder is uiteengezet.
(2) Zcitschr. f. Psych. u. Phys. d. S., III, 1892, blz. 318-19.
— 3o7 —
692. Bij de conjuncties toch liggen de primaire en secundaire
toestand nog open en bloot voor ons.
Wat is het verschil tusschen lat. quia en nam, fr. parce que en
car, hd. weil en denttj engl. because en for, nl. omdat en want}
De grammaticus antwoordt, dat de eerste onderschikkende en de
tweede telkens nevenschikkende conjuncties zijn. Dat weet elke school-
jongen. Maar wat is de diepere beteekenis dier namen?
Wat is het psychologisch verschil tusschen een onderschikkende
en nevenschikkende conjunctie ? Mbyer Lübke (2) heeft hierop een
zeer-scherpzinnig antwoord gegeven : « Der wesentlichste Unter-
schied ist ursprünglich der, dass nam selbst^ndig betont ist, quia
dagegen tonlos ist, oder also : dass eine mit nam eingeleitete Be-
gründung von dem zu begrQndenden Satze durch eine Pause ge-
trennt ist. Mit anderen Worten : wenn der sprechende jfw einer
Aeusserung, die fM machen er im Begriffe ist, eine Begründung in
Satiform hin:^u^u/ügen schon von vornherein beabsichtigt, wenn sich
ihm gleich^^eitig mit der Aeusserung auch die Begründung dafür
ais notwendig vorstelit, so das:( er als :(u dem Ganij^en seiner Mit-
teilung auch die Begründung gehörig betrachtet, so drückt er sich
in der Art aus, dass er die Begründung durch quia einleitet.
Fühlt er dagegen erst nachtrdglich das BedQrfnis, das, was er
gesagt hat, auch zu begründen, so greift er zu den selbstdndigen, ur-
sprünglich nur auf etwas Vorhergehendes weisenden nam, Verwandt
mit den nam-Satzen sind femer die £n/m-S3.tze. Auch sie enthalten
nachtragliche Begründungen... aber [enim ist) zumeist tonschwach.
Konden wij ooit mooier bevestiging van onze theorie verlangen,
dan deze realistisch -ware taaiobservatie?
693. Maar nu trekken wij ook conclusies.
Nam is een pnwoord, dat het verbandsgevoel (en eventueel de
gevoelsbeaming) uit, die de spreker ook feitelijk tusschen de twee
zinnen beleeft; en zoo is het met alle echt-nevenschikkende con-
juncties. Een volzin uit twee echt-nevenschikkende zinnen bestaande,
bestaat dus uit minstens drie eenheden van bewustzijn : de bea-
mingseenheid van den eersten zin, het gevoel der conjunctie en de
beaming van den tweeden zin.
694. Enim is een partikel dat het verbandsgevoel uit, tegelijk
met de beaming van de reden in den tweeden zin, en 't hoort
daarin als een encliticon. En zoo is het met alle partikels : hun
(i) Grammatik der romanischen Sprachen, t. a. p., III, § 583.
— 3o8 -
gevoel is gelijktijdig met de beaming van de constructie waarin
zij voorkomen,
695. Quia is een conjunctie (en het ware misschien goed dezen
naam tot de onderschikkende voegwoorden te beperken) die het ver-
bandsgevoel uit, tegelijk mét de beaming van gevolg en reden,
tegelijk met de ééne beaming van vóór- en nazin tegelijk. En zoo
is het met alle onderschikkende conjuncties. De beide zinnen die
zij verbinden vormen ééne secundaire eenheid; of laat ik liever
zeggen : het geraamte, de werkwoordsvormen (met wat er onmid-
dellijk bij hoort), die zij verbinden vormen één secundaire eenheid ;
want uit het voorafgaande is het duidelijk, dat er tusschen de ge-
ledingen van zoo'n geraamte nog allerlei zelfstandige psychische
eenheden kunnen indringen, maar : «c eingeklammert » door het
geraamte, de ééne beaming van hoofd- en bijzin vereend.
696. Nu kan het echter gebeuren, dat het belang, de psychische
energie van een of meerdere afzonderlijke tusschengeschoven bea-
mingen, voelbaar grooter is, dan het geraamte zelf. Alsdan gaat
quia natuurlijk langzamerhand als ^inwoord fungeeren. En dit is
de waarheid die schuilt in Svedklius' te-algemeene formuleering :
Hoe langer de beide zinnen worden en hoe moeilijker ze dus in
ééne beaming vereenigd worden, hoe meer de conjunctie weer haar
oude karakter van zinwoord voor 't gevoelsverband aanvaardt. Voor-
beelden zie aldaar (i).
697. Hiermede parallel kunnen wij nu ook de meeningen van
James en Marty betreffende de praeposities aanvullen.
Een praepositie kan !(inwoord zijn, als het de uiting is van een
gespecificeerd gevoel, of eventueel een gevoelsbeaming, die bewust
wordt tusschen twee afzonderlijke beamingen in. Dit is het b. v.
vooral dikwijls het geval, wanneer de twee beamingstermen elkander
zelden of nooit in dit verband ontmoet hebben, b. v. (van een pas
getrouwden vriend) : Jan :iónder s^ijn vrouw (2). Zonder is zinwoord
van tegenstreven. En dit is de oudste functie der praeposities.
698. Een praepositie kan partikel zijn, uitend het verbandsge-
voel, dat we beleven gelijktijdig met de ééne beaming waarbij ze
hoort, b. V. In Nederland. En dit is de overgang tusschen de oudste
en de secundaire functie.
(i) SvEDELius : V analyse du langage, t. a. p.. blz. 58-5g.
(2) Een dergelijke bevroeding bij Svedelius maar veel te alge-
meen, t. a. p., blz. 55.
— 3o9 —
699. Een praepositie kan praepositie zijn, (en het ware wensche-
lijk dezen term tot dit laatste geval te beperken) en din uit ze
het verbandsgevoel van twee in secundaire eenheid vereenigde be-
amingen gelijktijdig met de gelijktijdige beaming van beide, b. v.
'n schip in nood.
Wij meenden bij deze gevallen iets langer te moeten stilstaan,
ten eerste omdat zij ons nu ook een duidelijk voorbeeld geven,
hoe in sommige gevallen de woordvoeging wél op de volgorde der
bewustheden wijst, en ten tweede, omdat fi; pas onze positie tegen-
over WuNDTs stelling (zie n' 274 vlgd.) ten volle begrijpelijk maken;
en onze heele theorie der constructie niet weinig klaarblijkelijkheid
bijzetten.
700. E. En. nu de anticipatie.
Dat niettegenstaande de secundaire eenheid van beaming, toch
sommige primaire bestanddeelen daarvan meer psychische energie
kunnen hebben dan de andere, bleek reeds boven. En eveneens, dat
dan de respectievelijke spreekvoorstellingen in dezelfde verhouding
staan. Door z'n energie werd dood herhaald in het voorbeeld : dood
is hij dood. m. a. w. de beaming had hier meer energie dan het
gelijktijdig gevoel : is-hij. Deze verdeeling werd op de spreekvoor-
stellingen overgedragen : het beamingswoord dood was krachtig ge-
noeg om zich nog eens voluit te herhalen, het gevoelswoord is-hij
bleef wat het was. De omgekeerde verhouding tusschen beaming en
gevoel zagen wij in : Dis nooit waar ni, waar het gevoelswoord werd
verdubbeld. In de differentiatievoorbeelden : Gaat Jan spelen Piet
gaat leeren, bleek dit al eveneens. De laatste beamingsphase had de
meeste energie, en behield de traditioneele woordvoeging, de eerste
was zwakker, en hare woordvoeging werd gediflferentieerd. Bij de
inertie der woordvoeging wederom hetzelfde.
701. Maar energie bewerkt ook te zijner tijde anticipatie, daar-
van zagen wij boven reeds vele voorbeelden van allerlei soort. Het-
zelfde ontmoeten wij hier.
Want bijna in alle talen komt het zeer dikwijls voor, dat het voor-
naamste zindeel, het woord dus, dat het meer-energische gevoels- of
beamingselement beteekent, zijn traditioneele plaats in den zin ver-
laat, om voorop te staan en de initiaal-betoning te vragen.
Deze anticipatie is zóó algemeen, dat Wegener (i) ze voor de
(i) Ph. Wegener : Untersuchiingen über die Grundfragen des
Sprachlebens, Halle. i885, blz. 32.
— 3io —
normale woordvoeging schijnt te houden wat Paul (i) terecht
bestrijdt, al is bij nadere overweging misschien Wegeners formu-
leering nog wél te rechtvaardigen.
Voorbeelden hiervan bij te brengen is wel overbodig. Elke taal
biedt er duizendtallen.
702. D. Verder de associatie, analogie of contaminatie. Deze
kategorie is rijk vertegenwoordigd.
Van twee nevenschikkende zinnen differentieert altijd de minst
energische (nr 673-74). Nu treft het, dat de potentieele of relatieve
bijzin ook doorgaans minder energie heeft dan de reëele of absolute
hoofdzin. De omgekeerde woordschikking associeert zich dus aan
den bijzin (2).
708. De bijzin zonder voegwoord staat altijd voorop, hij heeft
dus stijgend muzikaal accent, en « la pensee est inachcvée », zie
nr283. De vraagzin heeft ook stijgend muzikaal accent, de gedachte
is ook hier onvolkomen. De woordschikking van den bijzin associeert
zich dus aan den vraagzin. En zoo begrijpen wij ook de omgekeerde
woordschikking in den vraagzin. Voor wenschzinnen geldt natuur-
lijk hetzelfde.
704. Als de anticipatie één der beamingsphasen naar voren brengt,
zien wij in vele talen, de rest van den zin in omgekeerde woord-
schikking volgen. Ook dit is door een zelfde associatie te verklaren.
De gedachte van dit laatste gedeelte is niet-zelfstandig ; de ge-
dachten van bijzinnen zijn óók niet zelfstandig. De woordschikking
van den bijzin associeerde zich aan deze onzelfstandige aanvullin-
gen,, en zoo is ook de inversie verklaard.
Een heerlijke bevestiging van deze verklaring biedt ons de lersche
aspiratie en de relatief-K. Deze (waarschijnlijk uit de gewone eclips-n
ontstaan) wordt aan den werkwoordsvorm gehecht in allerlei bijzin-
nen; de overige (althans voor zoover ze relatief zijn) worden ge-
karakterizeerd door de aspiratie. Welnu beide afhankelijke vormen
van het werkwoord treden nu ook herhaaldelijk bij inversie op (3).
(i) Prinppien^, blz. 11 3.
(2) Dit geldt echter alleen voor de bijzinnen zonder onderschik-
kend pronomen of voegwoord. De eigenaardige woordschikking der
bijzinnen met onderschikkend pronomen of voegwoord is reeds boven
verklaard door de Einklammerung van al het overige tusschen con-
junctie of pronomen (het zinlidwoord) en het verbum finitum.
(3) H. Pedersen : Die Aspiration im Irischen^ II, t. a. p.,
§ 52 en § 69.
— 3ii ~
In het Fransch juist eender althans in uitroepen : tu es ivrogne :
ivrogne que tu es. Nous sommes malheureux : malheureux que nous
sommes. J'étais insensé de croire é, leur bonne foi : Insensé que
j'étais de croire, enz. Il est un fripon : Le fripon qü'il est (i).
705. Maar juist in dezelfde termen vallen ook de enclitische
tusschenzinnen : répondit-il, meinte er, said he, dacht hij, enz. Ook
zij zijn onzelfstandig. Vandaar namen ook zij her en der de omge-
keerde woordschikking aan.
706. Verder is de woordschikking ook op allerlei wijzen geas-
socieerd aan het intensiteits-accent in den zin. Valt dit toch habitueel
in het midden van den zin, dan zal de meest energische beamings-
phase die óók het meeste accent vraagt, zich fassocieeren aan de
middenplaats. Valt daarentegen het intensiteits-accent habitueel op
het einde van den zin. dan zal de meest energieke bewustzijnsphase,
die van nature immers het meeste accent vraagt, zich associeeren
aan de eindstelling, enz.
Het contrast dezer twee gevallen zien wij het allerduidelijkst tus-
schen het Latijn en Romaansch (2).
Het habitueele Latijn- ,, ///
"* II I '■^^^i I
sche accent was . . . — ^ -- ü '
Het habitueele Romaan- , , • LLL
I j- ^
sche accent is ... . * ^ ^
En daarom laat Pacuvius na Pylades' leugen : Ego sum Orestes, Orestes
zelf daartegen zoo mooi protesteeren met :Immo enim vero ego sumOrestes
dZH fortissimo ^^
Daarom zou dan ook dat zelfde zinnetje in het Fransch vertaald aldus
luiden : maïs par exemple, Oreste c*est moi, vous dis-je, c'est moi.
fortissimo
Maar zoo is het niet alleen met dit typische zinnetje, neen de
heele Fransche woordvoeging dankt daaraan haar sprekend analy-
tisch karakter (3).
(i) Ook in de Germaansche talen komen dergl. inversies voor :
beest dat je bent, de schurk dat hij is.
(2) Weil-Super ; The order of words, t. a. p., blz. 90 vlgd.;
maar vooral Elise Richter : Zur Entwicklung der Romanischen
Wortstellung aus der Lateinschen, t. a. p., 81 vlgd. met een rijk
materiaal.
(3) Zie voor de bizonderheden Weil en Richter, t. a. p.
— 3l2 —
707. Een laatste inwerking van het accent zien wij in het ver-
schillend gebruik tusschen Tordre ascendant en l'ordre descendant
waarop Weil heeft gewezen (i). Met Tordre ascendant bedoelt hij de
volgende : attribuut-substantief, objectum-verbum, enz. Met l'ordre
descendant meent hij de juist omgekeerde woordschikkingen. Welnu,
zeer terecht leerde hem nu zijn Fransch taalgevoel dat de ordre
ascendant veel geschikter is om een secundaire eenheid uit te druk-
ken, dan l'ordre descendant.
Un savant aveugle -~ ordre descendant zonder liaison, dus 2 af-
zonderlijke beamingen — is een geleerde die blind geworden is.
Un savant aveugle — ordre ascendant, met liaison, dus één con-
structie — is een geleerde blinde, enz.
Wil men derhalve den nadruk leggen op het adjectief m. a. w.
wil men de in casu geactueerde potentialiteit uitdrukkelijk d. i. af-
zonderlijk beamen, dan zet men het adjectief erachter : Daarom is
souvenir glorieux veel glorieuzer bedoeld dan un glorieux souvenir.
De reden van dit verschil is zeer duidelijk, het is niets dan een
associatie tusschen den Einheitsdruck op het laatste betoonbare lid
der secundaire eenheden, zie n' 329 vlgd. In un glorieux souvenir,
komt de Einheitsdruck op souvenir. Maar men wil souvenir geen
nadruk geven, vandaar de omzetting.
708. Dit verschil komt echter niet alleen in het Fransch voor,
neen in alle talen, waar de Einheitsdruck bestaat.
Zoo in het latijn : tres hómines : homines tres; hd. durch grosse
herrliche ThAten : durch Thaten, gjóss und hérrlich.
Dit is nu ook de reden van de schijnbaar zoo ongrammatische
wijze van vloeken bij de Duitschers in zwang, zoo : schuft ver-
dammter, heupferd verfluchtes, enz. Hermann wil dit verschijnsel
voor alle Idg. talen aannemen (KZ. 33, blz. 5o3) en Bernbker
(t. a. p., blz. i56) beaamt dit althans voor het Slavisch volkomen.
709. E. Ten slotte brengen ons diiferentiatie, inertie en anti-
cipatie vereenigd weer naar de Aesthetica, het rijk der kunst.
Parallellisme, chiasme, scheiding van 't bijeenhoorende, paarsge-
wijze ineenschakeling, vooropstelling van de woorden waar 't op
aankomt, en nog zooveel andere kunsten van woordschikking, worden
ons klaar bij het luisteren naar de ranke rhytmen van Ovidius*
disticha, of bij het naproeven van Horatius' kernige oden, zijn
over 't algemeen een kenmerk der klassieke poëzie.
(i) Weil-Super, t. a. p., blz. 62 vlgd.
— 3i3 -
710. Het meest typische voorbeeld is echter het parallelHsme.
Zeer duidelijk komt dit uit in de Hebreeuwsche poëzie, de Psal-
men b. V., waarvoor ik wel geene voorbeelden behoef bij te bren-
gen. Zoo bekend zijn ze.
En nog typischer ten slotte in het Chineesch. Was deze eigen-
aardigheid allang bekend, aan onzen Leidschen hoogleeraar G.
SCHLEGBL komt de eer toe, ze voor het eerst in bizonderheden
te hebben uiteengelegd en voor het verstaan der oude teksten te
hebben geëxploiteerd. » Dans deux phrases parallèles ou juzta-
posées, les lois du style chinois exigent que toutes les parties du
discours correspondent mutuellement : sujet k sujet, verbe k verbe,
substantif k substantif, adjectif k adjectif, ad verbe k ad verbe, nom
de lieu k nom de lieu, signe du génitif k signe du génitif, objet k
objet, etc. » (i).
Een eenvoudig voorbeeld in vertaling ontleen ik aan de la Grasserie.
Du courage — comme si Tsz-loong, Ie héros, était reparu dans Ie monde,
Des talents — comme si Le-pë, Ie poète, était né de nouveau.
Een voorbeeld in transcriptie met ontleding vind ik bij KQhnert.
dshi
Zeitw.
Pradicat
Neg. Zeitw.
be« kó
ming
lêïn
dsèï
hö
Attrib. Subst.
Zeitangabe
Zeit&ngabe
Attrib. Subst.
Zeitw. Pron.
Object
tsh^
Subst.
Zej
tw. Pron, Subst.
Xjy^
tsy
g]in
711. Deze laatste gevallen zijn nu al voorbeelden van automa-
tische woordvoeging ook tuiten de constructie. Welnu, die komt
ook in proza voor.
(i) G. ScHLEGEL : La stele du Téghin Giogh, Mémoire de la Société
finno-ougrienne, III, Helsingfors, 1892, De aangehaalde plaats op
blz. 3o; Idem: La loi du parallélisme en style chinois. Leiden, 1896;
Vergl. R. DE LA Grasserie : Essai de métrique chinoise. Revue
de Linguistique, 1893, tiré è part, blz. 24vlgd.; Fr. Kühnert : Ueber
den Rhyihmus im Chinesischen, Wiener-Sitzungsberichte. Bnd. 134,
1896, separatabdr., blz. 38 vigd.
— 3i4 —
Want het moge heel waar zijn. dat wij met vrijen wil elke nieuwe
constructie kunnen willen, onafhankelijk van al het voorgaande;
feitelijk worden wij dikwijls door ons zwakke tk verlokt, den ge-
makkelijksten weg te kiezen; en de gemakkelijkste weg is natuur-
lijk, de meest actueele, dus dikwijls dezelfde als die van de juist
voorafgaande constructie, en zoo werkt de automatische inertie, zij
het dan ook alleen bijwijze van lokmiddel, toch feitelijk zéér kracht-
dadig ook van de eene constructie op de andere.
Dit zien wij het duidelijkst in den laffen stijl van alle ongeoefende
of weinig individueele sprekers of schrijvers Als makke schaapjes
loopen al hunne zinnen achter elkander op een sukkeldrafje maar
aldoor hetzelfde weggetje van onderwerp langs gezegde naar voor-
werp en bepalingen af.
711. Actueel echter is niet alleen de onmiddellijk voorafgaande,
maar zijn alle constructies, die door de bewuste psychische een-
heid min of meer duidelijk worden geappercipeerd. En onder invloed
van deze serie gelijkende constructies, ontwikkelen zich nu alle
vaste woordvoegingen. En zoo vinden wij dus hier de tweede reden
van verschil tusschen de oude vrije woordschikking der klassieke,
en de gebonden woordvoeging der nieuwere talen.
718. Dezen drang naar normaliseering der woordvoeging zien
wij vooral duidelijk in een reeksje van feiten, op zich van weinig
belang, maar juist om het psychologisch inzicht, dat zij ons gun-
nen in hun ontstaan, hier toch zeker te vermelden. Ik bedoel « die
syntaktische Ruhelage » van Bkhaghel (i).
714. Een onafzienbare reeks andere voorbeelden waarbij de vo-
rige of een der vorige bewustzijnseenheden van invloed is op de
woordvoeging eener constructie, biedt de overal voorkomende voor-
opstelling van het psychologisch subject gevolgd door het psycho-
logisch praedikaat (2).
(i) O. Behaghel : Die Herstellung der syntaktischen Ruhelage im
Deutschen, IF. 14, igo3, blz. 438. In noot 2 op blz. 445 had hij
ook het Avestisch kunnen noemen : Zie W. Galand : Zur syntax
der relativ^^dti^e, KZ. 3i, 1892, blz. 263-64.
(2) Het schijnt in de wetenschappelijke wereld onbekend te blijven,
dat de theorie van het psychologisch subject en praedicaat reeds
een kwart eeuw, vóór ze door v. d. Gabelentz werd verkondigd,
door Hbnri Weil is gevonden en in het al meermalen aangehaalde
werkje allerduidelijkst is uitgesproken. Wat bij v. d. Gabblbntz
- 3i5 —
Ik ga hier op de détails (i) dezer theorie niet in, maar mogen
deze namen ook al ongelukkig zijn gekozen, het is zeker dat er
een grond van waarheid in ligt : dat namelijk overigens identieke
psychologisch subject is, heet bij hem notion initiale^ en het psy-
chologisch praedicaat noemt hij but du discours. Ik maak op deze
prioriteit te meer opmerkzaam, omdat reeds Abel Bergaignb (MSL.
3, 1879, blz. 19) ze had aangewezen; en ik tóch in de talrijke
vooral Duitsche behandelingen van dit vraagstuk nergens den naam
van Henri Weil gevonden heb.
(i) Behalve Weil-Super en Bergaigne, t. a. p., blz. 29-30. G. v.
D. Gabelentz : Ideeën f m einer vergleichenden Syntax, Zeitschr f.
Völkerpsych., VI, 1869, blz. 376 vlgd.; Idem : Wciteres :(ur vergl.
Syntax, Ibidem, VIII, 1871 ; Idem : Internat. Zeitschr. f. allgem,
Sprachwissenschaft, III, 1887, blz. loo vlgd.; Idem : Die Sprach-
wissenschaft^, t. a. p., blz. 355 vlgd.; Ph, Weg ener : Grundfragen,
t. a. p., blz. 29 vlgd.; H. Paul : Prinppien^, t, a. p., blz. m
vlgd. , 260 vlgd.; Martv : Ueber die Scheidung von grammati-
schentf logischem und psychologischem Subjekt, resp. Prddikat, Ar-
chiv für systematische Philosophie, III, blz. 174 vlgd.; W. Reichel :
Sprachpsychologische Studiën, t, a. p., blz. 20, vlgd,; Svedelius :
L' analyse du langage, t. a. p., blz. 6 en blz. 93 vlgd, (Deze ver-
werpt merkwaardigerwijze in zijne Introduction de leer van het
psych. subject en praedicaat, en neemt op blz. 93 tóch de theorie
van Weil over; de verschillende namen hebben hem dus voor de
gelijkheid van beide theorieën blind gemaakt; trouwens een zeer
frequent geval van Nominalisme, zie hierboven n' 34) P. Pebtrrs :
Langues et littératures anciennes dans Véducation; Études, (Retaux-
Paris) 69. 1896, blz. 243 vlgd.; W, Wundt : Die Sprache, II, t. a. p.,
blz. 259, met wien Delbrück : Grundfragen der Sprachforschung,
Strassburg, 1901, blz. i5o, niets doet dan instemmen, maar wien
SüTTERLiN : Das Wesen der sprachlichen Gebilde, Heidelberg, 1902,
met recht verwarring der termen verwijt. Deze verwarring wortelt
echter dieper en komt hieruit voort dat Wundt geen distinctie maakt
tusschen psychische energie en psychische actualiteit, de term Do-
minirende Vorstellungen omvat toch beide. De grootste psychische
actualiteit gaat nu wel gewoonlijk met de grootste energie gepaard,
maar niet altijd : Het gewone b. v. heeft in gewonen samenhang altijd
actualiteit en minder energie dan het nieuwe. Zie Th. Lipps : Leit-
f aden, t. a. p., blz. 78.
— 3i6 —
secundaire psychische eenheden, om de verschillende aanleidin-
gen waardoor wij er toe geraken, hunne psychische energie ook
op verschillende elementen concentreeren. Daaruit volgt natuurlijk
een verschillende accentueering. Le but du discours heeft natuurlijk
de meeste psychische energie. La notion initiale de minste.
Maar zoolang de energie van het psychologisch praedicaat niet
è\ te overheerschend wordt staat het psychologisch subject voorop, "4
omdat dit als reeds in een of meer vorige constructies voorhanden
door zijn inertie meer psychische actualiteit bezit.
Het duidelijkst komt deze inwerking aan het licht in de epana-
lepsis of anadiplosis b. v. in de heerlijke verzen van Vondel :
De boom van Duitschland kraakt en siddert overal,
Van zoo vermaard een val.
Van zoo vermaard een val besterft de vreugd en hope,
In 't aanschijn van Europe.
Euroop gevoelt dien slag : zij zucht en zit verdoofd
Om 't ploffen van dat hoofd :
Dat hoofd, dat heilig hoofd, dat spring- op springvloed schutte.
Dat Nassaus glorie stutte :
Dat hoofd, dat Spanjen, eer het sloot zijn gouden mond, i
Op gouden bergen stond.
71 ö. En hiermede hebben wij de secundaire verschijnselen der
woordvoeging behandeld. Iedereen ziet nu in, hoe nuttig het was
hiermede te beginnen. Zoovele algemeene verschijnselen, die wij
licht voor primair zouden gehouden hebben toonden nu in het
verband met de overige automatismen allerduidelijkst hunne secun-
daire natuur.
716. II. De primaire woordorde.
En wat nu nog overblijft moet primair zijn. Het is wel niet
veel maar toch van het allergrootste belang. Een der best geslaagde
hoofdstukken in Wundt's groot werk is zeker het « Zweite Capitel :
Die Geberdensprache », deel I, blz. 131-244. En in dit hoofdstuk
is weer het merkwaardigste, en zeker het oorspronkelijkste n' IV
Die Syntax der Geberdensprache. blz. 204-218. Wundt heeft toch
opgemerkt, dat er een vaste Syntaxis bestaat in de gebarentaal,
een syntaxis wel te verstaan, die zich tot eenige regels omtrent
de volgorde der gebaren beperkt. Deze regels gelden echter overal.
Bij de doofstommen niet alleen in allerlei landen waar de woord-
voeging der talen ook nóg zooveel verschilt, maar ook in de ge-
baren-taal der Indianen, waar dit nog te opmerkelijker is, omdat
- 3i7 -
hunne woordordes veel radikaler van hunne gebaren-volgorde af-
wijken, dan dit in Europa het geval is.
En wat zijn nu die regels :
1. Het subject staat vóór hét praedicaat (adjectief of verbum).
2. Het attribuut staat achter het substantief.
3. Het object staat na het subject vóór het verbum.
4. Bepalingen en adverbia staan achter het verbum.
5. Het lid, dat het meeste psychische energie heeft, komt voorop.
Welnu, deze regels komen im Grossen und Gangen zeer merk-
waardig overeen, met de woordvoeging, die wij, in aanmerking
nemend de boven behandelde secundaire veranderingen, in allerlei
talen, maar ff er speciaal en :(eer precies in de oudste Indoger-
maansche talen terugvinden.
Wij mogen dus met voldoende zekerheid concludeeren, dat zoo
de primaire volgorde was in de taal, toen elk woord, gelijk in de
gebarentaal nog elk gebaar, eene afzonderlijke zelfstandige beaming
of gevoelsakte beteekende.
Maar wat was toen een subject of object, wat was toen een
adjectief, wat was toen een substantief, wat was toen een verbum?
't Waren alle realiteitsbeamingen, alleen gedifferentieerd naar de
meerdere of mindere frequentie, dat men ze had beleefd.
Bekende substanties nam men aanhoudend waar, zoo dikwijls
men kijken of voelen wilde.
Acties, werkingen der substanties natuurlijk minder dikwijls, omdat
de meeste substanties niet altijd dezelfde werking verrichten.
Ook de eigenschappen werden minder frequent beaamd, althans
afzonderlijk, daar de bizondere eigenschappen van een ding vol-
strekt niet altijd gemerkt worden of te pas komen.
Bizondere eigenaardigheden van een actie zijn ' natuurlijk nog
zeldzamer dan de actie zelf.
En hiermede is de oerwet van de oorspronkelijke gedachte-
tevens woordorde gevonden : Het gewoonste, het meest psychisch
actueele komt voorop^ want eerst komen de substanties : Subject,
object, elk al of niet gevolgd door z'n attributen of blijvende eigen-
schappen. Dan volgt het verbum, het woord voor de voorbijgaande
eigenschap : de actie en daarna sluit het meest accidenteele, een
eigenaardigheid der werking, de oer-reeks van beamingen.
Maar waarom staat het subject, niet het object voorop? waarom
komt bij tijd en wijle een der andere naar voren als zij veel energie
hebben? Daarom moet op onze wet nog eene beperking en tevens
- 3i8 —
eene aanvulling volgen : als niet het psychisch-meesi-energische aan
het gewoonste den voorrang betwist. Want het subject was Casus
Activus, behelsde waardeer ing, het object was Casus Passivus en
werd geminacht, het subject had dus meer psychische energie.
Bij n' 258 is nog eenige literatuur vergeten, die (om het groote
belang, dat ik aan de inertie -wet hecht) hier nog moge volgen :
G. E. Muller - A. Pilzecker : Experimentelle Beitrdge s^ur Lehre
vom GeddchtnisSs Leipzig, 1900, blz. 58-78; W. Schaefer -. Ueber
die Nachwirkung der Vorsiellungen, dissertatie Gieszen, 1904; Max
Wertheimer : Experimentelle Untersuchungen :{ur Tatbestandsdiagnos-
tik, Archiv. f. d. gesamte Psychologie, VI, i9o5, blz. 123-129;
Watt : Ueber die Perseverationstenden:^ der Vorstellungen, voor-
dracht op het 5<le internationale Psychologen-congres te Rome,
26-3o April 1905.
BESLUIT.
Ik sta aan het einde van mijn taak.
Vele meeningen en theorieën, vele feitenreeksen en
materiaalverzamelingen heb ik gevonden in de taalweten-
schap, toen ik begon. Vereenigen wilde ik dat alles in
een synthese.
Die synthese was mij onmogelijk, als ik moest werken
naar de bekend-veilige methode der positivistische Indo-
germanistiek.
Die synthese ware mij heel gemakkelijk geweest, als
ik er naar slaan mocht met een idealistischen slag, gelijk
vroeger Bopp en Pott hebben gedaan, gelijk het nu
K. VossLER en B. Croce weer zouden willen.
Die synthese ware geen synthese, als ik mij had aan-
gesloten óf bij hen, die met H. Paul in de taal niets
dan historie, óf bij hen, die met de phonetici en dialect-
onderzoekers in de taal niets dan het tegenwoordig-gegevene
believen te verwelkomen : immers beiden zijn al even
eenzijdig.
En toch wilde ik van dit alles wat behouden.
Van de positivisten hun zekerheid, van de idealisten
hun breede overschouwing, van de historici : hoe taal
wordt en verwordt, van de phonetici en dialectici : hoe
taal is en precies is.
Maar ik zou mooi-willen gehad hebben, als er niet
aan me was geweest van vroeger : zelfobservatie, bestu-
deering van mijn omgeving, experimenteering op mensch
en dier, kennis van de oude rationeele, nieuwe experi-
menteele, en de pas ontgonnen pathologische psychologie.
— 320 —
De psychologie was hier de virtus in medio : zij waar-
borgt aan de positivisten meer zekerheid; zij bouwt een
fundament voor de idealistische luchtkasteelen ; zij ver-
klaart en geeft nauwkeurige reden in de taal van worden,
verworden en ?ijn.
Zoo was dus mijn streven; maar (natuurlijk!) de uit-
komst mocht niet zoo rooskleurig zijn.
Van den gulden middenweg ben ik afgeweken her en
der; waarschijnlijk nog veel meer malen, dan ik me zelf
nu bewust ben. Moet ik me daarvan beschuldigen en
klagen ?
Veel liever bedenk ik, dat mijne jarenlange inspanning
niet zonder vrucht is gebleven, en als lustige vogel leef
ik in de naïeve hoop, dat er in de taalwetenschap der
komende eeuw nog al wat zal blijven hangen van mijne
synthetische proeve. Godlof !
Katmjk ajd Rijn^ bij Leiden,
September \goS,
Jac. van GINNEKEN, S. J.
BOEKENNIEUWS.
Spreekwoorden en Zegswijzen, afkomstig van oude
gebruiken en volkszeden, verzameld door A. De Cock.
Gent, Ad. Hoste, 1906.
In dit boek van meer dan 400 bladz. kleinen druk,
heeft men nu alles bijeen, wat A. De Cock sedert 1896
in zijn tijdschrift Volkskunde aan bovengenoemde spreek-
woorden had laten afdrukken.
» Deze bundel is geen eigenlijk spreekwoordenboek »,
zooals D'^ Stoet er een gemaakt heeft, « waarin het ver-
zamelen en verklaren der spreekwoorden en zegswijzen de
hoofdzaak zijn; de beschrijving van oude gebruiken, oude
toestanden en volkszeden — thans geheel of grootendeels
uitgestorven, maar nog steeds voortdurend in de taal —
maakt hier het hoofdbestanddeel uit. De spreekwoorden
vormen dus enkel de omlijsting, de oude gebruiken vor-
men het doek, het eigenlijke schilderstuk. » (Een woordje
vooraf. )
Blijkens de inhoudstafel vindt men hier spreekwoorden
en zegswijzen afkomstig van : het ridderwezen; het krijgs-
wezen ; het gildewezen ; koopen en verkoopen ; overeen-
komsten; eigendomsrecht; erfenis; andere rechtsoudheden;
lijfstraffelijke rechtspleging; ordaliën of godsoordeelen ;
heksen- en kettervervolging; eet- en drinkpartijen ; oude
kleederdrachten en kleedingstoffen ; bouwtrant; volksver-
maken; vrijen en trouwen, kinderen en begraven; am-
bacht, bedrijf, nering; andere oude gebruiken, zeden en
toestanden; zaken van godsdienstigen aard; oude munten,
maten en gewichten.
— 322 —
Voor een werk als dit, in onze taal het eerste van zijn
soort, verdient de sedert lang gunstig bekende folkorist,
A. De Cock, den dank van taalgeleerden, folkoristen,
kultuur-historici, enz. met een woord, van al wie belang
stelt in onze nederlandsche « taaloudheden ».
Door een uitvoerig alphabetisch register van den in-
houd, heeft schrijver het naslaan van zijn werk zeer
vergemakkelijkt. J. D. C.
COOflfllaqot
^
1 L